Europese klimaatambities zijn haalbaar, betaalbaar én strekken tot navolging

De milieubeweging noemt het Europese klimaatakkoord te weinig ambitieus. Jos Delbeke, de architect van het klimaatplan, verdedigt zijn visie.

De verenigde milieubeweging reageert eensgezind afwijzend op de aangekondigde Europese klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030: 40% minder uitstoten dan in 1990 en minstens 27% hernieuwbare energieproductie, zonder bindende nationale doelstellingen.

Waarom maakt Europa deze keuzes? Is het niet mogelijk om nog verder te gaan? Niemand is beter geplaatst om toelichting te geven bij de aanpak van de EU dan Jos Delbeke. Als directeur-generaal van het DG Climate Action geldt hij als de architect van het het klimaatplan.

Begrijpt u de teleurgestelde reacties van de milieubeweging op de nieuwe EU-kaderregeling?

Jos Delbeke: “Ik begrijp dat de milieubeweging niet helemaal tevreden is, maar de scherpte van de reacties heeft me verwonderd. Als beleidsinstelling moeten wij niet alleen voor- én tegenstanders aan boord houden, maar vooral kiezen voor haalbare doelstellingen. In onze impact assessment speelt kostenefficiëntie een grote rol. 40% minder uitstoot tegen 2030 is niet niks en het kan bovendien aan een aanvaardbare kost voor de consument. 55% minder uitstoten is natuurlijk perfect mogelijk, maar alleen tegen significant hogere kosten omdat we dan zouden moeten investeren in duurdere vormen van hernieuwbare energieproductie en energie-efficientie. Dat zou tot een verdubbeling van de energiefacturen kunnen leiden en dat is onaanvaardbaar voor onze concurrentiepositie.”

Dreigen de nieuwe doelstellingen niet de deur wijd open te zetten voor de nucleaire lobby? Je kan veel zeggen over kernenergie, maar CO2 uitstoten doet het niet.

Jos Delbeke: “Tot nog toe hebben wij ons neutraal opgesteld tegenover nucleair: niet openlijk tegen, niet openlijk voor. Maar de bouw van nieuwe en de voortzetting van oude nucleaire installaties beschouwen wij niet als de ideale situatie. Meer nog: dat is net wat we trachten te vermijden. Energiebesparing en hernieuwbare energie zijn en blijven voor ons de belangrijkste maatregelen. Inzetten op 27% hernieuwbare energie voor het energiesysteem als geheel, betekent overigens dat zowat de helft van de elektriciteit tegen 2030 uit hernieuwbare bronnen zal worden geproduceerd.”

De doelstelling van ten minste 27% hernieuwbare energieproductie op EU-niveau, zonder bindende doelstellingen per lidstaat, stoot op kritiek. Wat is de filosofie erachter?

Jos Delbeke: “De doelstelling blijft bindend op EU-niveau. Ten minste betekent trouwens dat het ook meer mag zijn. Het cijfer 27% is gebaseerd op een aanvaardbare kostprijs van energie voor de consument, maar als wind- en zonne-energie nog goedkoper worden, zal er nog meer hernieuwbare energie geproduceerd worden. Onze belangrijkste bedoeling is overal de hernieuwbare energie aan te boren die het goedkoopste is: windenergie waar het meeste wind is, zonne-energie waar het meeste zon is, geothermie waar het potentieel het hoogst is en zo voort. Dat zijn zaken die we in de toekomst op Europees niveau willen vastleggen. Een breuk met 2007-2008, toen hernieuwbare energie nog een nicheproduct was. Vandaag is hernieuwbare energie goed voor 13% van de energieopwekking. In Europa staat 44% van de wereldcapaciteit aan hernieuwbare energie opgesteld. Hernieuwbare energie is mainstream geworden en we moeten ze inpassen in onze Europese markt.”

Wat zal er gebeuren met de subsidies voor hernieuwbare energie?

Jos Delbeke: “We gaan orde brengen in de wildgroei. De subsidiëringsintensiteit van het verleden kan niet volgehouden worden. We schatten dat Vlaanderen alleen de komende 15 jaar circa 2 miljard euro per jaar zal moeten betalen voor beloftes uit het verleden. In Duitsland gaat het over 25 miljard euro per jaar, in Spanje zijn de cijfers vergelijkbaar. Dat is veel geld. We kunnen niet terugkomen op beloftes uit het verleden, maar we zullen toekomstige installaties niet zo zwaar blijven subsidiëren. Dat hoeft ook niet, want de kosten voor zonne- en windenergie zijn spectaculair gedaald. We zijn ervan overtuigd dat we veel meer hernieuwbare energie kunnen installeren met veel minder steun.”

Mikken op 40% emissiereductie tegen 2030, dat betekent dat we tussen 2030 en 2050 nog tussen de 45 en de 60% moeten reduceren, terwijl het laaghangend fruit dan al lang geplukt is. Dreigen we het probleem door te schuiven?

Jos Delbeke: “Toch niet. Sinds we in 2005 begonnen zijn met serieuze maatregelen tegen de klimaatverandering, is de kapitaalinfrastructuur van Europa aan het wijzigen. De inspanningen die bedrijven doen om emissies terug te dringen zijn indrukwekkend en de nieuwe technologieën die minder uitstoot veroorzaken worden volop uitgerold. Een mooi voorbeeld is de auto-industrie, die nu betaalbare voertuigen aanbiedt die de helft tot een derde minder uitstoten dan hun voorgangers. Er verstrijkt minstens tien jaar tussen het maken van het beleid en de productie van de nieuwe technologie en nog eens tien jaar voor iedereen zijn oude auto vervangen heeft. Ook voor andere producten en sectoren beginnen we de ontwikkelingsfase van de CO2-arme technologie achter ons te laten, met twee uitzonderingen: transport en gebouwen.”

