Kiezen voor duurste oplossing

Professor Johan Albrecht is hoofd van het centrum milieu-economie en milieumanagement van de UGent en staflid van het Itinera Instituut. Hij heeft serieuze bedenkingen bij het geldverslindende Vlaamse beleid rond hernieuwbare energie. ‘Het produceren van 1 MWh zonne-energie kost 350 euro. 1 MWh stroom uit een conventionele centrale kost maximaal 60 euro. De waarde van 1 MWh op de dagmarkt van de stroom ligt rond de 50 euro. Als je voor zonnepanelen opteert, kies je dus voor een technologie waarvan de kostprijs ongeveer zeven keer hoger uitvalt dan de marktprijs. Ik vind het aanvaardbaar dat de overheid een nichemarkt creëert van dure zonne-energie, maar die moet in omvang beperkt zijn. Anders loopt de kost voor de stroomverbruikers en de belastingbetalers te hoog op. De overheid moet ook opvolgen hoe de technologie evolueert: waarschijnlijk is zonne-energie over tien jaar zonder subsidies leefbaar.’
Is de keuze voor windenergie dan beter? De milieu-econoom heeft een aantal bedenkingen. ‘Ook voor de windparken op zee is ons land erin geslaagd voor de duurste oplossing te kiezen,’ stelt Albrecht. ‘Door de windturbines zeer ver in zee te bouwen, voornamelijk uit angst dat zichtbare turbines de waarde van het vastgoed aan de kust zouden doen dalen. Hoe verder in zee, hoe duurder het onderhoud en hoe duurder het transport van de stroom. Op zee geproduceerde stroom kost 130 euro per MWh, op land geproduceerde windenergie 75 euro per MWh. Nu ben ik niet tegen het ontwikkelen van vernieuwende technologie: de knowhow die we opdoen door zo ver in zee te bouwen, zullen we ook elders in de wereld kunnen verzilveren. Maar de relatief dure stroom wordt doorgerekend aan de consument en aan de industriële grootverbruikers. Wees maar zeker dat energie-intensieve bedrijven uit bijvoorbeeld de chemiesector uitkijken naar alternatieve locaties, vooral als de stroom in onze buurlanden minder duur blijft.’
Johan Albrecht beschouwt het als een gemiste kans dat ons land vooral subsidies geeft voor de bestaande technologie van zonnepanelen, in plaats van dat geld te investeren in onderzoek naar innovatieve technologieën. ‘De subsidies komen nu vooral ten goede aan projectontwikkelaars en particulieren uit de hogere inkomensgroepen, terwijl Jan met de Pet het gelag betaalt. Hernieuwbare energie krijgt op die manier een slechte naam en dat is allesbehalve een goede voedingsbodem voor de verdere ontwikkeling.’
Op termijn vormt hernieuwbare energie hoe dan ook het enige alternatief voor de eindige en milieuvervuilende fossiele brandstoffen en kernenergie. De milieu-organisaties Greenpeace en WWF publiceerden onlangs rapporten van onderzoeksinstituten die stellen dat een scenario met 100 procent hernieuwbare energie mogelijk is tegen 2050. Is dat realistisch? ‘Er kan veel gebeuren op veertig jaar’, zegt professor Albrecht. ‘Gesteld dat je de beste technologie op de meest geschikte plaats installeert, en dat in een geïntegreerde Europese energiemarkt. Ik denk dan aan windturbines in de zones met de hoogste windsnelheden, zoals de West-Europese kustgebieden, zonnepanelen in de regio’s met de meeste uren zonneschijn, zoals in Zuid-Europa en biomassa-installaties in gebieden met veel landbouw en bossen, zoals in Scandinavië. Cruciaal hierbij is wel dat voldoende transportcapaciteit van elektriciteit over de zuid-noord-as wordt uitgebouwd. We moeten kiezen voor Europese efficiëntie, in plaats van elk in eigen land dure projecten op te zetten.’

Lees de rest van het artikel op Jobat (verschenen op 8/5/11)