Hoe meet je iets wat niet bestaat?

Nog tot eind september looft het sceptisch genootschap SKEPP 1 miljoen euro uit aan iedereen die kan bewijzen dat hij/zij over een paranormale gave beschikt. Afgelopen zaterdag vond voor het eerst in ons land een experiment plaats met een kanshebber.

 

Een verzorgde bungalow in een rustige Limburgse verkaveling, op de eerste zaterdag van de zomervakantie. We bevinden ons in de veranda met vijf leden van SKEPP, de Stichting voor Kritische Evaluatie van Pseudo-Wetenschap en het Paranormale, waaronder de voorzitter en de penningmeester. Zijn ook aanwezig: de bewoner van het huis, René Berckmans (75), zijn echtgenote, hun kleinzonen Arnoud en Fabian, zijn neef Jos, drie journalisten en een fotograaf. Er komt koffie op tafel en lekkere versgebakken cake. Johan Torfs, werkend lid van SKEPP en vandaag tevens testcoördinator, neemt het woord. Hij leest een document voor met daarin deze cruciale passage: ‘René Berckmans heeft een systeem ontwikkeld waarmee hij aardstralen in zijn tuin naar believen kan onderbreken of doorlaten. Dat systeem kan door een derde bediend worden, waarna RB, door meting boven de aardstraal, kan vaststellen of de aardstraal al dan niet onderbroken is.’

Na de ondertekening van het document door beide partijen trekken we de tuin in. Het gezelschap loopt wat onwennig onder een pergola door. Vlak naast een schuurtje houden we halt. René wil liever niet dat er foto’s van worden gemaakt, maar de neutralisator die hij uit de grond haalt, ziet er op het eerste gezicht heel gewoon uit. Wie niet beter weet, zou kunnen denken dat het de bovenkant van de steel van een zwabber is. Dat is het ook, maar het gaat om wat erin zit, het resultaat van meer dan zeven jaar zoeken, experimenteren en herbeginnen.

Wat zijn aardstralen? Volgens de officiële wetenschap bestaan ze niet. Volgens mensen die er in geloven, zijn het mysterieuze stralen die hoofdpijn, slapeloosheid, gewrichtspijn kunnen veroorzaken, zeker als ze het huis doorkruisen ter hoogte van de slaapkamer.

In 2002 riep SKEPP de Sisyphus-prijs in het leven. Die belooft 10.000 euro aan iedereen die objectief kan bewijzen over een paranormale gave te beschikken. Dankzij een Antwerpse zakenman die anoniem wil blijven is het prijzengeld van 1 oktober vorig jaar tot 30 september 2013 tijdelijk verhoogd tot 1 miljoen. Niet dat zulks al heeft geleid tot een toevloed aan kandidaten die hun gave willen verzilveren. Volgens SKEPP hebben zich tot nog toe slechts een twintigtal mensen aangediend, die na een eerste screening allemaal door de mand zijn gevallen. De geringe belangstelling is voor SKEPP-voorzitter Paul De Belder een sterke indicatie dat paranormale gaven niet bestaan en dat de echte charlatans en kwakzalvers liever wegblijven: ‘Waarom zou een sjoemelaar die enkele honderdduizenden per jaar verdient met pseudo-geneeskunde zijn reputatie op het spel zetten voor een schamel miljoen?’

 

De schriftjes

Dat SKEPP vandaag dan toch een heuse test uitvoert, is hoogst uitzonderlijk. In de gepensioneerde meet-en regeltechnicus René Berckmans heeft SKEPP iemand gevonden die te goeder trouw lijkt te zijn, niet uit is op geld of roem en wiens claim op objectieve wijze kan worden geverifieerd. Berckmans geraakte zeven jaar geleden in de ban van aardstralen. ‘Een boerengezin uit de buurt had geweldige problemen met aardstralen, of beter gezegd waterstralen. Die worden veroorzaakt door ondergrondse wateraders. Het is zoals met een generator: de spoelen ontwikkelen een spanning als ze door een magnetisch veld draaien.’ Berckmans werkte zijn hele leven voor Philips als ontwikkelaar. Als hij technische oplossingen bedenkt, doet hij dat in de eerste plaats als elektrotechnicus.

Het geplaagde boerengezin liet René niet los. Hij verdiepte zich in de literatuur over aardstralen en begon aan experimenten, die hij allemaal zorgvuldig in schriftjes bijhoudt. Op een dag boekte hij zijn eerste succes met de koperen spoel van een oude tv-beeldbuis op de aardstraal. De straal leek minder sterk. René ontwierp tientallen neutralisatoren in schijfvorm en in buisvorm, die hij allemaal genummerd bijhoudt. Welke componenten er precies inzitten, daar doet hij als een echte uitvinder het zwijgen toe.

Meten is weten, dat geldt ook hier. Probleem is dat er geen verifieerbaar meettoestel bestaat om aardstralen te meten. Aardstralen en wateraders worden sinds eeuwen in kaart gebracht door wichelroedelopers, door de wetenschap weggezet als charlatans, of in het beste geval goedgelovige zielen die het slachtoffer zijn van autosuggestie. De wetenschap verklaart de werking van de wichelroede met het ideomotorisch effect: door suggestie bepaald onbewust motorisch gedrag. Een traditionele houten wichelroede gaat ook René Berckmans’ petje te boven. Hij verkiest twee L-vormig gebogen stukken koperdraad, die hij baguetten noemt. Wanneer René met de baguetten over een actieve aardstraal loopt, bewegen de koperdraden zich naar elkaar toe en kruisen ze. Maakt zijn wichelroede 2.0 echt het verschil? We zullen het gauw weten.

