50-70-kader-rug-vrouw

Sensueel schilderen

Een solo-expo in Antwerpen bij de verschijning van haar tweede boek: het gaat hard voor de jonge fotografe Lara Gasparotto, amper 24 jaar jong. Al meteen na het afstuderen aan de fotografie-afdeling van de Saint-Luc École Supérieure des Arts in Luik werd ze ontdekt door de Antwerpse galerij Stieglitz 19.

Hierboven ziet u haar favoriete foto van het moment. “Ik koos voor deze foto omdat ze een groot deel van mijn werk goed samenvat: een foto van een rug en een nek in een mooi landschap.” De ontblote nekken en ruggen in het werk van Gasparotto staan voor kwetsbaarheid en sensualiteit, zegt ze. “De aangeboden nek, dat is de erotiek in zijn puurste vorm. Je toont niets en toch bied je jezelf aan. Maar dat is uitleg achteraf, eigenlijk is het allemaal spontaan en onderbewust zo gegroeid.”

“Zoals de meeste van mijn foto’s maakte ik ook deze bijna toevallig, in dit geval in Ierland in 2012. In feite vermeld ik liever niet waar een foto is genomen, want het zou overal kunnen zijn – ergens in de VS of in Afrika, bijvoorbeeld. Ik bezocht een vriendin die daar werkte en we trokken met de fiets naar het Connemara National Park. Op een bepaald moment waren we per ongeluk in een veen beland en zaten we een uurtje in de zon om op te drogen. Mijn vriendin heeft een prachtige witte huid en ik zei haar dat ik zin had om een foto te maken. Zo gaat het altijd: spontaan, toevallig, zonder groot verhaal. Ik ga niet op reis om foto’s te maken, het gebeurt gewoon. Maar ik weet wel meteen dat ik een goed beeld heb.”

Tot haar 18de hield Lara zich vooral met schilderkunst bezig en droomde ze van een carrière als filmregisseur. “In mijn schilderijen koos ik voor hyperrealisme: ik baseerde me op foto’s en schilderde die zo getrouw mogelijk na. Zo ben ik op het idee gekomen om fotografie te gaan studeren.” Sindsdien schildert de jonge kunstenares met licht en vertelt ze verhalen met haar foto’s.

De persoonlijke anekdote en de vriendschap achter de foto zouden de argeloze kijker op het verkeerde been kunnen zetten. Lara Gasparotto doet veel meer dan haar eigen leven documenteren en de kijker of lezer een inkijk in haar dagboek geven. Misschien doet ze wel iets helemaal anders. Hoe nonchalant, authentiek en intiem de beelden ook lijken, het zijn niet haar privé-foto’s. “In mijn artistiek werk reflecteer ik op de manier waarop wij leven en de dingen die de maatschappij van ons verwacht. Mijn eigen leven staat daar los van. Het klopt dat ik voor deze foto vertrek van een intiem moment met een vriendin, maar ik het transformeer het tot iets anders. In mijn vroegere werk dacht ik daar minder bij na en deed ik gewoon mijn ding, wat soms neerkwam op het vastleggen van momenten met vrienden. Maar ondertussen is mijn werk alweer verder geëvolueerd.”

Wat brengt de toekomst? “Ik denk dat ik meer geëngageerd word met de jaren, maar zonder mijn intuïtieve kant te verliezen. Ik wil mensen tonen dat er meer is dan materialisme. Met name: vriendschap, de wereld zien, nieuwe mensen leren kennen, dat geeft veel meer voldoening dan spullen kopen. Je hebt niet veel nodig om te doen wat ik doe.”

Op een kast in de keuken van het Brusselse appartement dat Lara samen met haar vriend, fotograaf Christopher de Béthune betrekt, liggen tientallen spiegelreflexcamera’s uit de vorige eeuw uitgestald. Met als pronkstuk een drie kilo wegende Asahi Pentax met houten handgreep. Voor haar fietstrip door Ierland werkte Lara met een eenvoudige digitale camera. “Eigenlijk maakt het niet zoveel uit waarmee je fotografeert”, zegt ze. “Het heeft alleen een effect op de textuur van de foto en de scherptediepte, maar ik zou net dezelfde foto hebben kunnen maken met mijn telefoon.”

Robert_Skidelsky,_IEIS_conference_«The_Politics_of_Virtue,_the_crisis_of_liberalism_and_the_post-liberal_future»

Wat als we niet meer hoeven te werken?

De Britse economieprofessor, auteur en partijloos politicus Robert Skidelsky (75) is ervan overtuigd dat we dankzij de automatisering binnen enkele decennia niet (veel) meer zullen moeten werken. Met behulp van een basisinkomen zullen we ons leven op eigen houtje kunnen invullen. Maar wordt dat ook een duurzaam leven?

Onlangs haalde het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen Lord Robert Skidelsky naar Antwerpen voor een lezing, en ARGUS strikte hem voor een interview. De 75-jarige Britse emiritus professor economie is vooral bekend vanwege zijn biografie in drie delen over de invloedrijke economist John Maynard Keynes.

Vorig jaar publiceerde Skidelsky samen met zijn zoon Edward het pamflet Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven. Vader en zoon vertrokken daarvoor opnieuw bij Keynes, meer bepaald bij diens essay uit 1930: Economic possibilities for our granchildren. Vooruitgangsoptimist Keynes voorspelde daarin dat mensen ongeveer een eeuw later – binnen dit en vijftien jaar dus – dankzij productiviteitswinst en automatisering amper vijftien uur per week zouden moeten werken.

De Skidelsky’s stellen vast dat Keynes het voorlopig niet bij het rechte eind had. Ze menen ook te weten waarom. We werken met zijn allen veel harder dan we eigenlijk zouden moeten omdat we daartoe worden aangezet door de consumptiemaatschappij en reclame in het bijzonder. En omdat we gedreven worden door een sterk verlangen naar status, die we denken te kunnen bereiken door in een groot huis te wonen, ongezond veel te eten, met een dikke auto te rijden en verre reizen te ondernemen. Het is nooit genoeg, en tot wat voor soort excessen dat kan leiden, zagen we onder andere in de bankencrisis en aan absurd hoge topmanagers- en topvoetballerslonen.

Robert en Edward Skidelsky hebben het niet zo erg begrepen op de milieubeweging, maar evenmin op de excessen van de consumptiemaatschappij. Zij pleiten voor een derde weg: het goede leven. Leven zonder stress, in vrijheid en in harmonie met de natuur, met veel vrije tijd die we kunnen gebruiken om onszelf te ontwikkelen, van vrienden en cultuur te genieten. Want eigenlijk gelooft Robert Skidelsky dat Keynes binnen een paar decennia alsnog gelijk zal krijgen. De immer voortschrijdende robotisering en automatisering zal ertoe leiden dat heel veel banen overbodig worden. Hoe moeten we dan verder? En hoe valt deze toekomstvisie te rijmen met duurzaamheid?

De vrijetijdseconomie

Misschien moeten we bij het begin beginnen: hoe waarschijnlijk acht u het dat robots en computers ons werk overnemen? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Robert Skidelsky: “Als je robots zegt, denken mensen algauw aan een mensachtig wezen uit blik, maar automatisering gaat voor een groot stuk over software. Het lijkt me bijvoorbeeld perfect mogelijk om het werk van callcentermedewerkers op termijn door slimme software te laten uitvoeren. Zo zijn er talloze voorbeelden. In het verleden zijn we al vaker met automatisering geconfronteerd. Ook toen verloren mensen hun job, maar we bleven nieuwe producten en jobs creëren zodat er altijd genoeg werk was. Die periode zou stilaan op zijn einde kunnen lopen. Ik verwacht dat we in de komende twintig à dertig jaar steeds grotere structurele werkloosheid zullen krijgen vanwege de fenomenale groei in rekenkracht en intelligentie van computersystemen. Ook zogenaamd intellectuele jobs zullen vervangen worden door computers. En dan wordt het interessant.”

Wat gebeurt er als mensen geen werk meer hebben omdat computers en robots hun taken overnemen?

Robert Skidelsky: “Het lijkt me aannemelijk dat we mensen een basisinkomen zullen geven. Maar de meer fundamentele vraag is: hoe zullen mensen hun tijd dan doorbrengen? Als mensen niet meer moeten werken voor een inkomen, moeten ze kiezen wat ze met hun leven gaan doen. De vraag wordt dan: hoeveel geloof heb je in de mens? Pessimisten denken dat mensen zich zullen kapotvervelen en elkaar misschien zelfs uitmoorden. Optimisten geloven dat mensen hogere capaciteiten zullen ontwikkelen, die lange tijd sluimerend aanwezig waren omdat ze hun tijd aan werk moesten besteden.”

Bent u een optimist of een pessimist?

Robert Skidelsky: “Dat varieert. Als ik naar het nieuws kijk, geloof ik niet dat er veel hoop is voor de toekomst van de mens. We lijken met een fabricagefout geboren. Op andere momenten besef ik dat de mens kan bijleren en evolueren. Delen van de wereld zijn er veel beter aan toe dan vroeger, niet alleen materieel maar ook spiritueel. Kijk maar naar Europa, of meer specifiek naar de Scandinavische landen. Het onderwijs is gedemocratiseerd, ongeveer de helft van de bevolking doet hogere studies. Dat verheft mensen.”

Zouden mensen nog wel studeren als ze niet meer moesten werken?

Robert Skidelsky: “De enige reden om te studeren zou dan zijn je geest en je capaciteiten te verruimen – maar geldt dat nu al niet voor heel wat hoger onderwijs? Lager en middelbaar onderwijs zijn behoorlijk utilitair, maar eens aan de universiteit wordt dat toch anders. Nogal wat mensen beginnen aan een opleiding omdat ze hen interesseert, niet met een bepaalde job in gedachten. In een geautomatiseerde toekomst wordt de universiteit een van de fases van active leisure (actieve vrije tijd).”

Grenzen aan de groei

Laten we ervan uitgaan dat uw toekomstvisie uitkomt. Wordt het ook een duurzame toekomst, bijvoorbeeld met een cradle-to-cradle-economie?

Robert Skidelsky: “Het milieu niet belasten met giftige afvalstoffen is hoe dan ook heel belangrijk, zeker in het licht van de bevolkingsgroei. We kampen nu met grote problemen om ons afval kwijt te geraken. Dus de idee van bio-afbreekbaarheid en kringlopen ben ik zeker genegen. Ik zou zeggen: good luck, go ahead! Elke filosofie die ons aanmoedigt om in harmonie met de natuur te leven, moet wel juist zijn. Het goede aan cradle-to-cradle is ook dat het een denkrichting is die niet vertrekt van schaarste en uitputting, maar van overvloed. Dus niet dat Puriteinse groene denken over besparen en beheersen. Ik ben namelijk niet zo’n Puritein.”

Hebben we voor de overgang naar een meer duurzame economie vooral een mentaliteits- en gedragsverandering van de mensen nodig of meer staatsinterventie?

