Belgische industrie wereldrecordhouder watervoetafdruk

Door stijgend watergebruik en watervervuiling neemt wereldwijd de druk op zoetwaterreserves toe. Een nieuwe studie berekent de watervoetafdruk op wereldschaal.

Heel wat landen verbruiken nu al meer water dan ze zelf hebben. Ze doen dat door virtueel water te importeren – virtueel, omdat het niet gaat om water an sich, maar om water dat is gebruikt om geëxporteerde industriële of landbouwproducten te maken of kweken.

Door de notie van de watervoetafdruk wordt het duidelijk dat waterverbruik uitsluitend per land bekijken niet voldoende is. Het is belangrijk om waterverbruik vanuit wereldperspectief in kaart te brengen. Als we naar een echt duurzame maatschappij willen evolueren, moeten we ook rekening houden met virtueel geïmporteerd water. De watervoetafdruk of Water Footprint (WF) houdt daar rekening mee. De WF onderscheidt drie soorten zoet water: blauw (oppervlakte- en grondwater), groen (regenwater) en grijs (afvalwater, meer specifiek: de hoeveelheid zoet water die nodig is om vervuiling te verdunnen tot de toegelaten norm).

Bedenkelijk record voor de Belgische industrie

Professor Arjen Hoekstra en dr. Mesfin Mekonnen van de afdeling Water Engineering and Management van de Universiteit Twente in Nederland hebben de watervoetafdruk van de mens grondiger dan ooit tevoren in kaart gebracht. De landen met de grootste interne watervoetafdruk zijn China, India en de VS. Niet minder dan 38% van de mondiale watervoetafdruk wordt veroorzaakt door deze drie landen. India heeft van alle landen de grootste blauwe WF (24% van het wereldverbruik). Die wordt in de eerste plaats toegeschreven aan de irrigatie van tarwe (33% van de Indische blauwe WF), gevolgd door rijst (24%) en suikerriet (16%). China produceert het meeste afvalwater ter wereld. Zijn grijze WF is goed voor 26% op wereldschaal.

In alle landen neemt landbouw de grootste slok uit het waterverbruik. Dat geldt ook voor België, waar landbouw goed is voor 53% van de totale WF. Veel opvallender is het feit dat de Belgische industrie verantwoordelijk is voor maar liefst 41% van de totale watervoetafdruk van ons land. Daarmee staan we wereldwijd op de eerste plaats. In geen enkel ander land ter wereld heeft de industrie procentueel zo’n grote watervoetafdruk. Ter vergelijking: in de VS en China is de industrie goed voor respectievelijk 18 en 22% van de watervoetafdruk. Op wereldschaal bekeken zijn de gemiddelden als volgt: 92% van de WF is voor rekening van de landbouw, 4,4% voor de industrie en 3,6% voor huishoudelijk water.

Virtuele waterstromen

Op wereldschaal is 19% van de WF van de landbouw toe te schrijven aan exportproducten, voor de industriële sector gaat het om ongeveer 41% van de WF. Alle sectoren bij mekaar genomen is ongeveer 19% van de wereldwijde watervoetafdruk niet bestemd voor binnenlands verbruik maar voor export. De handel in gewassen en hun afgeleide producten is daarbij goed voor het grootste percentage (76%). Veehandel en industrie zijn elk verantwoordelijk voor 12% van de wereldwijde WF-export. De belangrijkste virtuele waterexporteurs zijn (in dalende volgorde) de VS, China en India, gevolgd door Brazilië, Argentinië, Canada en Australië. De grootste virtuele waterimporteurs zijn de VS, Japan, Duitsland en China. De overzichtskaart geeft aan welke landen de grootste importeurs en exporteurs van water zijn. De landen in het groen zijn netto waterexporteurs, de landen in het geel en het rood zijn netto waterimporteurs.

De grootste uitvoerders op het gebied van de blauwe WF zijn de VS, Pakistan, India, Australië, Oezbekistan, China en Turkije. Samen zijn zij goed voor 49% van de virtuele export van blauw water. Stuk voor stuk zijn het landen die in meerdere of mindere mate kampen met waterstress, dat betekent minder dan 1.700 m3 watervoorraad per inwoner per jaar – bij minder dan 1.000 m3 per inwoner per jaar spreekt men van een watertekort. De keuze om het beperkte blauwe water te gebruiken voor export lijkt voor deze landen niet altijd duurzaam, noch efficiënt. Veel heeft er wellicht mee te maken dat externe factoren zoals schaarste zelden of niet worden doorgerekend in de prijs van water voor gebruik in de landbouw.

Waterverspilling en waterschaarste

De watervoetafdruk per inwoner verschilt enorm tussen landen. De landen met de kleinste WF per capita zijn de DR Congo (552 m3 per inwoner). Een Brit heeft per jaar een WF van 1.258 m3, een Amerikaan heeft een watervoetafdruk van 2.842 m3. Toppers zijn Bolivia (3.468 m3), Niger (3.519 m3) en Mongolië (3.775 m3 per jaar per inwoner). Dat ligt voor een deel mogelijk aan onbetrouwbare cijfergegevens, maar vooral aan verschillen in consumptie- en productiepatronen. Zo ligt de vleesconsumptie in Bolivië 1,3 keer hoger dan het wereldgemiddelde, maar de WF per ton vlees ligt er vijf keer hoger dan het wereldgemiddelde. In Niger is het graanverbruik 1,4 maal hoger dan gemiddeld, maar de WF per ton graan is 6 keer zoveel als het wereldgemiddelde. Sommige landen die kampen met waterschaarste zijn extreem afhankelijk van extern water: Malta (afhankelijkheid voor 92%), Koeweit (90%), Jordanië (86%), Israël (82%), de Verenigde Arabische Emiraten (76%), Jemen (76%), Mauritius (74%) en Libanon (73%).

Voor landen in deze situatie is het cruciaal dat ze zich verzekeren van een duurzame en betrouwbare import van waterintensieve goederen die ze zelf niet kunnen produceren. Voor de landen met een veel grotere waterafdruk per geproduceerde eenheid dan gemiddeld zou deze studie de ogen moeten openen. Zij kunnen mogelijk op een veel efficiëntere manier met water omspringen en zo het schaarse water besparen. En dat is nodig, want door de groei van de wereldbevolking en de veranderende voedingspatronen (de toenemende vleesconsumptie met name) en de klimaatverandering zal waterschaarste en -stress de komende decennia alleen maar erger worden op veel plekken in de wereld.

Verschenen in Argus Actueel, 22 maart 2012