Het experiment gaat van start. Johan Torfs opent een verzegelde envelop waarin instructies staan volgens een gerandomiseerd patroon. Zo weet Johan wanneer hij de buis met de neutralisator in de grond moet steken. Aan de andere kant van de pergola zal René Berckmans meten of de straal al dan niet onderbroken is (lees: of de buis al dan niet in de grond zit). Hij mag ook zijn kleinzonen raadplegen die aan de zijkant van het huis hun metingen uitvoeren. Er mag onder geen beding informatie worden uitgewisseld tussen Johan en de andere aanwezigen over de stand van de buis. Johan, René en de kleinzonen worden elk vergezeld van een getuige. Een fotograaf van Skepp legt na elke proef de stand van de buis vast in het gezelschap van de getuigen.

Een scenarist van In de gloria zou het tafereel niet al te hard moeten bijkruiden. Aan de ene kant zijn er de SKEPP-leden die zo respectvol mogelijk met het gegeven proberen om te gaan, maar hun scepticisme soms moeilijk kunnen verbergen. Aan de andere kant is er René, bij wie onder zijn rustige en beheerste uiterlijk de emoties woelen. ‘Dit is erger dan een examen,’ zucht hij. Van de ene kant is hij heilig overtuigd van de werking van zijn neutralisator. Van de andere kant beseft hij dat het aartsmoeilijk is zijn overtuiging onder gecontroleerde omstandigheden te bewijzen. Bovendien vreest hij een toeloop van mensen die door hem geholpen zouden willen worden. Mogen wij u, beste lezer, dan ook vriendelijk verzoeken de heer Berckmans niet lastig te vallen met uw vragen over aardstralen?

 

De mens als batterij

Veertien keer op rij brengt Johan Torfs de buis in positie en telkens schrijdt René Berckmans in opperste concentratie over het grasveld voor een meting met de baguetten. Soms zien we de stukken koperdraad elkaar kruisen ter hoogte van de door hem op een plattegrond aangegeven water- en aardstralen die door zijn tuin lopen, soms niet. Achter het hoekje staan de kleinzonen van 16 en 17, aanvankelijk supergeconcentreerd, maar naarmate de tijd vordert steeds speelser. In welke stand de buis zich bevond en welk antwoord René telkens laat vastleggen, blijft voorlopig geheim.

Is het experiment waterdicht? Wie garandeert dat de informatie uit de envelop niet op een of andere manier tot bij René is geraakt? Kunnen we volledig uitsluiten dat Berckmans SKEPP in het ootje wil nemen? Waarom gaat SKEPP eigenlijk zo ver mee in de logica van een systeem dat volgens hen op drijfzand berust? Het is belangrijk dat de test op bekend terrein plaatsvindt, legt Paul De Belder uit. ‘Anders kunnen mensen te makkelijk beweren dat het niet lukt omdat ze uit hun vertrouwde omgeving zijn weggehaald. Daarom voeren we de proef zoveel mogelijk op het ritme van de proefpersoon uit. Wij willen tonen dat we niet alleen maar kritisch zijn, maar voor alles openstaan. Maar we verwachten wel dat een claim verifieerbaar is.’

René Berckmans heeft zijn twijfels. ‘De neutralisator onderbreekt meteen een aardstraal, maar het is niet zo dat de straal direct op volle kracht terugkomt als je de buis uit de grond trekt. Zo’n aardstraal heeft tijd nodig om op volle kracht terug te komen. De hele oppervlakte moet opnieuw met energie gevuld worden.’ Daarom mag René na de manipulatie van de buis telkens tien minuten wachten tot de straal terug op volle kracht doorkomt.

Minuten worden uren. René begint tekenen van vermoeidheid te vertonen. ‘Mijn batterij raakt leeg, ik voel het niet meer,’ zegt hij. ‘De mens is als een batterij, die kan ook leeg lopen.’ Ook andere factoren dragen ertoe bij dat wichelroedelopen niet meteen een exacte wetenschap genoemd kan worden. René heeft vroeger al ondervonden dat het eten van wortelen of chocola hem verhindert aardstralen te voelen, maar dat is na anderhalf uur gelukkig over.

Na veertien keer wichelroedelopen zit het experiment erop. De resultaten zijn precies wat Skepp had verwacht. René had het 8 van de 14 keer bij het rechte eind – de waarschijnlijkheidsfactor is 50%. De wetenschap zegeviert, maar René is niet plots gaan twijfelen aan het bestaan van aardstralen. ‘Het belangrijkste is dat ik dat boerengezin heb geholpen’, zegt hij. ‘Wat ik vandaag heb geleerd? Dat het heel moeilijk is om het bestaan van aardstralen te bewijzen. Dat je niet ongestraft mag spelen met de natuur, door aardstralen herhaaldelijk te onderbreken en weer vrij te laten. Trouwens, omdat de aardstralen na een onderbreking zoveel tijd nodig hebben om terug te komen, heb ik vandaag niet mijn sterkste neutralisator gebruikt.’

 

Ongeredigeerde versie van het op 3 juli in Knack verschenen stuk.

De toekomst van de luchtvaart is elektrisch

Alhoewel er nog belangrijke hindernissen te overwinnen zijn, lijkt elektrisch vliegen binnen afzienbare tijd werkelijkheid te kunnen worden.

De totale uitstoot aan broeikasgassen door de luchtvaart wordt door het IPCC geschat op 3,5% van alle door de mens veroorzaakte uitstoot per jaar. Vliegtuigmotoren zijn de afgelopen veel efficiënter geworden, maar er wordt ook steeds meer gevlogen. Met alleen een verdere efficiëntieverbetering kan de impact op het klimaat niet teniet gedaan worden.