Robert Skidelsky: “Beide, denk ik. Als je de stimuli verandert, verandert het gedrag. De liberale gedachte dat je met een andere aanpak dan de geldende paternalistisch zou zijn en zou ingaan tegen de menselijke vrijheid, is een valse voorstelling van zaken. Er is heel wat paternalisme en manipulatie in de wereld waarin wij leven. Het is gewoon een kwestie van welk soort manipulatie je verkiest. Neem nu reclame zoals we die vandaag kennen, een van de grote triggers in onze maatschappij om steeds maar meer te willen. Je hebt een grote groep mensen nodig die ervan overtuigd geraakt dat de meeste reclame leugenachtig en vals is. Dan zou er een consensus kunnen ontstaan over meer restricties op reclame. Maar je kan het ook doen zonder op vrijheid te beknibbelen, bijvoorbeeld door de financiering van tv-zenders en websites op een andere manier te regelen dan nu het geval is.”

De Club van Rome had het in 1972 al over de grenzen aan de groei. Tegenwoordig is het bon ton om te zeggen dat die grenzen overschreden zijn. Moeten we dan naar een nulgroeieconomie? En kan dat wel, een economie zonder groei van het BBP?

Robert Skidelsky: We live in a target culture, don’t we? We stellen ons als maatschappij altijd bepaalde doelstellingen. Maar de fixatie op het BBP is al bij al een vrij recente evolutie, iets van de jaren vijftig en zestig. Wat niet wil zeggen dat de welstand en de welvaart in de jaren voordien niet verbeterden. We zijn er kennelijk nogal goed in om eeuwigheidswaarde toe te kennen aan vrij recente trends. De gedachte om ze te verlaten, lijkt ondraaglijk. Er valt nochtans heel wat voor te zeggen om het groeidoel te laten vallen en voor andere doelen te opteren. Eén van de belangrijkere doelen lijkt me economische zekerheid. De meeste mensen hebben liever dat hun kapitaal in stand wordt gehouden dan dat het spectaculair groeit, als dat het risico inhoudt het te verliezen. We willen betere gezondheidszorg voor iedereen. We willen een economie waarin mensen in harmonie met de natuur leven en waarin ze genoeg vrije tijd hebben, dat is ook niet erg pro-growth. We moeten ook durven nadenken over de verdeling van welvaart.”

Utopie en dystopie

Het utopia dat u schetst lijkt toch erg ver weg. Volgens Thomas Piketty wordt de ongelijkheid alleen maar groter. Stevenen we op een revolutie af?

Robert Skidelsky: “Het is mogelijk dat er crisissen komen. Maar de overgang van de dystopie naar de utopie is nog nooit zo dichtbij geweest. De utopie staat voor de deur, omdat de technologische mogelijkheden om mensen minder te laten werken nooit groter zijn geweest. Minder werk is een constante in alle utopieën, maar nu kan het realiteit worden. Het interessante is dat samen met de realiseerbare utopie ook een dystopie mogelijk wordt, met een steeds grotere kloof tussen de haves en de have nots. Het is dus een heel interessante periode. Ik weet niet wat er zal gebeuren, we kunnen mensen alleen de goede mogelijkheden tonen en hopen dat ze die kiezen.”

U hebt zich voor uw boek verdiept in de onverzadigbaarheid de mens, de gedachte dat veel niet goed genoeg is. Wat is uw conclusie?

Robert Skidelsky: “Aan het begin van onze research veronderstelden wij dat onverzadigbaarheid een belangrijke drijfveer is van de mens. Ondertussen ben ik daar minder van overtuigd. Het idee van de onverzadigbare mens past in een economische propaganda die wil verdoezelen dat veel van wat we doen gedreven wordt door reclame. Gulzigheid en jaloezie zijn zeker menselijke kenmerken, en we zien er heel wat van rondom ons, maar misschien geven we ze wel te veel gewicht. De menselijke moraal heeft dit soort trekjes altijd veroordeeld en de mensheid is er altijd naar op zoek geweest hoe we deze neigingen, net als de voortplantingsdrift, op een of andere manier aan banden kunnen leggen.”

Bent u eigenlijk toch optimistischer geworden over de toekomst van de mensheid?

Robert Skidelsky: “Niet echt. Mensen zitten nu eenmaal zo in mekaar dat ze gemakkelijk vallen voor politici die hen om de tuin leiden en hen overtuigen om hen te volgen naar het nieuwe Utopia. De belangrijkste karaktertrek van de mens lijkt me zwakheid in plaats van slechtheid. En nu ben ik toe aan een sigaret.”

 Verschenen op Argus Actueel, 16 december 2014
12478294045_4120719835_z

“Terugverdientijd: één dag”

In Nederland zit de renovatie van woningen tot panden met nul op de energieteller in een stroomversnelling. Hoe gaat dat in zijn werk? En wat kan Vlaanderen, ondanks de grote verschillen in woningbouw en -bezit, leren van de noorderburen?

Nederland maakt werk van energietransitie. Sinds 2011 zorgt het landelijke innovatieprogramma Energiesprongervoor dat het goedkoper en makkelijker wordt om woningen energieneutraal te renoveren, en dat zonder subsidie, enkel met procesbegeleiding. Het programma richt zich overigens ook op kantoren en zorginstellingen. Energieneutrale nieuwbouw valt buiten de scope, vanuit de overtuiging dat de markt op dit gebied zijn werk wel zal doen. Waarom zou je tenslotte niet kiezen voor energieneutrale nieuwbouw als het amper 15.000 euro meer kost dan bouwen volgens de geldende normen?

Met vernieuwbouw is er wel nog werk aan de winkel. Jasper van den Munckhof, de manager van Energiesprong, licht toe.

Jasper van den Munckhof: “Energiesprong is een transitieprogramma. Dat betekent dat we naar alle relevante factoren kijken, dus niet alleen naar bouwkundige oplossingen of nieuwe zonnepanelen, of alleen naar het verhogen van het aantal gebruikers om de prijzen te doen dalen, maar ook naar financieringsconstructies, wet- en regelgeving en de waardering van panden. Dat zijn tot nader order allemaal onafhankelijke processen in onze maatschappij. Als er een beginnende vraag is naar energieneutraal verbouwen, zal een bouwbedrijf niet meteen geneigd zijn om te veranderen en ebt de vraag al snel weer weg. We zoeken daarom naar synchroniciteit, met zowel vraag én aanbod, als mogelijkheid tot financiering, en bovendien de zekerheid van een hogere waardering en een degelijk wettelijk kader.”

Hoe begin je daaraan?

Jasper van den Munckhof: “De basis van wat we tot nog toe gedaan hebben is doorkijkjes creëren, met aan de ene kant een bouwkundige oplossing en aan de andere kant een businesscase met woningbouwcorporaties en bouwbedrijven. We hebben daarvoor een methode ontwikkeld – een deal – die hierop neerkomt: als bouwbedrijven voor een welbepaalde prijs een oplossing kunnen bieden mét energieprestatiegarantie, dan zorgen wij voor de nodige woningbouwcorporaties die beloven 11.000 woningen op die manier te laten renoveren. Als deze partijen eruit zijn, stappen wij naar de overheid en zorgen we ervoor dat de corporaties meer huur kunnen innen voor een bedrag gelijk aan de huidige energierekening van de huurder. Op die manier zorg je voor een volume dat de inspanning voor aannemers interessant maakt en de overheid welwillend stemt om regels aan te passen.”

Wat maakt deze aanpak succesvol?

Jasper van den Munckhof: “Als je het anders aanpakt, is iedereen slechts één radertje in het geheel, nu heb je een integraal pakket. Anders wordt er wat advieswerk gedaan of subsidie gegeven, maar zonder voldoende effect. Voor alle duidelijkheid: we streven hier naar nul-op-de-meter-woningen zonder extra subsidiëring. In de praktijk gaat het over volledig elektrische woningen, waarin aardgas niet meer nodig is, ook niet voor verwarming. In de zomer wekken deze panden dankzij de zonnepanelen wat meer energie op dan ze nodig hebben en in de winter wat minder, maar op jaarbasis zijn deze woningen energieneutraal.”

Wat zijn de eerste concrete resultaten?

Jasper van den Munckhof: “Zes woningcoöperaties hebben toegezegd om samen 11.000 panden te laten renoveren. Met de vier grootste Nederlandse bouwbedrijven beginnen we nu aan een traject om zowel de prijs als de prestaties van dit project goed te krijgen. Nederland is uniek in die zin dat er in de jaren zeventig op industriële wijze rijhuizen zijn neergezet, een woningvoorraad die zich goed leent tot industriële renovatie.”

Hebben jullie ook een programma voor individuele eigenaars – wat dichter zou aansluiten bij het Belgische model van woningbezit?

Jasper van den Munckhof: “Particulieren profiteren om te beginnen van de grote volumes en de nieuwe technieken die dankzij de woningcorporaties worden gerealiseerd, en die ook voor hen de prijzen omlaag halen. Op 29 september 2014 hebben we een deal gesloten voor de particuliere markt met 60 gemeentes, 8 van de 12 Nederlandse provincies, de rijksoverheid en een reeks andere stakeholders. Bouwbedrijven engageren zich om een innovatietraject te starten en tegen eind 2015 een oplossing op de plank te hebben om een huis voor 45.000 euro energieneutraal te maken (20% lager dan de huidige prijs). De makelaars-taxateurs nemen het energieprestatiecertificaat mee in hun methodiek om huizen te taxeren en banken geven grotere hypotheken op basis van de toekomstige waarde van het huis na renovatie en de lagere woonlast door het wegvallen van de energierekening.”

Op welke termijn verdient dit model zich terug?

Jasper van den Munckhof: “We zeggen altijd: op één dag. De ene dag gaan al je ramen eruit, komt er een schil rond je huis en zonnepanelen op het dak, en de volgende dag is je huis in één klap zoveel meer waard als je erin hebt geïnvesteerd. We streven ernaar om de woonlasten gelijk te houden: de hypotheeklast stijgt net zoveel als de energierekening daalt: dat kost dus virtueel niets. Dat klinkt aantrekkelijker dan terugverdientijd. Goed isoleren doe je voor de hele verdere levensduur van de woning, pakweg 50 jaar. Maar wie is er geïnteresseerd in een terugverdientijd van een halve eeuw? We trachten dus op een andere manier naar het probleem te kijken. We willen dat mensen weten dat hun woning meer waard wordt, dat het prettiger wonen is, dat hun aanzien in de wijk verhoogt. Als je de voorbije drie jaar je energierekening kon betalen, gaan we ervan uit dat je de komende jaren de hogere hypotheeklast zult kunnen betalen als de energierekening wegvalt.”

Hoe waterdicht zijn die energieprestaties eigenlijk?

Jasper van den Munckhof: “Dat vragen bouwbedrijven ook altijd. Het mooie van dit soort oplossing is dat de bouwer alles in handen heeft: de isolatie, de luchtdichtheid, de pv-installatie… Uit nieuwbouw weten we dat het werkt. De gegarandeerde energieprestaties zijn van een aantal parameters afhankelijk die via slimme meters worden opgevolgd: je gebruikt nul energie als je maximaal 22° stookt, de ramen niet laat openstaan in de winter, de 20 minuten douchetijd per dag per bewoner respecteert. Wanneer je buiten die bundel gaat, betaal je iets meer aan het energiebedrijf, maar nog altijd relatief weinig. We zorgen er natuurlijk voor dat dit soort informatie goed zichtbaar is voor de bewoner.”

Wordt er ook echt out of the box gedacht?

