Vergisting in nood

De industriële vergisters in Vlaanderen hebben het financieel moeilijk en luiden de alarmklok. Ze voelen zich in vergelijking met de landbouw- en GFT-vergisters onrechtvaardig behandeld.

Vergisting, het omzetten van biomassa en organisch afval in biogas en vergiste mest of digestaat, is op alle gebied een goede zaak voor het milieu. Zowat alle organische en biologische afvalstoffen zijn geschikt voor vergisting, en Vlaanderen is met zijn grote mestproductie, zijn uitgebreide voedingsindustrie en zijn gescheiden opgehaalde GFT-fractie een prima land voor vergisting.

Tegenwoordig wordt al 2 miljoen ton afval anaëroob (zonder toevoeging van zuurstof) vergist door landbouw, GFT- en industriële vergisters samen. Vergisting is goed voor 9% van de productie van groene stroom. Anaërobe vergisting en de productie van biogas bieden heel wat voordelen tegenover andere vormen van groenestroomproductie en vormen er een perfecte aanvulling van. Zo is bij vergisting de output van stroom niet afhankelijk van de grillige patronen van zon en wind. Het materiaal waar de vergisters mee werken, bestaat uit organische afval- en nevenstromen – geen primaire materialen dus. Door de gezamenlijke productie van groene warmte en groene stroom heeft vergisting een hoog energetisch rendement, volgens de belangenorganisatieFEBEM (Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer) het hoogste van de groenestroomsector. Bovendien kunnen eind- en nevenstromen uit het vergistingsproces worden opgewerkt tot bijvoorbeeld hernieuwbare kunstmest. Digestaat uitrijden is beter voor land en plant dan mest uitrijden.

Stagnatie

Klinkt allemaal geweldig positief, maar sinds 2010 zit er een knik in de groei van de vergistingsindustrie. Industriële vergisting is niet rendabel zonder overheidssubsidies en kampt bovendien met hogere inkoopprijzen dan voorzien voor de input van materialen en lagere afzetprijzen voor de geproduceerde elektriciteit. De milieureglementering over de exploitatievoorwaarden werd strenger, wat ook bijkomende kosten veroorzaakte. De sector vraagt de overheid om duurzame maatregelen en een langetermijnengagement om vergisting terug voldoende rendabel te maken en een toekomst te bieden. Werner Annaert van de FEBEM legt uit. “Omdat stroom te duur werd, vooral voor de grootverbruikers, werd door de overheid besloten om de groenestroomcertificaten in waarde te laten dalen. Daar valt wat voor te zeggen wat betreft de aanvankelijk overgesubsidieerde zonnepanelen, maar de daling treft ook de technieken die echt nog steun nodig hebben.”

De sector heeft het moeilijk omdat de businessplannen uit het verleden er geen rekening mee houden dat er ooit zou moeten worden betaald voor biomassa. “Meer dan drie jaar geleden was er zelfs sprake van een positieve inkomensstroom: er werd betaald om biomassa uit de industrie te laten vergisten,” zegt Annaert. “Vandaag wordt biomassa voor uiteenlopende doeleinden gebruikt, onder andere voor energieopwekking en voor de productie van compost en dierenvoeding. Zelfs uit de buurlanden ondervinden we concurrentie. Biomassa is een substituut voor primaire materialen en daar kunnen we natuurlijk niet tegen zijn. Het is zelfs goed dat er een markt is voor biomassa, want zo gaat er minder verloren. Maar er moet wel voor worden betaald.”

Onrechtvaardige verdeling

Het grootste probleem is dat vergisting nog een jonge technologie is en dat niet alle vergisters gelijk zijn voor de wet. Erger nog, het zijn vooral de installaties van de pioniers die getroffen worden. Werner Annaert: “Landbouw-, en GFT-vergisters vallen merkwaardig genoeg onder een gunstiger subsidieregime. Voor de industriële vergisters is er een lagere steun voorzien terwijl niemand in de sector, ook niet bij de landbouwvergisters, snapt waarom die steun voor de industriële installaties zo laag is. Uit alle studies, zoals die van het VEA, blijkt dat daar geen reden voor is. De groenestroomsubsidies dalen voor industriële vergisters tot 80 of 90 euro , terwijl landbouw- en GFT-vergisters nog 100 of 110 euro per groenestroomcertificaat krijgen. Gekker wordt het nog als je weet dat ook nieuwe installaties van na 2013 meer steun zullen krijgen. Het lijkt absurd, maar om aan meer subsidies te geraken als industrieel vergister, kan je beter je oude installatie stilleggen en een nieuwe bouwen. Die nieuwe installatie zal niet noodzakelijk beter zijn, want de bestaande installaties zijn voortdurend gemoderniseerd, maar ze valt wel onder een gunstiger ondersteuningsregime. Voor de industriële vergisters maakt die 20 euro per certificaat veel verschil, over de hele groenestroomsector bekeken is het een peulschil. Het gaat om 75.000 certificaten, in totaal dus om een verschil van 1,5 miljoen euro dat overigens niet door de overheid zelf, maar door alle stroomgebruikers samen wordt betaald. Om goed te zijn voor 5% rendement, zou een groenestroomcertificaat op 120 euro moeten uitkomen, maar als we gelijkgeschakeld worden met onze collega’s zijn we al tevreden en is de kans groot dat bedrijven opnieuw zullen investeren in de industriële vergisting.”

Verschenen in Argus Actueel, 25/2/13