Er zijn heel wat manieren om minder CO2 uit te stoten, waarvan minder vliegen ongetwijfeld de meest eenvoudige is. Zakenreizen vervangen door videoconferenties, waar mogelijk kiezen voor de hogesnelheidstrein, vakanties boeken dichter bij huis: zo simpel kan het zijn. Bewuste consumenten en bedrijven zetten heel wat stappen in die richting, of ze compenseren hun uitstoot met een van de vele programma’s die dat mogelijk maken. Maar de droom van emissieloos vliegen blijft ook overeind. De laatste jaren is gebleken dat alvast voor ultra-lightvliegtuigjes deze droom nu al werkelijkheid is.

De Duitse Elektra One Solar bereikt een kruissnelheid van 140 km/u en heeft een actieradius van 1.000 km. Hij kan meer dan 8u in de lucht blijven en vult de stroom uit zijn Li-Ion batterijen aan met zijn eigen zonnepanelen op de vleugels. Het Sloveense Pipistrel produceert de tweezits Taurus Electro, een zweefvliegtuig met elektrische motor, waarvan de trailer voorzien is van zonnepanelen. Uit de VS komt de prachtige Yuneec. De Duitsers van e-volodenken helemaal uit de box en komen met de volocopter, een geheel nieuwe visie op de helicopter. Allemaal geweldig sympathiek, maar om echt het verschil te maken, zullen ook passagiersvliegtuigen elektrisch moeten vliegen.

De concepten liggen al op tafel. Een van de recentste is de Ce-Liner, een studie voor een jet voor 190 passagiers, uitgevoerd door het Duitse bedrijf Bauhaus Luftfahrt (BL). Op basis van voorspellingen over de batterijen van de toekomst, veronderstelt BL dat rond 2030 een dergelijk vliegtuig operationeel kan zijn met een actieradius van 1.100 km. Tegen 2035 worden dat al 1.600 km en 2.600 km in 2040. De batterijen opladen na elke vlucht blijft een werk van lange adem, vandaar dat BL ervan uitgaat dat er telkens een andere, opgeladen set batterijen aan boord wordt genomen. De Ce-Liner is zo ontworpen dat hij op de bestaande luchthavens kan landen, over een aërodynamischer vleugel beschikt en beter zal scoren op vliegkosten en onderhoud dan andere vliegtuigen.

Zo lang elektrische passagiersvliegtuigen geen realiteit zijn, is er nog heel wat werk aan de winkel om het kerosineverbruik van conventionele vliegtuigen terug te dringen. Dat kan met betrekkelijk eenvoudige ingrepen, zoals efficiëntere routes, energiezuinig aanvliegen van luchthavens en het lichter maken van de vliegtuig, of van de tapijten die erin liggen. Zo lanceert Desso in april zijn nieuw lichtgewicht vliegtuigtapijt, dat tot 40% lichter is dan het tapijt dat nu op de markt is. Een van de grotere uitdaging bestaat erin om vliegtuigen niet langer te laten taxiën met hun motoren, maar met behulp van een elektrisch aangedreven neuswiel, wat een aanzienlijke besparing zou kunnen betekenen op het gebied van uitstoot, lawaai én kosten.

Het Duitse ruimtevaartcentrum DLR heeft in samenwerking met Airbus en Lufthansa Technik een elektrisch neuswiel ontwikkeld dat door een brandstofcel wordt aangedreven. Het gevolg is een reductie in uitstoot op de luchthaven tot 19%. Als vliegtuigen hun taxibewegingen elektrisch aangedreven zouden uitvoeren, zou dat op de luchthaven van Frankfurt alleen al een besparing betekenen van 44 ton kerosine per dag. De brandstofcel haalt zijn energie uit waterstof en zuurstof en kan genoeg kracht ontwikkelen om een Airbus van 47 ton in beweging te krijgen. Het systeem kan een aanzienlijk verschil maken bij korteafstandsvluchten, waarbij vliegtuigen tot zeven keer per dag landen en opstijgen. Op zo’n dag zouden de vliegtuigmotoren twee uur minder moeten draaien dan bij een conventioneel vliegtuig. Een verdere mogelijkheid bestaat erin dat een brandstofcel naast het neuswiel ook de airco en andere elektrische apparatuur zou voeden terwijl de vliegtuigmotoren uitstaan.

Volgens het rapport Manned Electric Aircraft 2013-2023: Trends, Projects, Forecasts is de toekomst van de luchtvaart hoe dan ook elektrisch of hybride. ‘De tijd van het elektrisch vliegtuig is gekomen. De verkoop van kleine bemande elektrische vliegtuigen is nu al winstgevend in beperkte oplages. Tegelijk zorgen elektrische neuswielen ervoor dat grote passagiersvliegtuigen elektrische voertuigen worden wanneer ze geland zijn. Ze zorgen voor minder geluidshinder en minder vervuiling. (…) Kortom, elektrische vliegtuigen moderniseren de hele luchtvaartindustrie.’

Verschenen in Argus Actueel, 16/04/13

De nieuwe industriële revolutie

‘WAT WE NU MEEMAKEN IS VAN HET KALIBER VAN DE EERSTE INDUSTRIËLE REVOLUTIE’
De in Rusland geboren fysicus André Geim won als enige wetenschapper ooit zowel een Nobelprijs als een Ig Nobelprijs, de prijs voor lachwekkend wetenschappelijk onderzoek. Een gesprek met de man die het materiaal grafeen uitvond én kikkers deed vliegen.