Jasper van den Munckhof: “Reken maar van wel. Sommige bouwbedrijven zijn al aan de derde generatie van hun concept toe. De Koninklijke BAM Groep is bijvoorbeeld aan het uitzoeken of het niet interessanter is om huishoudtoestellen op gelijkstroom bij dit concept te leveren. Nu gaat veel stroom verloren bij de omzetting naar wisselstroom en in transformatoren. Toestellen op gelijkstroom zijn veel robuuster. Je hoeft dan ook minder zonnepanelen te leggen. Het lijkt eigenlijk economischer om standaard gelijkstroom te leveren en alleen naar wisselstroom en hoge voltages te converteren voor die apparaten die dat nodig hebben in plaats van omgekeerd. Met andere woorden: er is nog wel echt een hoop ruimte.”

Wat is het uiteindelijke doel van Energiesprong?

Jasper van den Munckhof: “Als je nu energieneutraal wilt verbouwen, is dat een hopeloos complexe zaak. Energieneutraal renoveren moet even makkelijk worden als een nieuwe keuken kopen. Wil je een nieuwe keuken, dan ga je naar de speciaalzaak en kies je er een van de vijftien uit naargelang je wensen. Dat is mijn eindbeeld. Wanneer precies we zo ver zullen zijn, dat weet ik niet, maar ik ben ervan overtuigd dat er mondjesmaat in elke woonboulevard winkels zullen verschijnen die zo’n totaalpakket aanbieden. Op dit moment is de interesse voor het concept groot, maar het wantrouwen ook. We beloven dan ook iets heel bijzonders: een betere renovatie voor een lagere prijs dan vandaag. Er moet dus eerst wat volume in de markt komen zodat mensen zien dat het echt werkt. En dan kan het heel snel gaan.”

Verschenen op Argus Actueel, 12 oktober 2014

Schermafbeelding 2014-09-25 om 23.08.49

Windmolen zkt. batterij

Vroeger was het simpel: kernenergie, gas en  steenkool zorgden in landen als België en Nederland  voor een constante stroomvoorziening. Nu Europa groene stroom als de toekomst oplegt, rijst een probleem. Want als de zon niet schijnt of de wind niet waait, is er ook geen stroom.

Afgelopen zomer bleek dat de Belgische regering drastische maatregelen wil treffen mocht er deze winter een stroomtekort ontstaan, nu drie kernreactoren stilliggen. In uiterste nood zullen in elke provincie een aantal gemeenten urenlang van het net gekoppeld worden om een totale black-out te vermijden. Het verouderde Belgische kerncentralepark laat het geregeld afweten en de laatste jaren is te weinig in alternatieve stroombronnen geïnvesteerd. Ook van energie-opslag en stroomuitwisseling met andere Europese landen is tot nog toe te weinig werk gemaakt.

Nederland en België bengelen met respectievelijk 4,5% en 6,8% groene stroom, vooral wind- en zonne-energie, onderaan het Europese peloton. Het lastige aan hernieuwbare energie is dat het niet noodzakelijk hard waait of zonovergoten is als we veel energie nodig hebben. Om in de toekomst nog genoeg stroom te hebben, moeten we inzetten op de combinatie van een slim elektriciteitsnetwerk, de verbinding van elektriciteitsnetwerken in Europa en lange- en kortetermijnopslag van energie.

‘De Europese Unie stelt 80% CO2-reductie voorop tegen 2050’, zegt Fokko Mulder van de TU Delft. ‘Als we dat willen halen, kunnen we niet anders dan inzetten op hernieuwbare energieopwekking in combinatie met energieopslag.’ Mulder is houder van de leerstoel Materialen voor Geïntegreerde Energiesystemen. De grote uitdaging bestaat erin om de productie- en opslagsystemen zo te ontwerpen dat ze volstaan om aan de stroomvraag te voldoen. Overcapaciteit installeren is weggegooid geld, maar te weinig productie en/of opslag kan leiden tot de gevreesde black-outs. Er is echter nog heel wat werk aan de winkel om de efficiëntie, capaciteit en rendabiliteit van energieopslagsystemen te verhogen.

Lees meer in EOS oktober 2014

Nesjavellir, de grootste geothermische centrale van IJsland. Foto: Gretar Ívarsson (Wikipedia Commons)

“Duurzaamheid zal goedkoop zijn, of ze zal niet duurzaam zijn”

Volgens VITO-directeur Dirk Fransaer zijn we met ons woningbeleid en de fixatie op energie-efficiëntie helemaal verkeerd bezig. Goedkope duurzame energie uit diepe geothermie is het alternatief waar hij op inzet.

Voor de vierde keer al organiseren VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) en TERI (het Indische The Energy and Resources Institute) hun gezamenlijke i-SUP-conferentie. De instituten bundelen de krachten om opnieuw een groot aantal ondernemers, investeerders, overheden en experts rond de tafel te krijgen en te praten en te leren over duurzame innovatie. Er zal ongetwijfeld veel aandacht gaan naar de komst van Virgin-baasRichard Branson, maar de infosessies over geothermie beloven zo mogelijk nog meer te spetteren. Een vooruitblik met VITO-directeur ir. Dirk Fransaer.

Met Richard Branson halen jullie een wereldberoemd entrepreneur, visionair, avonturier en voorvechter van duurzaam ondernemen in huis. Maar kan je wel een duurzaam ondernemer zijn als baas van een luchtvaartmaatschappij die een slordige 6 miljoen ton CO2 per jaar uitstoot? Dirk Fransaer “Branson is een grote publiekstrekker. Hij sluit inderdaad aan bij het duurzaamheidsaspect en bij waar we met i-SUP2014 naartoe willen, meer bepaald het onderdeel dat gaat over investeren in duurzame oplossingen. Duurzame groei kunnen en moeten we stimuleren door de combinatie van ondernemerschap en duurzame ontwikkeling. Hierbij is CO2 maar één component van duurzaamheid in de context van klimaatverandering. Maar duurzaamheid is veel meer dan het vermijden van klimaatverandering. Richard Branson zal trouwens in discussie treden met astronaut Frank De Winne over de haalbaarheid van duurzame ruimtevluchten.”

Hoe definieert u duurzame ontwikkeling? En welke plaats heeft luchtvaart daarin?  Dirk Fransaer “Ik wil de vraag graag opentrekken naar welk economisch model wij willen en welke rol transport daarin moet spelen. Als duurzame landbouw eng – en volgens mij onterecht – gedefinieerd wordt als lokale landbouw met uitsluitend lokale afzet is het inconsequent om tegelijk van Vlaanderen de transporthub van Europa te maken. Het is onmogelijk om de aardbeien uit Zuid-Afrika tegen te houden wanneer die dank zij massatransport niet veel duurder zijn dan die van de boer van bij ons.”

“VITO hanteert een viertal wereldbeelden, gedefinieerd door internationale organisaties. In één dergelijk wereldbeeld overheerst een geglobaliseerde wereld. In een ander daarentegen wordt een eerder lokaal wereldbeeld aangehangen. In het geglobaliseerd wereldbeeld is er duidelijk een contradictie tussen duurzame lokale landbouw in Vlaanderen en een grootschalig aanbod via geglobaliseerd transport van voedsel. Wereldbeelden, of specifieke toekomstbeelden voor Vlaanderen, dienen consequent te zijn, anders krijg je een amalgaam van aan elkaar tegengestelde oplossingen. Om terug te komen op luchtvaart: neen, CO2 uitstotende luchtvaart is niet duurzaam, maar willen we dan met zijn allen vanaf nu kiezen voor vakantie in eigen land? Ik dacht het niet. De oplossing lijkt me eerder om te werken aan CO2-vrij transport. Wat luchtvaart en scheepvaart betreft staan we hier voor bijzonder grote uitdagingen.”

i-SUP2014 besteedt veel aandacht aan diepe geothermie. Waarom? Dirk Fransaer “Niet alleen VITO is ervan overtuigd dat diepe geothermie een zeer belangrijke bijdrage kan leveren aan ons energievraagstuk. Neem eens een kijkje op Google.org/egs. In een van de Youtube-filmpjes op die site over Enhanced Geothermical Systems rekent dr. Jefferson Tester van het Massachusetts Institute of Technology voor dat als de VS 2% van zijn potentieel aan diepe geothermie zou ontginnen, ze 26.000 jaar lang de primaire energievoorziening kunnen verzekeren – dat is warmte en energie voor alle Amerikaanse gebouwen, fabrieken en transport. Ook bij ons en in feite overal ter wereld is het potentieel enorm als je op 6 km diepte water injecteert in gesteente en de stoom terug opvangt en gebruikt voor verwarming en stroomproductie. De enige vraag is: kan je het op een kostenefficiënte manier ontginnen? Kan je het zo goedkoop maken dat je geen groenestroomcertificaten nodig hebt? Wij denken dat het antwoord zit in het koppelen van de verschillende centrales en een geïntegreerd warmte- en elektriciteitsgebruik.”

Wat staat de ontwikkeling van diepe geothermie in de weg?  Dirk Fransaer “Europa en Vlaanderen willen tegen 2050 evolueren naar een duurzame, koolstofarme maatschappij. Toch stel ik vast dat de regelgeving en het beleid vandaag contraproductief zijn om die doelstelling te bereiken. Het Vlaams parlement heeft recent een resolutie aangenomen waarin zeven Vlaamse decreten zijn opgelijst die moeten gewijzigd worden om diepe geothermie te realiseren. Ook een aantal Europese directieven gaan lijnrecht in tegen de ontwikkeling van diepe geothermie. Wat de EU vandaag promoot is rijkeluisduurzaamheid, enkel haalbaar voor wie veel geld heeft. De EU is de sociale component in duurzaamheid vergeten en is dus per definitie niet duurzaam bezig. Met een boutade: duurzaamheid zal goedkoop zijn, of ze zal niet duurzaam zijn. Een van de schrijnendste voorbeelden van hoe het niet moet is trouwens het woningbeleid van de EU.”

Wat is er mis met het beleid rond bouwen en renoveren en hoe moet het dan wel worden aangepakt?  Dirk Fransaer “De renovatiegraad ligt momenteel op 1%. De strenge normen rond energie-efficiëntie en isolatie maken bouwen en verbouwen veel te duur, met als gevolg dat de bouwsector problemen heeft, de huurmarkt dreigt op te drogen en er een toenemende vraag naar dure, sociale woningen ontstaat. De trias energetica is een wet van Meden en Perzen geworden, maar helaas is het soms niet efficiënt om zo efficiënt mogelijk trachten te zijn. Het is zinloos om woningen te isoleren tot op het niveau dat nu wordt voorzien, inclusief de vereiste maatregelen voor duurzame energiewinning. Er zijn voldoende studies die uitwijzen dat het effect op bestaande woningen een veel te hoge prijs heeft voor het bereikbare resultaat. De vervanging van minder rendabele stookketels tot 2020 genereert 80% van de CO2-reductie die men beoogt met de huidige EPB-regelgeving voor nieuwbouwwoningen en dat voor een aanzienlijk lagere kostprijs. Vaak zijn die vervangingen gewoon veel goedkoper. Toch hoor je daar bijzonder weinig over.”

“Het is eigenlijk verbazend dat men bij de aanschaf van een nieuwe wagen geen verplichting oplegt om een elektrische wagen aan te kopen, terwijl men bij nieuwbouw wel strenge en dure normen oplegt. Met de overschakeling op elektrisch personentransport zou men op tien jaar tijd – de gemiddelde levensduur van een wagen in Vlaanderen – de CO2-uitstoot van Vlaanderen met circa 12% kunnen reduceren. Bovendien is de kostprijs qua verbruik van dergelijke wagens spectaculair lager dan voor klassieke personenwagens.”