Hoe denkt u de emissies in de transportsector en door gebouwen aan banden te leggen?

Jos Delbeke: “Wat gebouwen betreft: we leven op een continent met veel oude infrastructuur en die renoveren is een werk van lange adem. Er is nog veel werk aan sensibilisering en bouwwetgeving. Scandinavische landen zoals Denemarken of Zweden zijn wat dat betreft gidslanden, die een heel agressief beleid voeren om woningen energieneutraler te maken.”

“De toenemende transportvraag doet veel emissiebesparingen teniet uit andere sectoren. In dit verband is Zwitserland een voorbeeld, met zijn uitgewerkt openbaar vervoersnetwerk. In België worden stappen gezet naar fiscale maatregelen voor milieuvriendelijke bedrijfswagens, maar nog te veel met mondjesmaat, zeker in vergelijking met Zweden en Noorwegen. Die laatste voorbeelden leren ons overigens dat het niet alleen draait om fiscale maatregelen, maar ook om het voorzien van infrastructuur en het aanbieden van transportdiensten in steden.”

Ondertussen blijft de luchtvaartsector onverstoord CO2 uitstoten.

Jos Delbeke: “Wat we tot nog toe hebben bereikt is inderdaad niet voldoende. Maar het debat gaat verder. Van de International Civil Aviation Organization hebben we de belofte dat we tegen 2016 een wereldwijd emissiehandelsysteem zullen uitwerken. Nieuwe vliegtuigen zijn tot 30% energiezuiniger, maar de verwachte groei van het luchtverkeer zal wellicht de toegenomen efficiëntie uitwissen. Vliegtuigen zullen nog een hele tijd op kerosine blijven vliegen, ondanks creatieve initiatieven van onder andere onze Belgische Solvay met het zonnevliegtuig. Voor CO2-arme luchtvaart een feit is, zijn we toch alweer 25 jaar verder en dat is frustrerend lang.”

Over emissiehandel gesproken: is dat de achillespees van het klimaatbeleid? Hoe kunnen we er in slagen om een correcte prijs aan te rekenen voor CO2 en zo de transitie naar een hernieuwbaar energiesysteem in een stroomversnelling brengen?

Jos Delbeke: “De Commissie is er sterk van overtuigd dat het EU Emissions Trading System het best mogelijke systeem is voor de sector van de energieproductie en voor de energieverbruikende bedrijven. Het kelderen van de ETS-prijzen door de crisis en de import van Kyoto-credits heeft tot een bezinning geleid. Ondertussen bestaat er een draagvlak voor hogere CO2-prijzen. We zijn de kaap van de 6 euro per ton voorbij en ik hoop dat we snel naar een betekenisvolle prijs van 15 à 25 euro per ton kunnen evolueren die de bedrijven zal aanmoedigen om CO2 te besparen. Het blijft een delicate oefening, want we willen bekomen dat bedrijven investeringen doen om minder uit te stoten, en vermijden dat de chemie-, staal- en cementindustrie Europa verlaat om elders meer te gaan uitstoten. Het komt erop aan onze bedrijven technologie te laten ontwikkelen en ze daarbij te belonen en misschien zelfs te subsidiëren. Als we daarin blijven slagen, zal de rest van de wereld die technologie overnemen.”

Is dat de achterliggende strategie: marktleider worden in koolstofarme technologie?

Jos Delbeke: “Vandaag is Europa goed voor 10% van de werelduitstoot aan CO2. Het is zo weinig omdat het economisch gewicht van Europa in de wereld is afgenomen, maar ook omdat wij een beleid voeren om onze uitstoot te doen dalen. Maar wat we ook doen, met onze 10% zullen we de klimaatsverandering niet onder controle krijgen. Wat we wel kunnen is technologie ontwikkelen die in de rest van de wereld gekopieerd kan worden. We kunnen experimenteren met nieuwe beleidsvormen, zoals de ETS. Ik zie zeer gunstige tekenen dat beide strategieën hun vruchten afwerpen. De emissiehandel die op dit moment in China wordt uitgevoerd, is een kopie van de Europese. Het duurt tien jaar voor de effecten daarvan zichtbaar zullen worden, maar het is een radicale wijziging en die kaap is genomen. De Europese standaarden voor auto’s worden wereldstandaarden omdat onze auto’s first class zijn. De evolutie naar een koolstofarme economie, dat is wat wij kunnen bijdragen voor de wereld. Tussen 1990 en 2010 is het Europese BNP gestegen met 45%, terwijl de CO2-uitstoot is gedaald met ongeveer 20%. We zijn erin geslaagd om economische groei en uitstoot van elkaar los te koppelen. Pas als de hele wereld daarin slaagt, kunnen we de klimaatwijziging onder controle krijgen.”

Wat verwacht u van de klimaattop in Parijs volgend jaar?

Jos Delbeke: “Wij hopen met ons pakket maatregelen het signaal te geven dat wij ons huiswerk gemaakt hebben en we hopen van de andere grote spelers hetzelfde. Als de twintig meest vervuilende regio’s een akkoord kunnen bereiken, kunnen we 80% van de uitstoot in de wereld onder controle krijgen. Een Kyoto-achtige overeenkomst verwacht ik niet, de opkomende industrielanden en de VS zijn niet enthousiast over zo’n strak keurslijf aan maatregelen. Het lijkt me belangrijker en haalbaarder dat alle landen en regio’s hun doelstellingen op tafel leggen en dat we die in een institutioneel keurslijf gieten.”

 Verschenen in Argus Actueel, 11 februari 2014