In 2003 isoleerde André Geim samen met zijn collega Konstantin Novoselov voor het eerst grafeen, het materiaal waarmee ze in 2010 de Nobelprijs voor fysica zouden winnen – supersnel naar Nobelnormen. Grafeen komt als zodanig niet in de natuur voor: je moet het op kunstmatige wijze isoleren. De gedeeltelijk door Geim en Novoselov zelf in stand gehouden legende wil dat ze daarin slaagden met behulp van enkel een blok grafiet en een stuk plakband, maar de werkelijkheid is iets prozaïscher. Er kwam wel degelijk plakband bij te pas, maar ook aceton, propaan en ultrageluid om grafiet tot grafeen te reduceren, een materiaal dat tegelijk transparant is, extreem dun, supergeleidend, superlicht en toch sterker dan staal, harder dan diamant en toch buigzaam. Een materiaal dat records blijft breken.

Lees het interview in Knack van 30/4013

Kernfusie: bodemloze put of onuitputtelijke bron van schone energie?

Er ligt een voorstel op tafel om het EU-budget voor kernenergie te verhogen. De experimentele kernfusiereactor Iter is de grote slokop.

De steun van de EU aan het wetenschappelijk onderzoek rond kernenergie komt ten goede aan twee instanties,Euratom en Iter (International Thermonuclear Experimental Reactor). Tussen 2007 en 2013 ging naar beide samen zo’n 759 miljoen euro per jaar. Als het aan de Europese Commissie ligt, wordt dat in de komende vijf jaar zo’n 872 miljoen euro per jaar. Het geld werd en wordt vooral gebruikt voor het onderzoek naar kernfusie, ook wel de heilige graal van de nucleaire wereld genoemd. Zo is 142 miljoen euro voorbestemd voor kernfusieonderzoek onder de paraplu van Euratom en 515 miljoen euro per jaar voor Iter. En dat voor een idee dat al zestig jaar als beloftevol geldt, maar technisch bijzonder moeilijk te realiseren valt.

Waterkoker

De voorbereidende werken aan Iter zijn volop bezig. In het Zuid-Franse Cadarache verrijst tussen nu en 2020 een experimentele reactor die – als hij werkt – de geschiedenis zal ingaan als ’s werelds duurste waterkoker. De bedoeling van Iter is immers niet om stroom te leveren aan het Franse net, maar om de zeldzame labsuccessen rond kernfusie op grote schaal te laten plaatsvinden. Of dat lukt, zal pas ten vroegste omstreeks maart 2027 duidelijk worden, wanneer de reactor volledig operationeel zou moeten zijn. Als het dan lukt om kernfusie tot stand te brengen en een temperatuur van 200 miljoen° C te bereiken in de omgeving van supergeleidende magneten die tot -269° gekoeld zijn, zijn we alweer een stapje verder.

Het totale kostenplaatje voor de constructie van Iter is ondertussen al opgelopen van de oorspronkelijke 5 miljard euro tot een verwachte 15 miljard euro. Maar het valt te verwachten dat de uiteindelijke kosten nog verder zullen stijgen. De kosten voor het onderhoud en het in werking houden van de reactor zijn hierbij niet inbegrepen.

Slokop

Wie maalt om een paar miljard meer als je in ruil gratis schone energie krijgt? Kernfusie is alvast theoretisch een prachtige zaak. Het belichaamt de droom van een onuitputtelijke, emissievrije en laag-radioactieve energiebron. De vraag is of het nuttig is om per jaar een slordig half miljard euro te blijven pompen in een techniek die zelfs volgens de grootste optimisten in de komende decennia niet tot commerciële toepassingen zal leiden en dus te laat zal komen om de acute klimaatproblemen op te lossen die door de verbranding van fossiele brandstoffen worden veroorzaakt. De werkelijkheid is dat Iter, nu de constructie eenmaal begonnen is, geld zal blijven opslokken zonder dat zeker is of het tuig ooit tot kernfusie op grote schaal zal leiden. Daar is ook een fervent tegenstander als Groen-Europarlementslid Bart Staes het mee eens: “De kans is onbestaande dat het geld uit Iter zou worden teruggetrokken en gebruikt voor duurzame energieprojecten. Alleen de groene fractie blijft zich verzetten tegen Iter, alle andere partijen zijn voor. Blijkbaar wil de grote meerderheid deze witte olifant graag in stand houden en doen groeien.”

 

Verschenen in Argus Actueel, 3 maart 2013

Scenario’s voor een nieuwe toekomst

Energiegigant Shell kan bogen op een lange traditie van uitgewerkte toekomstscenario’s die verder kijken dan gebruikelijk, mét oog voor de dreigende klimaatsverandering, maar duidelijk vanuit het standpunt van een brandstofproducent. WWF heeft een andere, radicale visie die nog een lichtpuntje laat.

Afhankelijk van de keuzes die beleidsmakers de komende jaren maken, kan de toekomst van de aarde er heel anders uitzien. Wat de keuzes ook zijn, volgens Shell-CEO Peter Voser is het duidelijk wat de hoofdrichting is: schonere energie en meer energie-efficiëntie. De krijtlijnen van de nabije toekomst liggen ook al vast: 9,5 miljard aardbewoners tegen 2060, de verdere bloei van de groeimarkten, waardoor miljoenen mensen evolueren van arm naar middenklasse en mogelijk een verdubbeling van de energievraag over de komende vijftig jaar.

De Shell-futurologen zijn er van overtuigd dat de uitstoot van CO2 rond het jaar 2100 zo goed als tot nul zal zijn teruggevallen. Ze rekenen daarvoor onder andere op Carbon Capture & Storage (CCS), want we blijven volgens elk Shell-scenario veel gas, olie of steenkool verstoken.