Maar beter nog is: stoppen met isoleren en lage-energiewoningen bouwen en overschakelen op diepe geothermie?  Dirk Fransaer “Het huidige systeem faalt: woningen worden steeds duurder en uiteindelijk onbetaalbaar. Veel mensen die hebben belegd in een eigen woning zullen die vanaf 2020 niet meer kunnen verkopen door de steeds strengere energienormen. Dat is zonder meer een massale vernietiging van maatschappelijk kapitaal. Natuurlijk moeten we de CO2-uitstoot terugdringen, maar dan wel op een betaalbare manier. Dat kan met het onbeperkte energie-aanbod van diepe geothermie en aan zonnelicht in de Zuidelijker gebieden. Als we diepe geothermie kunnen ontwikkelen en aanbieden aan een betaalbare prijs, creëren we een warmte-overschot en kan je woningen op een warmtenet aansluiten. Een dergelijk warmtenet kan ook gevoed worden met bestaande industriële restwarmte. Zo sla je twee à drie vliegen in één klap. Energie wordt goedkoop of tenminste niet duurder, zal overvloedig aanwezig zijn en is CO2-neutraal. Dan moet je nog steeds isoleren, maar volstaat een E50-peil. Vóór de oliecrisis van de jaren zeventig was er van isolatie geen sprake, want energie was spotgoedkoop. Sindsdien gaan we ervan uit dat energie steeds duurder zal worden, maar dat zou eigenlijk niet mogen. Het moet de uitdaging van de technologie en de maatschappij zijn om energie betaalbaar te houden of ze terug betaalbaar te maken. Als energie duurder wordt, valt alles stil en dat kunnen we ons niet permitteren. Als optimist moeten we ervan durven uitgaan dat energie even duur zal blijven of goedkoper zal worden. Dan klopt ook de theorie achter efficiëntie en het E-peil niet langer.”

Hoe denkt u de politiek en de ondernemers te overtuigen van deze Copernicaanse energie-omwenteling? Doet VITO wel genoeg om zulke oplossingen naar voor te schuiven en te helpen realiseren?  Dirk Fransaer:  “Er wordt vaak onder het mom van energiepolitiek een andere agenda ontplooid, ofwel door willoos Europa achterna te lopen ofwel door bepaalde thema’s op gekleurde wijze te recupereren. Dat is mogelijk omdat er te weinig maatschappelijke discussie is, of hoogstens in slogans wordt gedacht. De effecten van de geplande en genomen maatregelen worden voldoende doorgerekend, maar er wordt onvoldoende rekening mee gehouden. Ik wil ook de hand in eigen boezem steken en erkennen dat het potentieel van diepe geothermie en restwarmtenetten nog niet ruim genoeg bekend is. Maar we werken eraan, onder andere met i-SUP2014. Al blijft het voorlopig erg moeilijk om investeerders en financiële instellingen te vinden om op 6 km diepte naar aardwarmte te boren. Vreemd eigenlijk, want geld vinden voor de bouw van een windturbine die alleen maar rendabel is als ze groenestroomcertificaten opbrengt, dat lukt dan weer wel.”

i-SUP2014 vindt plaats van 1 tot 3 september 2014 in het Antwerpse Hilton Hotel. De conferentie staat in het teken van industrie en innovatieve duurzame productie. Meer info en inschrijven via de website:http://www.i-SUP.org

Verschenen op Argus Actueel, 7/8/14

Een nieuw uur, een nieuwe moederrol papier.

Elvire rust nooit

Zeven dagen lang publiceerde De Standaard de reeks Big in Belgium, over Belgische bedrijven en sectoren die de wereldleider in hun niche zijn. Het begon met Elvire, de meest efficiënte en meest productieve krantenpapiermachine ter wereld. De foto’s waren (meestal) van Titus Simoens.

Wanneer afgevaardigd bestuurder Chris De Hollander van Stora Enso Langerbrugge samen met machinebestuurder Patrick Van Der Linden voor de fotograaf poseert op de stomende en sissende krantenpapiermachine lijken ze nietige stipjes, een kapitein en zijn eerste stuurman op een reuzentanker.

Net als bij een schip zien we van de machine enkel de bovenste helft, 8 meter hoog en 125 meter lang. De andere helft bevindt zich een verdieping lager. Aan het ene eind spuit de machine papierpulp met een vochtigheidsgraad van 98% tussen doeken die op rollen draaien met een snelheid van 120 km/u. Exact 7,11 seconden later is de pulp krantenpapier geworden met een vochtigheidsgraad van 8%, klaar om bedrukt te worden. Zowat elk uur wordt een zogenaamde moederrol geproduceerd van 10,4 meter breed, bijna 4 meter diameter en meer dan 100 ton zwaar. En zo gaat dat door, dag en nacht, weekends en feestdagen inbegrepen. Elvire rust nooit. Haar naam heeft ze te danken aan het feit dat ze de vierde papiermachine op de site is – en lijn 4 of L4klinkt algauw als Elvire. Maar u mag ook PM4 zeggen, kort voor papiermachine 4.

De productiefste

PM4 gaat sinds 2003 door het leven als de grootste in haar soort ter wereld. Maar de grootste, dat is ze eigenlijk maar een jaar geweest, tot een Zweeds zusterbedrijf een 5 cm bredere machine in dienst nam. Elvire moet sindsdien genoegen nemen met de titel van snelste en efficiëntste krantenpapiermachine ter wereld, en dat zal ze nog heel lang blijven, zegt Chris De Hollander. ‘Binnen het internationale geheel van Stora Enso zorgt de machine van Langerbrugge voor de constante productie. De minder rendabele of minder goed gelegen machines op andere sites kunnen eventueel harder draaien als de vraag naar papier zou stijgen.’

De papierfabriek is sterk geautomatiseerd. Eén man, de ‘conducteur’, tuurt op een rij computerschermen waarop de processen worden gemonitord. Een andere loopt regelmatig rond in en om PM4 om te checken of de sensoren alles juist registreren. De versneden papierrollen worden door robots getransporteerd, ingepakt en over een lange transportband automatisch naar het depot vervoerd. In de lang vervlogen hoogdagen werkten er nog meer dan 1.000 mensen op de site, nu zijn het er nog 380 in de productie en 60 in de verkoop. Die laatsten zijn trouwens verantwoordelijk voor alle papierverkoop van Stora Enso in Europa ten westen van Duitsland. ‘We proberen met zo weinig mogelijk mensen te produceren, dat klopt’, zegt Chris De Hollander. ‘De papiermarkt krimpt. In 2008 hebben we een knik gekregen. Sindsdien verliest de papierindustrie 5% wereldwijd per jaar. Alle mensen die hier nu nog werken, hebben we nodig om de fabriek te laten draaien.’

Het monster moet gevoed worden, en Stora Enso is erin geslaagd de kringloop van papier te sluiten. Zowel PM4 als PM3, die elders op de 52 ha grote site magazinepapier produceert, vervaardigen papier uitsluitend op basis van gebruikt papier. Uit de 700.000 ton gesorteerd oud papier die hier jaarlijks wordt binnengebracht uit heel België en de buurlanden, haalt het bedrijf nog 150.000 ton afval dat grotendeels in de eigen biomassakrachtcentrales wordt verbrand. Het bedrijf wekt zo 70 procent van zijn eigen stroom op en produceert alle benodigde stoom zelf.

België

Wat heeft een Fins-Zweedse papiergroep er in 2003 toe aangezet om een nieuwe krantenpapierlijn samen met een biomassakrachtcentrale net hier te bouwen, goed voor een investering van 500 miljoen euro? En waarom zo’n grote machine?

‘In de papierindustrie heb je schaal nodig om concurrentieel te zijn’, legt Chris De Hollander uit. ‘Een machine die half zo breed is, kost 70% van de onze en is dus minder rendabel. Je hebt veel oud papier nodig, want we draaien volledig op recyclage. En je hebt veel afzet dichtbij nodig, want de waarde van krantenpapier is te laag om het over grote afstanden te transporteren.’ De Gentse site, met haar centrale ligging in Europa goed voor input én afzet van papier, kwam als beste uit de analyse. Het bedrijf levert papier aan alle Belgische kranten (met uitzondering van de zalmroze Tijd), aan de meeste Nederlandse en Franse en nog vele andere.

Chinese concurrentie

Een van de problemen waar de papierindustrie mee kampt, is niet de papierproductie in Azië, maar de enorme honger naar papier voor verpakkingsmateriaal van China. Zo kan het gebeuren dat het papierafval van Brugge op een boot naar China belandt, terwijl Stora Enso zijn grondstof in Breda moet gaan zoeken. Dat soort absurde toestanden moet stoppen, zegt De Hollander, die pleit voor duurzamere aanbestedingen voor oud papier en karton in een zo lokaal mogelijke kringloop.

Verschenen in De Standaard, 15/7/14

parkour

De stad als hindernissenpiste

Voor de argeloze toeschouwer lijken het gekken: jongeren die midden in de stad halsbrekende toeren uithalen. Zijn de beoefenaars van parkour de nieuwe kamikazes?

Ze lopen letterlijk tegen de muren op, zwieren lenig langs stellingen en verkeersborden, maken salto’s op straatmeubilair, springen onvervaard van fietsrek naar fietsrek en soms zelfs van het ene dak naar het andere. De stad is hun speeltuin, hun klimmuur, hun jungle. Eén foutje en ze breken hun nek, zo lijkt het. Twee weken geleden nog werd een groepje Antwerpse traceurs die zich de Wayaw Movement noemen, door het klimteam van de plaatselijke brandweer uit een dakgoot verlost. De politie achtte het onverantwoord om hen op eigen kracht te laten afdalen. Maar de beoefenaars van parkour weten doorgaans heel goed waar ze mee bezig zijn en waar hun grenzen liggen. Parkour of freerunning geldt als de laatste nieuwe stedelijke rage, maar eigenlijk bestaat de discipline al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. De roots gaan nog verder terug. De Franse luitenant-ter-zee ­George Hébert (1875-1957) ontwikkelde aan het begin van de twintigste eeuw zijn méthode naturelle, een manier van trainen en voortbewegen geïnspireerd op de soepele bewegingen van wat hij les peuples non civilisés noemde. Héberts methode legde de basis voor de Franse militaire training die verder werd ontwikkeld tot het parcours du combattant, een militaire hindernissenkoers. De Franse Vietnamveteraan Raymond Belle (1939-1999) leerde de kneepjes van het vak aan zijn zoon David (°1973), die de discipline in de jaren tachtig kruidde met een snuifje gymnastiek en een lepel vechtsport. Het was David die de s dropte en de c inruilde voor een hippere k – parkour was geboren. Samen met zijn vrienden vormde Belle jr. een groepje dat zich Yamakasi noemde en de inspiratie vormden voor Luc Bessons film Yamakasi. Les samouraïs des temps modernes (2001). Zeker geen meesterwerk, maar de prent hielp parkour bekend maken bij het grote publiek.

Blessures

Ook België telt inmiddels enkele honderden beoefenaars van parkour (‘traceurs’ in het jargon) en ze worden steeds talrijker. Sommigen imiteren op eigen houtje stunts uit onverantwoorde Youtube-filmpjes. Maar in wezen is parkour een groepsgebeuren waarin ervaren traceurs hun jongere kompanen behoeden voor roekeloos gedrag. In de turnzaal van een Antwerpse middelbare school heb ik na schooltijd afgesproken met Ersin Bogaerts (26) en Tom De Backer (34), de stichters en bezielers van de drie maanden oude Antwerp Parkour School. Ersin is in het dagelijks leven beroepsmilitair bij de infanterie, Tom werkt als vertaler. Ze zijn allebei al jaren in de ban van de parkour-microbe. ‘Ik ben een jaar of zes geleden met parkour begonnen, na het zien van Yamakasi’, zegt Ersin. ‘Maar eigenlijk heb ik mijn hele kindertijd niets anders gedaan: in bomen en op muurtjes klimmen en ervan afspringen.’ Ersin stroopt zijn rechter broekspijp op en toont een bobbel bij de aanhechting van de kniepees en het scheenbeen, het gevolg van te jong en te intensief springen. ‘Het is om dat soort blessures te vermijden dat we jongeren trainen.’ Wat trekt hem aan in parkour? ‘Mensen zijn vergeten hoe je op een natuurlijke manier kunt bewegen’, zegt Ersin. ‘Kijk naar de dieren, hoe soepel en snel zij obstakels vermijden. Dat proberen wij opnieuw aan te leren. Maar parkour is veel meer dan een manier van bewegen: het is een levenswijze. Wij zullen nooit iemands eigendom beschadigen of mensen aan het schrikken brengen.’ Tom vult aan: ‘We dwingen niemand om halsbrekende toeren uit te halen. Iedereen moet zijn grenzen kennen. We vermijden peer pressure, al stel ik vast dat je minder vlot uit je comfortzone geraakt als je alleen traint.’ De intensieve sportbeoefening met veel krachttraining, scherp ruimtelijk inzicht en een goed evenwichtsgevoel helpt ook bij de dagelijkse routine, zegt Tom. ‘Bij parkour heb je slechts een fractie van een seconde om een situatie juist in te schatten, er goed op in te spelen en weer op je voeten te landen. Ook op mijn werk voel ik me beter voorbereid op een telefoontje van een lastige klant.’

Kom van dat dak af

Na een kwartiertje opwarming stuiteren de drie opgedaagde clubleden door de turnzaal. Ze slingeren onder een balk door, springen over opeenvolgende springkasten en landen op een klimrek. Wie te hard neerkomt, moet tien keer pompen, als straf voor de overbelaste knieën. Als de moves goed zijn ingeoefend, kan het echte werk beginnen. Voor een traceur is de stad één grote speeltuin. Waar de gewone voetganger zich beperkt tot de veilige tweedimensionale ruimte van het voetpad, ziet de beoefenaar van parkour de stad in drie dimensies. Muurtjes, zitbanken, relingen, zelfs dakgoten en daken schrikken hem niet af. Van het ene dak naar het andere springen zoals in actiefilms, ook daar draait de ervaren traceur zijn hand niet voor om, toch? Tom aarzelt even en zegt dan: ‘Ja, wij springen van daken. Niet elke dag en niet om het even waar, maar we zijn er fysiek en mentaal toe in staat en onze discipline maakt het ons mogelijk om te komen op plekken waar niemand anders geraakt. Maar ik doe het nooit met iemand van wie ik niet zeker ben dat hij zich kan redden. En je moet altijd op een veilige manier terug kunnen.’ ‘We zoeken het gevaar niet op’, vult Ersin aan. ‘We gaan behoedzaam te werk en we trainen om in onvoorziene omstandigheden ons evenwicht te bewaren en goed neer te komen. Tegelijk is het ook een mentale test: kan ik een handstand uitvoeren op een reling op twee hoog als ik dat op de begane grond ook kan? Maar nogmaals: veiligheid komt voor alles.’ Hij wijst naar de T-shirts van de Antwerp Parkour School met als opschrift: ‘Agility. Persistence. Safety’: lenigheid, doorzettingsvermogen en veiligheid. Er staat geen maximumleeftijd op parkour. Ersin en Tom willen hun sport blijven beoefenen zo lang ze kunnen. Wat ze aan lenigheid inboeten, bouwen ze op aan ervaring, waarmee ze de komende generaties kunnen voeden. ‘Het belangrijkste aan parkour is de vriendschap’, zegt Ersin ‘Samen dingen doen, in de eigen stad of op verplaatsing. De passie voor de discipline schept vriendschappen voor het leven. Intensief met sport bezig zijn impliceert dat je goed voor je lichaam zorgt. Dat betekent voor mij drugsvrij en met zo weinig mogelijk alcohol door het leven gaan. Ik hou me ook aan de leuze van de Yamakasi: être fort pour être utile: wij staan fysiek en mentaal klaar om mensen in alle omstandigheden te helpen.’ Misschien zijn de traceurs wel de boyscouts van deze tijd, die het sjorren door springen hebben vervangen.

Cattle jumping

Voor jeugdschrijfster en antropologe Marita De Sterck vormde Ersin de inspiratie voor Niet zonder liefde, haar boek met parkour als thema. Voor de antropologe is de link met initiatierituelen snel gelegd. ‘Ik zie onder andere verwantschappen met cattle jumping, een ritueel uit Ethiopië waarbij jongens over vee springen en waarvoor ook wordt getraind. Net als bij parkour geven de jongens elkaar tips door en evolueren ze na een tijdje tot leermeester. Zo ontstaat een vorm van hiërarchie.’ Respect, discipline en verantwoordelijkheidsgevoel zijn voor traceurs geen holle woorden, leerde De Sterck toen ze een tijdlang verscheidene parkour-groepen observeerde. ‘Ze zijn als de dood voor imitatie­gedrag en als iemand op straat hen vraagt om met hun gekkenwerk te stoppen, leggen ze altijd heel beleefd uit wat ze aan het doen zijn. Omdat het fysieke zo belangrijk is in hun discipline, mijden ze drugs en drank. Ze willen echt scherp staan, ze zijn ongelooflijk getraind. Daar kan onze generatie nog wel het een en ander van leren.’ www.facebook.com/AntwerpParkourSchool

Verschenen in De Standaard op 14/6/14
1

Bang van de ring

De jarenlang aanslepende strijd voor betere mobiliteit rond Antwerpen wordt gevoerd met tal van argumenten, waarin gezondheid, overkapping, nieuwe ruimte voor de stad en kostprijs momenteel de belangrijkste zijn. We evalueren de claims die de drie hoofdrolspelers op deze punten maken.

Wat ligt er op tafel?

 

1. BAM/OOSTERWEEL

De Vlaamse regering heeft op vrijdag 14 februari 2014 officieel het BAM-tracé goedgekeurd, ondertussen omgedoopt tot Oosterweelverbinding. Dat plan sluit de Antwerpse ring dicht tegen de stad in het Noorden (zodat verkeer dat van Hasselt en Nederland naar Gent moet, niet door de Kennedytunnel hoeft) en ontlast de ring verder door de intunneling van de R11bis/A102. Het verkeer dat van Breda, Hasselt of Eindhoven naar Brussel moet, kan daarvan gebruik maken en hoeft niet meer langs de ring.

Het BAM-tracé met Lange Wapperbrug, de weggestemde Scheldekruising uit het oorspronkelijke plan, wordt vervangen door een Kanaaltunnel die samen met een tunnel onder de Schelde het Linkeroeverknooppunt van E34 en E17 verbindt met de Noordelijke A12, de E19 en de Oostelijke E34. De nieuwe Noordelijke ring wordt in dit plan gedeeltelijk ondertunneld, overkapt en ingesleufd. Het viaduct van Merksem verdwijnt en wordt vervangen door sleuven en tunnels en een op- en afrittencomplex ter hoogte van het Sportpaleis, de zogenaamde Hollandse knoop. Op bepaalde plekken zijn in het Oosterweeltracé overkappingen mogelijk. In totaal is Oosterweel volgens de plannenmakers goed voor 26 ha extra stadsgebied, al zou dat volgens BAM-woordvoerder Bojan Cerovic volgens de laatste berekeningen al zijn opgelopen tot 50 ha.

2. MECCANO

De actiegroepen stRaten-generaal en Ademloos kiezen met Meccano voor het maximaal weghouden van het doorgaand verkeer van de stadsring en de ondertunneling/overkapping van de huidige Antwerpse ring. De actiegroepen zien de huidige ring als een ring door Antwerpen en pleiten voor een buitenring rond Antwerpen en door de haven. Het doorgaand verkeer wordt omgeleid, niet alleen via de A102 zoals in het Oosterweelplan (waarin dat idee van Meccano werd overgenomen), maar bovendien ook via een Noordtangent in het Havengebied en een Westtangent rond Zwijndrecht. Meccano zou zorgen voor 146 ha nieuw gebied op en rond de overkapte ring en het overkappen van de E17 ter hoogte van Zwijndrecht mogelijk maken. Meccano blijft weg van de groengebieden Noordkasteel en Sint-Annabos, waar geen nieuwe verkeerswisselaars hoeven te komen. Bij Meccano hoort ook de opstart van een volwaardig voorstadsnet voor treinverkeer en het verder uitbouwen van het binnenstedelijk tramnetwerk.

3. RINGLAND

Ringland keert de prioriteiten om. Dit plan kiest voor een stapsgewijze opbouw van de capaciteit met als prioritaire oplossing de overkapping van de huidige ring, de uitbouw van openbaar vervoer, de aanleg van de A102 en als sluitstuk een derde Scheldekruising mocht die dan nog nodig blijken. Ringland pleit voor een strikte scheiding van doorgaand- en bestemmingsverkeer in naast elkaar gelegen aparte tunnels en verlegt de huidige Singel bovenop het tunneldak. Zo ontstaat er meer capaciteit op de huidige ring, kan die grotendeels overkapt worden en komt de huidige Singel verder van de stad te liggen. Door het fijnstof en de geluidsoverlast zo veel mogelijk in de tunnels op te vangen, stijgt de leefbaarheid in en om de stad. De beloofde ruimte die vrijkomt door het intunnelen van de ring gaf dit plan zijn naam. Ringland belooft maar liefst 462 ha nieuwe ruimte eens de ring is overkapt. Dat is even veel als de oppervlakte van de Antwerpse binnenstad.

Ligt alles nu voorgoed vast?

Het is niet omdat de Vlaamse regering voor het BAM-tracé heeft gekozen dat het ook zal worden uitgevoerd. De publieke perceptie dat BAM koste wat het kost Oosterweel wil verdedigen, klopt overigens niet, klinkt het bij woordvoerder Bojan Cerovic. “Wij zijn louter een uitvoerende organisatie, een onderdeel van het departement mobiliteit en openbare werken, die de beslissingen van de Vlaamse regering uitvoert. Wij hebben geen bepaalde voorkeur voor eender welk tracé.” Met andere woorden: de opdracht die er nu ligt, is het verder onderzoeken van het Oosterweeltracé. Als er na de verkiezingen een andere beslissing valt, zet BAM dat werk stop en voert ze uit wat de nieuwe regering besluit.

Sluit het BAM-tracé volledige overkapping uit? Wordt de ring in Meccano en Ringland 100% overkapt?