Mountains vs. Oceans

Minder CO2 uitstoten kan volgens Shell bevorderd worden door de volgende maatregelen te promoten. De ontwikkeling van compacte en energie-efficiënte steden, met name in Azië en andere snel urbaniserende gebieden. Grotere energie-efficiënte voor transport en gebouwen. Een switch naar aardgas als belangrijke brandstof voor krachtcentrales en transport. Een CO2-tax die wordt aangewend om de ontwikkeling van CCS te versnellen. Naast deze algemene aanbevelingen onderscheidt Shell twee verschillende scenario’s waartussen moet worden gekozen: Mountains versus Oceans.

Het Mountains-scenario gaat uit van een bescheiden economische groei en een sterke overheid. Dit scenario rekent op een forse en snelle groei van kernenergie, dat tegen 2060 goed moet zijn voor 30% van de elektriciteitsproductie wereldwijd. Aardgas vormt de ruggengraat van de wereldwijde energievoorziening. Gascentrales vervangen heel wat steenkoolcentrales en gas wordt belangrijk in transport. Het olieverbruik bereikt zijn hoogtepunt rond 2035. Rond het einde van de eeuw rijden auto’s en vrachtwagens vooral elektrisch en op waterstof. CCS is algemeen in voege en mede daardoor stoot de elektriciteitssector geen CO2 meer uit vanaf ongeveer 2060. Alhoewel dit scenario erin slaagt om de uitstoot van broeikasgassen te doen afnemen vanaf 2030, volstaat het niet om de opwarming van het klimaat onder de 2 °C te houden. Een afknapper. Maar het kan nog erger.

In het Oceans-scenario van Shell heeft de overheid minder armslag, vooral de markt en de burgers zijn aan zet. De publieke opinie zorgt in vergelijking met het Mountains-scenario voor een minder spectaculaire groei van kernenergie en minder (schalie)gaswinning buiten de VS. Steenkool blijft een populaire brandstof in krachtcentrales tot halverwege de eeuw. Ook CCS komt maar langzaam van de grond. De elektriciteitssector wordt pas rond 2060 CO2-neutraal. Passagierstransport op de weg draait rond 2050 nog voor 70% op petroleumproducten. De uitstoot aan broeikasgassen ligt nog 25% hoger dan in het Mountains-scenario. Door de hoge olieprijzen wordt er wel zwaar ingezet op energie-efficiëntie, de zoektocht naar onconventionele oliebronnen versnelt en biobrandstoffen worden belangrijker. Tegen 2070 zijn PV-panelen de belangrijkste energiebron. Windenergie heeft het moeilijker door tegenstand onder de bevolking. Shells toekomstvisie is somber: wat we ook doen, onder de twee graden klimaatsverandering geraken we in geen geval.

De visie van WWF

Het kan gelukkig ook anders als we nu ingrijpen. Vorig jaar al lanceerde WWF The Energy Report, een uitgewerkt globaal energieplan dat uitlegt hoe de volledige planeet tegen 2050 van energie uit hernieuwbare energiebronnen kan worden voorzien. Daartoe moet in eerste instantie het energieverbruik drastisch worden teruggedrongen. De tweede stap is het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie, in volgorde van duurzaamheid: zon, wind, water, geothermie. Biomassa kan enkel onder strikte voorwaarden. Onlangs pakte WWF uit met een nieuw rapport, Putting the EU on Track for 100% Renewable Energy, een verfijning op Europese schaal van het globale streven naar 100% CO2-neutraal tegen 2050. Volgens de milieuorganisatie kan de EU tegen 2030 zijn energieverbruik met 38% reduceren en 40% van de overblijvende energie genereren uit hernieuwbare bronnen. Zo zou de uitstoot aan broeikasgassen met de helft worden teruggedrongen in vergelijking met 1990. Volgens Jan Vandermosten van WWF België zouden deze maatregelen maar liefst 5 miljoen jobs kunnen creëren. Voorwaarde is wel dat Europa een coherent en ambitieus maatregelenpakket voorziet en uitvoert voor de periode post-2020.

Als het aan ons lag, kozen we voor het WWF-scenario.

Verschenen in Argus Actueel, 28/02/13

Vergisting in nood

De industriële vergisters in Vlaanderen hebben het financieel moeilijk en luiden de alarmklok. Ze voelen zich in vergelijking met de landbouw- en GFT-vergisters onrechtvaardig behandeld.

Vergisting, het omzetten van biomassa en organisch afval in biogas en vergiste mest of digestaat, is op alle gebied een goede zaak voor het milieu. Zowat alle organische en biologische afvalstoffen zijn geschikt voor vergisting, en Vlaanderen is met zijn grote mestproductie, zijn uitgebreide voedingsindustrie en zijn gescheiden opgehaalde GFT-fractie een prima land voor vergisting.

Tegenwoordig wordt al 2 miljoen ton afval anaëroob (zonder toevoeging van zuurstof) vergist door landbouw, GFT- en industriële vergisters samen. Vergisting is goed voor 9% van de productie van groene stroom. Anaërobe vergisting en de productie van biogas bieden heel wat voordelen tegenover andere vormen van groenestroomproductie en vormen er een perfecte aanvulling van. Zo is bij vergisting de output van stroom niet afhankelijk van de grillige patronen van zon en wind. Het materiaal waar de vergisters mee werken, bestaat uit organische afval- en nevenstromen – geen primaire materialen dus. Door de gezamenlijke productie van groene warmte en groene stroom heeft vergisting een hoog energetisch rendement, volgens de belangenorganisatieFEBEM (Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer) het hoogste van de groenestroomsector. Bovendien kunnen eind- en nevenstromen uit het vergistingsproces worden opgewerkt tot bijvoorbeeld hernieuwbare kunstmest. Digestaat uitrijden is beter voor land en plant dan mest uitrijden.