BAM kan het Oosterweeltracé nooit helemaal overkappen omwille van de vele op- en afritten die volgens de Europese tunnelrichtlijn niet mogen worden ingetunneld. Met het Oosterweeltracé komen er bovendien ter hoogte van Merksem en Deurne twee extra verkeerswisselaars bij op de Antwerpse ring, wat het lokale overkappen van die ring bemoeilijkt. Of bij Meccano en Ringland volledige overkapping mogelijk is, moet nog blijken. Ringland vereenvoudigt en vermindert het aantal op- en afritten voor het Europese verkeer waarop de richtlijnen van toepassing zijn en tracht zo overkapping mogelijk te maken. Meccano stuurt het Europese verkeer in een nieuwe noordwestelijke ring rond de stad, waardoor de huidige ring ondertunneld kan worden. Voor op- en afritten en knooppunten geloven Meccano en Ringland in de mogelijkheden van de Duurzame weg, een serre-achtig concept van overkapping.

Oosterweel

Bojan Cerovic, woordvoerder van BAM, legt uit: “Op- en afritten mogen volgens de Europese tunnelrichtlijn niet overkapt worden, net als andere plekken waar weefbewegingen plaatsvinden. Dat geldt niet alleen voor Oosterweel, maar ook voor andere plannen. Gezien de nabijheid van de haven moeten de autosnelwegen geschikt zijn voor transport van gevaarlijke stoffen (full-ADR). Dat betekent dat er op regelmatige afstanden openingen moeten zijn om desnoods explosiedruk af te leiden.”

Zoals het er nu naar uitziet, zou overkappen van het Oosterweeltracé betekenen dat stukken zonder weefbewegingen kunnen worden overkapt. Op andere plekken, met op- en afritten en weefbewegingen, zou Oosterweel proberen aan de tunnelrichtlijn te ontsnappen door stukken van maximaal 500 m ring te overkappen met daartussen op regelmatige afstanden openingen. Een overkapping onder de 500 m geldt immers niet als een tunnel voor Europa.

Meccano en Ringland

Ringland en Meccano lossen de beperkingen die de Tunnelrichtlijn met zich mee brengt op door doorgaand verkeer in aparte tunnels onder te brengen. Bij Ringland lopen die tunnels over het tracé van de huidige ring. Meccano grijpt dieper in de verkeersstromen in en verandert het statuut van de bestaande wegen. Alle internationaal (vracht)verkeer en minstens het ADR-verkeer, moet verplicht over de west- en oosttangent (A102) en via de Scheldekruisingen Liefkenshoek of Meccano rijden. De huidige ring krijgt het statuut van nationale snelweg en plaatselijk zelfs lokale expressweg met vrachtverbod (van Berchem tot in Merksem). Zo worden vrachtwagens bij Meccano gedwongen om ondertunnelde routes verder van de stadskern te kiezen.

“Dit wordt eigenlijk een ring door de haven, waarbij nog heel wat knooppunten moeten worden heringericht,” merkt Bojan Cerovic op. “En daarvan is de kostprijs nog niet berekend.”

Wat gebeurt er met het fijnstof als de Ring (gedeeltelijk) overkapt wordt? Hoe performant zijn tunnelluchtfilters?

Het Nederlandse UCTechnologies heeft een systeem ontwikkeld, het HD Clean Tunnel System, waarmee het tot 90% van het fijnstof uit tunnellucht kan capteren. Bovendien doet het systeem ook aan warmterecuperatie. Daardoor zou het luchtzuiveringssysteem zichzelf volgens UCTechnologies op vijf jaar terugbetalen. Dit geldt natuurlijk alleen voor het fijnstof dat in de tunnels geproduceerd wordt. Simpel gezegd: hoe meer verkeer in afgesloten tunnels, des te minder fijnstof. Al moet ook dat in perspectief worden geplaatst. Alhoewel grote verkeersaders belangrijke broeihaarden van fijnstof zijn, vormen ze niet de enige oorzaak ervan. De lucht in Vlaanderen bevat tussen de 5% en de 30% fijn stof afkomstig van Vlaams verkeer – in Antwerpen gaat het bij druk verkeer en slechte weersomstandigheden zelfs om meer dan 30%. Ook de industrie is echter verantwoordelijk voor 30% van het fijnstof, net als de landbouw. Een deel van het verkeer rond Antwerpen in tunnels onderbrengen, daarvan het fijnstof filteren, heeft dus slechts betrekking op een fractie van een deel van 30% van het fijnstof. Wat daarom niet wil zeggen dat het de moeite niet loont om deze schadelijke deeltjes af te vangen.

Welk tracé is het minst schadelijk voor de volksgezondheid?

Voor Ringland, dat zich in de conceptfase bevindt, kunnen we daar moeilijk uitspraken over doen, maar er zijn zeker gunstige gevolgen verbonden aan het in tunnels onderbrengen van doorgaand verkeer. Het milieu-effectenrapport (MER) stelt dat Meccano het best scoort qua hinder en gezondheid. Er worden in vergelijking met Oosterweel vooral negatieve licht- en geluidseffecten vermeden ter hoogte van Linkeroever, Zwijndrecht, Luchtbal, Merksem en Deurne-Noord. Wat die laatste vijf wijken betreft, geldt dat overigens ook voor de variant Oosterweel-Noord.

De actiegroep stRaten-generaal, de initiatiefnemer achter Meccano, blijft er van overtuigd dat Meccano in feite nog veel beter scoort dan Oosterweel, omdat de vergelijking met verschillende parameters is gebeurd. Zo werd in het MER Oosterweel mét variabele tol vergeleken met Meccano zonder variabele tol en werden de maximaal toegelaten volksgezondheidswaarden aangepast in het voordeel van Oosterweel.

Bojan Cerovic noemt dat een achterhaald verhaal: “Op verzoek van minister Crevits is dit verschil nog eens nagerekend en het blijkt verwaarloosbaar.”

“Toch niet”, preciseert Manu Claeys van stRaten-Generaal. “Het klopt dat de mobiliteitseffecten van Meccano met variabele tol ondertussen zijn doorgerekend, maar niet de effecten op de luchtkwaliteit en de geluidsimpact.”

Wat mag dat kosten?

Volgens officiële berekeningen bedraagt de kostprijs van Oosterweel en A102/R11 bis 4,6 miljard euro en Meccano met A102/R11 bis zo’n 4,9 miljard.

Het totaal van 1,9 miljard euro dat Ringland en Meccano naar voor schuiven voor de overkapping van de ring, wuift Cerovic weg. “Het bedrag van 40 miljoen euro per 250 meter houdt geen rekening met kosten voor meer dan een minimale gronddekking en overspanning, de tunneltechnische installaties zoals verlichting, ventilatie, noodvoorzieningen… Bijkomende kosten, zoals het afbreken van het viaduct van de ring en vervangen door sleuven, complexere situaties rond op- en afrittencomplexen, locatiegebonden omstandigheden (zoals bodemverontreiniging of transportleidingen, vastgoedkosten), financieringskosten en dergelijke, zijn niet in die prijs opgenomen.”

Sven Augusteyns van Ringland noemt het vanzelfsprekend dat elk project een goede evenwicht moet vinden tussen kosten en baten. “Laten we dat dan ook verder onderzoeken. Met Ringland zijn er grote winsten te maken op gebied van stadsontwikkeling, mobiliteit en volksgezondheid, maar is het evident dat er ook kosten zijn. Wij hebben een concreet voorstel om uit de impasse te geraken en willen daarom een volwaardige berekening van het Ringland-voorstel in het kader van het lopende MER A102/R11bis. Daarin moet Ringland doorgerekend worden als volwaardig alternatief en als mogelijke combinatie met de verschillende tracés. Enkel zo kan je komen tot de best mogelijke combinatie van tracé en overkapping.”

“Vervolgens vragen we om een onafhankelijke stuurgroep op te richten met als opdracht een synthese te maken van alle bestaande voorstellen en een advies te formuleren over een toekomstplan voor Antwerpen dat rekening houdt met mobiliteit, leefbaarheid en stadsontwikkeling.” Manu Claeys sluit zich bij dit voorstel van Ringland aan, net als Wim Van Hees van de actiegroep Ademloos.

Conclusie

Op 10 oktober 1996 hield toenmalig Antwerps provinciegouverneur Camille Paulus een vurig pleidooi voor een sluiting van de Antwerpse ring. Bijna achttien jaar later blijkt het nog altijd erg moeilijk om de verschillende plannen rationeel en objectief tegen elkaar af te wegen. Twee dingen staan vast: in geen van de voorliggende plannen is de ondertunneling zo drastisch als in de hoofden van heel wat Antwerpenaars. En elk voorstel lijkt nog tekortkomingen te hebben. Ringland prikkelt de geesten, maar is nog te weinig onderzocht op haalbaarheid en betaalbaarheid. BAM/Oosterweel blijft een deel van het internationaal vrachtverkeer door drukbewoonde gebieden sturen. Meccano past daar een mouw aan, maar valt iets duurder uit. Nader onderzoek is nodig om de haalbaarheid en betaalbaarheid van Ringland te bestuderen en te zien of de claims over de reductie van fijnstof en geluidsoverlast hout snijden. De neiging om na al die jaren impasse eindelijk iets te doen geeft de sterk gecontesteerde Oosterweelverbinding nog enige wind in de zeilen. Maar om echt breed gedragen te worden door de Antwerpenaars en belastingbetalers in het algemeen, zou het zonde zijn om de droom van minder fijnstof en minder geluidsoverlast in combinatie met grote groene stadsontwikkeling die Ringland en Meccano bieden, niet nader te onderzoeken.

Verschenen in Argus Actueel, 21 mei 2014

Bemesting

Hoe moet het verder met de Vlaamse landbouw?

Elke week zetten circa 24 Vlaamse landbouwbedrijven hun activiteiten stop – en dat al tien jaar lang. De beweging Wervel spreekt over “de ondergang van een landbouwmodel”. Boerenbond pakt binnenkort uit met een nieuwe toekomstvisie op duurzame landbouw in Vlaanderen. Wij brengen alvast de krachtlijnen.

De landbouwcrisis beperkt zich niet tot Vlaanderen alleen. Terwijl er in 2000 nog 61.926 landbouwbedrijven actief waren in België, waren dat er in 2012 nog slechts 38.559 en ondertussen nog een 36.800. Het landbouwareaal nam niet evenredig af: stoppende boerderijen worden doorgaans overgenomen door grotere collega’s. Maar schaalvergroting leidt niet tot een merkbare verbetering in het gemiddelde inkomen van de landbouwers – integendeel. Wanneer boeren stoppen vinden ze maar moeilijk opvolgers omdat hun beroep financieel en sociaal weinig aantrekkelijk is. Heel wat boeren krijgen amper loon naar werken, ze vereenzamen en zien de schulden zich opstapelen. Volgens het jaarverslag 2013 van Boerenbond bedroeg het gemiddelde inkomen van een voltijds werkende boer vorig jaar 23.304 euro, minder dan 2.000 euro per maand dus. Door de stijgende kosten gaat het inkomen van de Vlaamse boer er de laatste jaren steeds verder op achteruit.