Stagnatie

Klinkt allemaal geweldig positief, maar sinds 2010 zit er een knik in de groei van de vergistingsindustrie. Industriële vergisting is niet rendabel zonder overheidssubsidies en kampt bovendien met hogere inkoopprijzen dan voorzien voor de input van materialen en lagere afzetprijzen voor de geproduceerde elektriciteit. De milieureglementering over de exploitatievoorwaarden werd strenger, wat ook bijkomende kosten veroorzaakte. De sector vraagt de overheid om duurzame maatregelen en een langetermijnengagement om vergisting terug voldoende rendabel te maken en een toekomst te bieden. Werner Annaert van de FEBEM legt uit. “Omdat stroom te duur werd, vooral voor de grootverbruikers, werd door de overheid besloten om de groenestroomcertificaten in waarde te laten dalen. Daar valt wat voor te zeggen wat betreft de aanvankelijk overgesubsidieerde zonnepanelen, maar de daling treft ook de technieken die echt nog steun nodig hebben.”

De sector heeft het moeilijk omdat de businessplannen uit het verleden er geen rekening mee houden dat er ooit zou moeten worden betaald voor biomassa. “Meer dan drie jaar geleden was er zelfs sprake van een positieve inkomensstroom: er werd betaald om biomassa uit de industrie te laten vergisten,” zegt Annaert. “Vandaag wordt biomassa voor uiteenlopende doeleinden gebruikt, onder andere voor energieopwekking en voor de productie van compost en dierenvoeding. Zelfs uit de buurlanden ondervinden we concurrentie. Biomassa is een substituut voor primaire materialen en daar kunnen we natuurlijk niet tegen zijn. Het is zelfs goed dat er een markt is voor biomassa, want zo gaat er minder verloren. Maar er moet wel voor worden betaald.”

Onrechtvaardige verdeling

Het grootste probleem is dat vergisting nog een jonge technologie is en dat niet alle vergisters gelijk zijn voor de wet. Erger nog, het zijn vooral de installaties van de pioniers die getroffen worden. Werner Annaert: “Landbouw-, en GFT-vergisters vallen merkwaardig genoeg onder een gunstiger subsidieregime. Voor de industriële vergisters is er een lagere steun voorzien terwijl niemand in de sector, ook niet bij de landbouwvergisters, snapt waarom die steun voor de industriële installaties zo laag is. Uit alle studies, zoals die van het VEA, blijkt dat daar geen reden voor is. De groenestroomsubsidies dalen voor industriële vergisters tot 80 of 90 euro , terwijl landbouw- en GFT-vergisters nog 100 of 110 euro per groenestroomcertificaat krijgen. Gekker wordt het nog als je weet dat ook nieuwe installaties van na 2013 meer steun zullen krijgen. Het lijkt absurd, maar om aan meer subsidies te geraken als industrieel vergister, kan je beter je oude installatie stilleggen en een nieuwe bouwen. Die nieuwe installatie zal niet noodzakelijk beter zijn, want de bestaande installaties zijn voortdurend gemoderniseerd, maar ze valt wel onder een gunstiger ondersteuningsregime. Voor de industriële vergisters maakt die 20 euro per certificaat veel verschil, over de hele groenestroomsector bekeken is het een peulschil. Het gaat om 75.000 certificaten, in totaal dus om een verschil van 1,5 miljoen euro dat overigens niet door de overheid zelf, maar door alle stroomgebruikers samen wordt betaald. Om goed te zijn voor 5% rendement, zou een groenestroomcertificaat op 120 euro moeten uitkomen, maar als we gelijkgeschakeld worden met onze collega’s zijn we al tevreden en is de kans groot dat bedrijven opnieuw zullen investeren in de industriële vergisting.”

Verschenen in Argus Actueel, 25/2/13

Stadslandbouw: eigen kweek eerst

Afgelopen zomer maakte ik mijn debuut in Humo. Voor dit artikel kreeg ik op 25 februari 2013 de Persprijs van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling. Hier de integrale versie zoals verschenen in Humo van 21 augustus 2012.

Vroeger was alles simpel: vóór de moderne kweek-, transport- en bewaarmethoden aten we ’s zomers tomaten, ’s winters witlof en daarmee basta. Tegenwoordig zijn die producten het hele jaar door te verkrijgen en ligt de versafdeling van de supermarkt zelfs putje zomer vol groenten en fruit uit Zuid-Europa en Afrika. Voor wie zijn buik vol heeft van waterige komkommers en overgevlogen Keniaanse boontjes bestaat er gelukkig een alternatief: back to basicsen zélf groenten kweken of oogsten bij de lokale boer.

“Een wortel uittrekken: wat een unieke belevenis!”

De Belgische landbouw boert achteruit. Tussen 2000 en 2009 verdwenen in ons land maar liefst eenenveertig boerderijen per week, berekende doctoraatsstudent Maarten Roels van de UGent. Allemaal boeren die er de brui aan gaven of opgeslokt werden door grotere landbouwbedrijven, omdat ze ondanks miljoenen euro’s Europese landbouwsubsidies niet meer konden optornen tegen goedkoop geïmporteerd voedsel, omdat hun kinderen de hondenstiel van hun ouders niet wilden voortzetten of omdat er maar weinig eer meer te behalen viel met industriële landbouwproducten. Tegelijkertijd is een eigen moestuin weer bon ton. Meer en meer mensen zijn de smakeloze, kilometervretende en in plastic verpakte waar van de supermarkt zo beu dat ze zelf groenten en fruit beginnen te kweken ― in de tuin, op een braakliggend terrein in de stad, op het balkon of op het dak.