Prei met verlies

Wervel vzw, een werkgroep die ijvert voor een rechtvaardige en verantwoorde landbouw, pakt uit met een schrijnendvoorbeeld van een boer die zijn prei met verlies moet verkopen. Volgens Wervel geen alleenstaand geval. De productie van een bussel prei kost deze boer 0,44 euro per kilo, maar hij ontvangt er slechts 0,20 euro voor, terwijl de consument in de supermarkt 1,70 euro betaalt. Hoe zijn zulke uitwassen mogelijk? Campagnecoördinator en bio-ingenieur Veerle Devaere licht toe: “Omdat de Vlaamse boeren vaak dezelfde producten telen, die uiterlijk hetzelfde lijken, maar verschillen door teelttechniek en bodem, kunnen ze door de grootdistributie tegen mekaar uitgespeeld worden. De doorgedreven specialisatie van boeren vergt aanzienlijke investeringen en brengt grote risico’s met zich mee. Boeren staan bovendien in een zwakke positie: ze zijn sterk afhankelijk van het weer, dat bepaalt of ze een goede of slechte oogst hebben. Ze verkopen niet rechtstreeks aan de consument, maar aan tussenschakels zoals veilingen of supermarktketens. Omdat boeren verse producten leveren, kunnen ze niet wachten op betere prijzen. Ze hebben geen macht over de prijszetting.” Uit de probleemanalyse die Wervel maakt, blijkt meteen ook welke oplossingen ze naar voren schuiven: een boer moet zijn teelten diversifiëren, een meer rechtstreekse relatie met de consument ontwikkelen en trachten de eigen producten meer identiteit of een meerwaarde te bezorgen. Dat kan bijvoorbeeld via een eigen methode, opteren voor een streekproduct of zorg voor de natuur. “Vlaanderen is zo sterk verstedelijkt dat het niet doenbaar is om in te zetten op echt grootschalige landbouw”, zegt Veerle Devaere. “Grootschalige landbouw is ook in onze buurlanden de oorzaak van de stopzetting van boerenbedrijven. Boeren kunnen zich niet meer van elkaar onderscheiden, ze creëren geen meerwaarde meer.”

Consumenten

Veerle Devaere ziet tal van mogelijkheden voor rechtstreekse verkoop aan de consument, maar beseft ook dat die aanpak niet voor elke boer is weggelegd. “Goede prijsafspraken met ketens via een coöperatie kunnen boeren helpen om een eerlijke prijs te krijgen voor hun producten. Een diversiteit aan boeren is belangrijk om een rijk en gezond aanbod aan voedsel te garanderen.” Wervel wil consumenten bewuster maken van de situatie van boeren en van de rol van de grootdistributie. “Wanneer consumenten bewust lokaal consumeren en supermarkten onder druk zetten om boeren een eerlijke prijs te betalen – een prijs die niet alleen de kosten dekt maar de boer ook een inkomen bezorgt – dan is er sprake van een toekomst voor een landbouw met boeren. Zelfs in de supermarkt.” Andere manieren om tot een beter inkomen voor landbouwers te zorgen, zijn samenwerkingen tussen consument en boer. Via Community Supported Agriculture (CSA) weet de boer zich verzekerd van een inkomen, want consumenten betalen voor een jaar lang landbouwproducten nog voor de boer ze zaait of kweekt. Viavoedselteams, groenten- en fruitpakketten en andere korte-keteninitiatieven leveren sommige boeren nu al rechtstreeks aan individuen en buurtverenigingen. In een zelfplukboerderij doen consumenten een deel van het werk. Andere boeren stellen hun serres of hun kennis ter beschikking van consumenten die de handen uit de mouwen willen steken. Zo ondervinden ze aan den lijve hoeveel tijd en zorg een boer aan voedsel besteedt. In haar campagne ‘Boer zkt loon‘ gaat Wervel op zoek naar consumenten met LEF (Lokaal, Ecologisch en Fair). “We willen mensen aanmoedigen om te kiezen voor een lokale voedselproducent en daar de meerwaarde te proeven die deze boer hen biedt met plukverse groenten en fruit of andere producten zoals graan, zuivel en vlees. Door met LEF te kiezen, krijgt de boer een eerlijk aandeel, kan hij zijn eigen boontjes weer doppen en bouwen we ‘Fairtrade’ ook lokaal bij ons uit.”

Ketenoverleg

Boerenbond, de beroepsorganisatie van de land- en tuinbouwers, ontwikkelt tal van initiatieven om boeren beter te wapenen tegen de (over)macht van de distributie en om hen te helpen een hoger inkomen te realiseren. HetInnovatiesteunpunt leert boeren onder andere efficiënter te werken, hogere rendementen te halen met minder input, werk te maken van hoeveverkoop en in te spelen op andere actuele trends. Via het Ketenoverleg is de landbouwersorganisatie sinds 2010 in dialoog met de grootdistributie en de voedingsindustrie zodat boeren een faire prijs voor hun producten krijgen. Er is op minder dan vier jaar tijd al heel wat gerealiseerd. Alle supermarktketens actief in België, met uitzondering van Aldi, ondertekenden de gedragscode van het ketenoverleg. Bijna honderd bedrijven die samen goed zijn voor 75% van de voedingsindustrie, deden hetzelfde. “Elke schakel in de keten engageert zich om te handelen in een context van duurzame ontwikkeling, met oog voor economische duurzaamheid”, stelt Marc Rosiers, verantwoordelijk voor Ketenoverleg bij Boerenbond. Deze afspraken op sectorniveau moeten zorgen voor een versterking van de macht van de boeren op het gebied van producentenprijzen. In samenwerking met de FOD Economie worden er bijvoorbeeld maandelijkse brutomarges voor de rundvleessector opgesteld, die prijsonderhandelingen in een objectieve sfeer laten plaatsvinden. Zulke initiatieven geven de meer dan 36.000 boeren een grotere hefboom in de onderhandelingen met de zestien bedrijven in de grootdistributie en het honderdtal in de voedingsindustrie. Behoort het schrijnende voorbeeld van de verlieslatende preiboer van hierboven dan weldra voorgoed tot het verleden? “Voor een individuele boer kunnen wij niet onderhandelen, maar als zo’n situatie jaar na jaar en maandenlang voor een hele sector geldt, zullen we zeker heronderhandelen over een correcte producentenprijs. Boerenbond streeft naar een marktgebeuren waar zoveel mogelijk leefbare landbouwbedrijven aan kunnen participeren”, legt Marc Rosiers uit. Het belangrijkste wat boeren kunnen doen, is zich verenigen in producentenorganisaties en coöperaties. “En zelfs dan is het moeilijk om macht te verwerven in de markt”, stipt Rosiers aan. “Ondanks een omzet van bijna een half miljard euro is de veiling BelOrta (de samensmelting van de Mechelse en Borgloonse Veilingen, red.) slechts goed voor 3% van de Europese markt.”

Moeder, waarom exporteren wij?

Het Ketenoverleg geldt alleen binnen België, terwijl de Belgische landbouw sterk exportgericht is. Veilingen zetten 80% af in het buitenland, de varkenssector exporteert 60% van zijn productie. Zou het niet verstandiger zijn als de Belgische landbouw zich vooral op de thuismarkt zou richten? “Zeker niet. Als we niet meer zouden inzetten op export, dan zullen we pas een waar slagveld aan faillissementen zien. Dan moeten we op slag de helft van de bedrijven sluiten. Boerenbond blijft onze historische netto-exportpositie, gebaseerd op kwaliteitsdifferentiatie, verdedigen. Wij blijven geloven dat Vlaanderen in Europa een niche kan zijn. In bulk om de bulk geloven we niet, maar historisch is Vlaanderen altijd sterk geweest in niet-grondgebonden, intensieve landbouw. Er zijn overigens maar vier regio’s met een gelijkaardig netto-export-profiel in Europa: Nederland, Denemarken, Bretagne en Rijnland-Westfalen.” Marc Rosiers is ervan overtuigd dat de Belgische landbouw nationaal en internationaal het verschil kan maken met gecertificeerde kwaliteit en een nadruk op duurzaamheid. “Tegenwoordig is duurzaamheid nog te vaak vooral een marketingverhaal. Wij zijn volop bezig om van meetbare duurzaamheid een vast onderdeel te maken in onze lastenboeken. Hierbij brengen we zowel economische, ecologische als maatschappelijke aspecten in rekening. In de plantaardige productie zetten we bijvoorbeeld in op integrated pest management: een reductie van gewasbeschermingsmiddelen. In de dierlijke productie stimuleren we de vrijwillige vermindering van het antibioticagebruik en aspecten van dierenwelzijn, zoals oppervlaktenormen voor stallen en het niet onverdoofd castreren van biggen. Ik denk ook aan vormen van precisielandbouw, het niet gebruiken van bepaalde meststoffen…”

Duurzame landbouw

Die groter wordende nadruk op duurzaamheid past in een breder geheel. Op 27 mei presenteert Boerenbond zijn nieuwe visie: Inzetten op duurzame groei. Peter Van Bossuyt, verantwoordelijk voor de redactie van de visienota, licht voor ARGUS al een tip van de sluier op. “Boerenbond wil het beroep van landbouwer terug aantrekkelijker maken door onder andere in te zetten op diversificatie, het ontwikkelen van een betere relatie met de consument en door de boer actiever in te zetten voor natuurbeheer.” Diversificatie betekent dat er in de toekomst meerdere landbouwmodellen naast mekaar zullen bestaan, zegt Van Bossuyt. “Het is een én-én-verhaal. Enerzijds blijven we geloven in groeibedrijven die mikken op schaalvoordeel en op duurzame intensivering. Anderzijds kijken we naar meer kleinschalige bedrijven die inspelen op hun leefomgeving. Daarin past het huidige streven naar stadslandbouw, al vullen wij die term anders in dan anderen. Tussen de twee genoemde modellen liggen trouwens nog veel varianten.” Met “stadslandbouw” heeft Peter Van Bossuyt het niet over moestuintjes in de stad, maar doelt hij op het potentieel van ongeveer een derde van de Vlaamse landbouwbedrijven die zich in en om verstedelijkte gebieden bevinden. “We zullen daarbij inzetten op de korte keten en erover waken dat die economisch rendabel is.” De groeibedrijven zullen mikken op “meer met minder”: meer output met minder input. Van Bossuyt licht toe: “Deze groeibedrijven zullen meer melk, groenten of vlees produceren met minder gebruik van grondstoffen per eenheid geproduceerd product. Er is zeker nog ruimte voor verbetering: zo kunnen we in de veeteelt de uitstoot van broeikasgassen nog verder verminderen, bijvoorbeeld door een betere voederconversie. In de akkerbouw willen we ernaar streven om de milieudruk te verkleinen door nog meer doelgericht meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. We willen onze eiwitten ook meer lokaal telen waardoor de import in sojavorm uit Zuid-Amerika wordt afgebouwd.” Van Bossuyt benadrukt daarnaast dat het niet allemaal slecht nieuws is wat de klok slaat in de Vlaamse landbouw. “Het klopt dat er heel wat uitstroom is uit het vak door boeren die hun bedrijf stopzetten. Maar er is ook wel instroom, bijvoorbeeld van mensen die in landbouwbedrijven te werk zijn gesteld en zelf gaan boeren, of die er op een kleinschalige manier aan beginnen, bijvoorbeeld met een CSA-boerderij. Het gaat niet over grote aantallen, maar het zijn wel mensen die we kansen moeten geven in de land- en tuinbouw en waarvoor een wettelijk kader moet worden geschapen.”

LATTE-principe

De Vlaamse landbouw zal volgens Van Bossuyt slechts overleven als ze zich onderscheidt en topkwaliteit levert. “Wij willen ons richten op de 300 miljoen consumenten die binnen een straal van 500 km leven. We willen ons onderscheiden met innovativiteit en kwaliteit, niet met bulk. We kiezen voluit voor het LATTE-principe (Lokaal, Authentiek, Traceerbaar, Trouwhartig en Ethisch, waarbij ‘Trouwhartig’ staat voor kwalitatief en duurzaam, red.). Produceren voor consumenten in verder gelegen regio’s sluiten we daarbij niet uit, maar ook dat zal alleen maar lukken door in te zetten op kwaliteit. Meer dan tien jaar geleden waren we al blij dat er Belgische peren in Rusland werden verkocht. Nu moeten we er de Poolse peren verslaan met onze betere kwaliteit.” Veerle Devaere van Wervel vindt dat een op export gerichte landbouw zoals die in Vlaanderen bezwaarlijk het etiket ‘duurzaam’ kan dragen. “Het is niet duurzaam om vers voedsel dat veel water bevat te exporteren over lange afstanden en zo te concurreren met boeren in het buitenland.”

 

 

 Verschenen op Argus Actueel, 21 mei 2014
Haiyan_2013-11-08_0505Z

Kroniek van een aangekondigde klimaatramp

De door de mens veroorzaakte klimaatverandering is volop bezig en de mogelijke gevolgen kunnen erger zijn dan tot nog toe werd aangenomen. Maar we kunnen de risico’s en de gevolgen sterk inperken door nu juist te handelen, zegt het nieuwe klimaatrapport van het IPCC.

Het nieuwe rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change doorploegt zoals vanouds de meest recente wetenschappelijke literatuur om te doorgronden welke impact de klimaatverandering nu al heeft en wat we voor de toekomst kunnen verwachten. De Nederlandse doctor in de Klimaatwetenschappen Maarten van Aalst is directeur van het Rode Kruis klimaatcentrum en mede-auteur van het rapport. ARGUSactueel skypete hem in het Japanse Yokahoma net na het verschijnen van het IPCC-rapport op maandag 31 maart.

Mogen we het rapport in één zin samenvatten als: de wereld ondervindt nu al veel negatieve gevolgen van de klimaatverandering en het wordt nog veel slechter, tenzij we zo snel mogelijk ingrijpende maatregelen nemen?
Maarten van Aalst: 
“Daar kan ik helemaal achter staan. De te nemen maatregelen kan je onderscheiden in twee soorten. Van de ene kant zal de klimaatverandering zich blijven doorzetten en kunnen we de gevolgen daarvan aanpakken met bestaande middelen: betere early warning-systemen, slimmer omgaan met water en zo voort. Voor wat betreft de periode na 2050 moeten we nu werk maken van mitigatie – het terugdringen van broeikasgassen – omdat we anders in een situatie komen waarin de problemen echt uit de hand lopen.”

Wat is er veranderd in de zeven jaar sinds het vorige IPCC-rapport?
Maarten van Aalst: 
We kunnen veel helderder zijn over de menselijke invloed op het klimaat, met name op variabiliteit en extremen. Tien jaar geleden zagen we klimaatverandering als iets dat over een eeuw een aantal eilanden onder water zou zetten. Nu kunnen we al zeggen dat bijvoorbeeld de verhoogde zeespiegel heeft bijgedragen aan de ernst van de stormvloed van november 2013 in de Filippijnen. Ook de doden van de West-Europese hittegolf van 2006 en de voedselschaarste in Afrika zijn deels door de klimaatverandering veroorzaakt.”

Net als in de vorige rapporten is het duidelijk dat net de meest kwetsbare mensen de gevolgen van de klimaatverandering het hardst ervaren.
Maarten van Aalst:
 “Klopt, en het is belangrijk daarbij aan te stippen dat het niet alleen gaat over de mensen in arme landen, maar ook arme en kwetsbare mensen in de ontwikkelde landen, zoals de ouderen en zieken die sterven door een hittegolf. Soms zijn de oplossing heel simpel, zoals oma even bellen in het rusthuis en vragen of ze een paar glazen water heeft gedronken. Maar je moet er wel alert voor zijn.”

Hoe speelt een organisatie als het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in op de toenemende klimaatdreiging voor de meest kwetsbaren?
Maarten van Aalst:
 “We zijn al langer bezig om onze aandacht te verleggen van het leveren van de best mogelijke hulp na een ramp naar het steeds beter trachten in te schatten waar rampen zullen plaatsvinden en ze proberen te voorkomen, net zoals dit rapport voorschrijft. We leggen ons er bijvoorbeeld op toe om mensen de juiste informatie op het juiste moment te bezorgen, wat in de Filippijnen bijvoorbeeld veel slachtoffers had kunnen vermijden. Dat kunnen we natuurlijk niet in ons eentje, dus we zoeken veel samenwerking, met regeringen en meteorologische diensten bijvoorbeeld.”

In het verleden heeft de mens zich met wisselend succes aangepast aan de (natuurlijke) klimaatschommelingen. Wat is er nu anders?

Maarten van Aalst: “In een bepaald opzicht is het niet echt anders: we zijn ons al aan het aanpassen en dat kost moeite, net zoals dat in het verleden ook het geval was. Maar naarmate de klimaatverandering sneller verloopt en onze systemen kwetsbaarder zijn, wordt het nog moeilijker. In het verleden zijn mensen verhuisd na enorme overstromingen. Dat is een voorbeeld van een succesvolle aanpassing, maar één met grote gevolgen. We willen het liefst in een stabiele maatschappij leven met een mate van zekerheid over onze toekomst en de klimaatverandering ondermijnt die wens. Als een boer in een ontwikkelingsland met een misoogst wordt geconfronteerd, zal hij geen geld meer hebben om zijn kinderen naar school te sturen en komt hun toekomst op de helling te staan. De mens is goed in adaptatie, maar met sneller opeenvolgende rampen wordt het wel erg moeilijk.”

Wat kan de overheid doen?
Maarten van Aalst: 
“Na de taifoen Hayian heeft de Filippijnse overheid besloten om in een aantal kwetsbare gebieden niet meer te laten bouwen. Dat is precies wat we willen, van te voren proberen een volgende ramp te voorkomen. Maar je moet ook rekening houden met de verborgen kosten van zulke aanpassingen, bijvoorbeeld wanneer je mensen 15 km verhuist en ze moeten terug hun leven en hun zaak opbouwen. Ook dat soort kosten neemt hand over hand toe.”

De komende 85 jaar zijn vooral de laaggelegen kustgebieden bedreigde zones. Geldt dat ook voor de Belgische en Nederlandse kustgebieden?
Maarten van Aalst: 
“Het rapport laat zien dat wij in vergelijking met gebieden als Bangladesh goed beschermd zijn. De Lage Landen vormen een bewijs dat we ons kunnen aanpassen aan de dreiging, mits je de middelen hebt en ze ook juist inzet. Anderzijds zal de kustbescherming steeds meer geld opslokken en de rivierafvoer zal variabeler worden met nu en dan hogere pieken – lastig om af te voeren met een hogere zeespiegel. De landbouw zal rekening moeten houden met periodes van droogte en hittegolven. We moeten in die periodes ook extra aandacht hebben voor de kwetsbare mensen in de steden. Als je je bewust bent van risico’s en over de nodige middelen beschikt, kan je er ook tegen wapenen.”

We mogen ons dus voor één keer op de borst kloppen?
Maarten van Aalst: “Toch niet helemaal. Met name Nederland heeft in de afgelopen elf jaar twee keer in de top-10 gestaan van de dodelijkste wereldrampen, vanwege de hittegolven van 2003 en 2006. We hadden tot 2006 geen hitteplan omdat we de risico’s onvoldoende in kaart gebracht hadden. De risico’s die niet met technologie maar eerder met het functioneren van het sociaal weefsel te maken hebben, blijken moeilijker te beheersen.”

Op welke plekken op de wereld zijn de potentiële gevolgen van de klimaatverandering het ergst?
Maarten van Aalst: 
“Dat zijn per definitie de gebieden met de armste mensen, voor wie het het moeilijkst is om weer recht te klauteren nadat ze een klap hebben gekregen. Met name in de arme landen van Afrika die nu al op de rand zitten van beschikbaarheid van water, de gebieden met voedselschaarste, zoals de Sahel en de Hoorn van Afrika. Daarnaast de laaggelegen gebieden: wat betreft aantallen mensen die getroffen kunnen worden zijn dat in het bijzonder de grote delta’s in Azië. Trouwens niet alleen de armste landen zoals India en Bangladesh, maar ook Bangkok kan zoals we gezien hebben getroffen worden door zware overstromingen.”

De oorzaken van de klimaatverandering zijn bekend, de mogelijke gevolgen worden steeds duidelijker. We weten wat we kunnen doen om de impact te beperken en onze veerkracht te verhogen. Bent u optimistisch over de toekomst?
Maarten van Aalst: “Ik vind het over het geheel genomen een optimistisch rapport. Toegegeven, de risico’s stijgen en dat is lastig. Maar uit het rapport blijkt ook duidelijk dat er veel mogelijkheden zijn om de risico’s goed te beheren. Het is een roep om actie. Er moet iets gebeuren of de risico’s lopen uit de hand, maar we zijn niet machteloos. Waar ik me wel zorgen over maak, is de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. De mens is over het algemeen niet zo heel goed in het nemen van beslissingen wanneer de positieve gevolgen zich pas veel later voordoen. We moeten ons dus nu afvragen welke wereld we willen nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen. We zien dat er vanaf 2050 een aantal grote risico’s aanzienlijk beginnen toe te nemen. Hoeveel van die risico’s zijn we bereid te nemen? Kunnen we leven met 50% kans dat de Groenlandse IJskap afsmelt, waardoor de zeespiegel in de loop van de komende eeuwen met 7 meter stijgt? Sommigen zullen zeggen: je hebt ook 50% kans dat het goed komt. Dat zijn afwegingen waarvan we ons bewust moeten zijn als samenleving en waarover we het politieke debat moeten voeren.”

Kan je een en ander ook in kosten uitdrukken: als we nu zoveel miljard euro uitgeven, dan besparen we op termijn zoveel miljard?
Maarten van Aalst: 
“De schatting van de negatieve gevolgen van de temperatuurstijging met 2 °C loopt in de orde van grootte van 0,2 tot 2% van het wereld-BBP. Maar dat is een vrij gevaarlijk getal, omdat het alleen de zichtbare kosten in beeld brengt en geen onweegbare dingen zoals het verlies aan biodiversiteit. Wat kost het dat de armen armer worden en de rijken rijker? Als je het allemaal bij mekaar optelt, maakt het misschien niet uit voor het BBP, maar vinden we het ook acceptabel? Nu, dit zijn slechts de kosten van de klimaatverandering die we niet meer kunnen vermijden. Een gemiddelde temperatuurstijging in de richting 2°C zit al ingebakken vanwege wat we in het verleden hebben uitgestoten en wat we nog zullen uitstoten zelfs als we heel agressief de uitstoot terugdringen. De vraag die we ons moeten stellen is wat de extra kosten zijn als we de uitstoot niet verder terugdringen. Die schattingen zijn veel lastiger omdat de kosten pas optreden als de wereldtemperatuur met 2 °C is gestegen, ten vroegste rond 2050. We weten niet hoe de maatschappij er zal uitzien en we hebben ervoor gekozen om alleen heel zekere schattingen op te nemen. Maar we zijn er wel heel duidelijk over dat er in dat geval heel grote risico’s zullen optreden waaraan heel hoge kosten verbonden zijn.”

 

Verschenen in Argus Actueel op 31 maart 2014