Sterrenkoks hebben de laatste jaren de mond vol van het belang van producten en terroir,de eigen streek. Ze koken volgens het seizoen, gebruiken alsmaar meer lokale producten of laten zelfs een eigen groentetuin aanleggen. Zo beschikt driesterrenchef Gert De Mangeleer van het Brugse restaurant Hertog Jan over een eigen akker waar tuinman Bart Praet een vierhonderdtal groenten en kruiden teelt. Maar het fenomeen van de eigen kweek blijft niet beperkt tot hobbykoks, groene jongens en andere kieskeurige consumenten.

Vandaar wellicht dat er binnenkort ook een tv-programma aan dat nieuwe tuinieren gewijd wordt. Hobbyteler Wim Lybaert opereert al vijftien jaar achter de schermen bij Woestijnvis (waar hij onder andere meewerkte aan ‘Man bijt hond’, ‘Weg naar Compostela’ en ‘Meneer Doktoor’), maar als hij niet in Compostela of Siberië vertoeft, zit hij nog liefst van al in zijn moestuin. Vanaf 17 september kunt u in de vooravond de vorderingen van zijn vijftien tomatensoorten en een vijftigtal andere groenten volgen op VIER. Waarop wij dan vragen:

HUMO Waarom?

Wim Lybaert «Mensen van mijn generatie en jonger hebben meestal een grootvader gekend die nog een eigen moestuin had. Ik heb vroeger ook altijd samen met mijn papa in de tuin gewerkt. Als ik collega’s en vrienden over mijn zelfgekweekte groenten vertel, vinden ze het allemaal geweldig, maar bijna niemand doet het nog. Doodzonde dat hun kinderen dat zelf groeten telen niet meer meekrijgen.

»Maar er is dus verandering op komst. Mensen hebben weer behoefte aan traagheid. Wij brengen de dagelijkse evolutie in de moestuin in beeld, om mensen van naaldje tot draadje te leren hoe je een en ander aanpakt.»

HUMO Wat heeft jou ertoe aangezet om een moestuin uit de grond te stampen?

Lybaert «Ik ben geen groene jongen of vegetariër, maar wel een echte hobbykok. Producten die veel kosten, maar naar niks smaken: daar heb ik een hekel aan. Als ik tomates crevettes maak en de moeite doe om een kilo garnalen te pellen en zelf mayonaise te maken, ga ik toch geen smakeloze supermarkttomaten gebruiken?

»Tien jaar geleden woonde ik in het centrum van Brugge en was de enige optie een volkstuintje van de provincie, bevolkt door oude mannetjes die het geweldig vonden dat een jonge snaak van drieëndertig ook groenten wou kweken. Zo’n volkstuintje huren was belachelijk goedkoop: 120 euro per jaar voor tweehonderd vierkante meter.»

HUMO Misschien is het een vooroordeel, maar springen die oude tuinders niet kwistig om met pesticide en kunstmest?

Lybaert «Sommigen wel, maar velen hebben die rommel afgezworen, hoor.

»Ik heb heel veel van die mannen geleerd. Nu heb ik thuis een eigen moestuin, maar ik ga nog elke maand naar die volkstuintjes om met iedereen een babbeltje te slaan. Via mijn buurman daar ben ik in contact gekomen met Velt, de Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren. Zij pleiten ervoor om niet te spuiten tegen ongedierte. Het is per slot van rekening vergif.»

HUMO Kan je met een gezin van vier leven van wat tweehonderd vierkante meter opbrengt?

Lybaert «Als je het hele jaar door in die tuin werkt: zeker. Maar je moet dan wel eten volgens de seizoenen – geen tomaten en komkommers in januari dus. Vorstresistente sla bestaat wel, en putje winter zijn er nog altijd winterwortelen en rode bieten, die je in een kuil kan bewaren met wat hooi erop. Laten we zeggen dat je pas naar de groentewinkel moet als het vijftien graden vriest.»

HUMO En hoeveel uur per week sta je dan te schoffelen?

Lybaert «Nu veel meer dan anders, omdat alles perfect in orde moet zijn voor mijn tv-programma, maar in mijn volkstuintje hield ik me aan vier uur per week, elke zaterdag samen met mijn vrouw. Alleen in de winter ligt het drie maanden stil, op wat spruiten oogsten na.»

HUMO En in ruil voor die noeste arbeid eet je een heel jaar gratis groenten.

Lybaert «Die gratismythe moet ik helaas doorprikken. Je kan natuurlijk heel goedkoop telen als je je beperkt tot wat kolen, aardappelen, tijm en peterselie. Maar vergeet de aanschaf van het tuingereedschap niet. En ook plantgoed en zaden kosten wel wat.

»Ik kweek graag groenten die je niet in de winkel kan kopen: blauwe en gestreepte tomaten,coeurs de boeuf, citroenkomkommers, vijftig verschillende groenten in totaal. Aan kruidenplantjes kan ik makkelijk 30 euro uitgeven. Er bestaan zelfs tomatenzaden die 2 euro per stuk kosten, maar die koop ik niet.»

Hof van Eden

De laatste jaren zijn volkstuintjes niet langer het exclusieve domein van gepensioneerden. Hippe vogels herontdekten de lapjes grond, met vaak lange wachtlijsten tot gevolg. Ook collectief tuinieren zit in de lift: er zijn gemeenschapstuinen in Gent, Brussel, Kortrijk en sinds dit jaar ook in Antwerpen, op Linkeroever.

Op een braakliggend terrein achter het Afdelingsbureel West van de Antwerpse politie staan plastic zakken met groenten die afgelopen lente gezaaid werden. Een dertigtal moestuinliefhebbers heeft de gemeenschappelijke zakken en de privézakken dagelijks water gegeven en onkruidvrij gemaakt, nu is alles klaar om geoogst te worden. Coördinatrice Heleen Vanden Bergh van het Antwerpse cultuurcentrum Link loopt er met haar flashy rubberlaarzen bij als een echte stadsboerin. Ze haalde de mosterd voor de Antwerpse Biodroom in de Berlijnse wijk Kreuzberg, waar buurtbewoners in 2009 een braakliggend stuk grond transformeerden tot de gemeenschappelijke moestuin Prinzessinnengärten. Maar hoe werkt dat eigenlijk, zo’n gemeenschappelijke moestuin?

Heleen Vanden Bergh: «Wie één uur of meer in de tuin werkt, mag zelf groenten oogsten en mee naar huis nemen. Hoe meer je gewerkt hebt, hoe minder je betaalt. Als je vier uur hebt getuinierd, mag je een eigen zak beginnen, maar de meeste mensen werken liever in het gemeenschappelijke gedeelte.»

Vandaag, op een zaterdag die twijfelt tussen zonnig en bewolkt, zijn er niet zo veel tuinders aan de slag: buurtbewoonsters Sonja en Mieke en de Afghaanse Borgerhoutenaar Najibullah. Twee kleine meisjes, Loeka en Jessica, stoppen hun mond vol met aardbeien, vers van de struik. Ik sla een praatje met Mieke, die gelukzalig glimlachend – alsof ze de Hof van Eden heeft teruggevonden – vertelt. Zelf groenten kweken kan kennelijk ook een natural high veroorzaken.

Mieke Versées: «Ik heb een eigen zak waarin ik radijzen, rozemarijn en citroenmelisse kweek, en uit de gemeenschappelijke zakken leer ik groenten kennen, zoals Nieuw-Zeelandse spinazie. Het is onbeschrijfelijk plezant, je eigen groenten en fruit eten. Wij kweken hier de lekkerste aardbeien van de hele wereld: superzoet. De Biodroom is een paradijs: als ik even tot rust wil komen, kom ik hierheen. Volgens mij is even in de grond wroeten beter dan een bezoekje aan de psycholoog.»

Bij ons zijn gemeenschappelijke moestuinen als de Biodroom in Antwerpen, Eetbaar in Kortrijk en De Site in Gent nog vrij nieuw, maar in New York bestaan ze al veertig jaar. Na de financiële crisis van de jaren zeventig kwamen daar heel wat terreinen braak te liggen, en die werden deels ingepalmd door vrijwilligers – die hebben inmiddels meer dan zeshonderd gemeenschappelijke tuinen uit de grond gestampt.

Tegenwoordig is New York ook de hoofdstad van de commerciële stadslandbouw: bedrijven kweken op hun grote daken groenten die lokaal geconsumeerd worden. Geen transportkosten en geen uitstoot! ‘Dat kan hier ook,’ dacht informaticus Filippo Dattola, en de in Brussel wonende Italiaan begon afgelopen januari een moestuin aan te leggen op het dakterras van de Koninklijke Bibliotheek, op de Kunstberg vlak bij het Centraal Station. Zijn demonstratietuin is klein bier in vergelijking met de stadsboerderij (oppervlakte: drieduizend vierkante meter) die tegen 2013 op het Anderlechtse slachthuis zou komen te liggen.

Het is surrealistisch, zo’n groentetuin op betonnen tegels, vijf hoog boven Brussel. Op het vierhonderd vierkante meter grote dakterras van het gebouw waarin alle in België verschenen boeken worden bewaard, staan zwarte zakken met teelaarde, waarin sla, bloemkool, ajuin, wortelen en kruiden groeien. Filippo Dattola graaft met zijn handen een kuiltje in een zak met aarde om er een tomatenplantje in te planten dat hij vanaf het zaadje heeft opgekweekt. Beneden toeteren en stinken de auto’s, maar hier heerst een bijna landelijke rust. De deeltijdse stadsmoestuinier Filippo, die de stiel heeft geleerd in de Brusselse collectieve tuinen van Le Début des Haricots, blijkt een man met een missie.

Filippo Dattola: «Ik doe dit om te bewijzen dat je op een duurzame manier groenten kan kweken, midden in de stad, met een minimaal budget en zonder leidingwater, stroom of meststoffen. Met het water uit onze regenwatertanks kunnen we de grond nat houden, en het elektrische pompje dat het water rondleidt, werkt op zonne-energie van een zonnepaneeltje.»

HUMO Kan je er ook van leven?

Dattola: «Ik heb een halftijdse baan in een drukkerij. Dit jaar zal ik hoogstens 2.000 euro verdienen met de verkoop van groenten, maar ik hoop dat ik hiermee een nieuwe job voor mezelf creëer, dat het Brusselse gewest me een loon wil geven om mensen te inspireren, scholen rond te leiden en groenten te kweken voor lokale consumptie.»

HUMO Zijn groenten die tussen de uitlaatgassen en het fijn stof groeien wel zo gezond?

Dattola: «Fijn stof is vooral op straat geconcentreerd: op een daktuin heb je daar minder last van. Ik schat ook dat de meeste fijne partikels van de groenten verdwijnen als je ze goed wast. En ik vraag me af: als we ons zorgen maken over de eetbaarheid van groenten uit de stad, waarom wonen en werken we er dan zélf in?»

In zijn daktuin heeft Filippo niet veel last van ongedierte: een aantal planten beschermt hij met netten tegen vraatzuchtige vogels, en ongewenste insecten bestrijdt hij met een insectenhotel, een houten kastje waarin nuttige insecten als lieveheersbeestjes, graafwespen en gaasvliegen onderdak vinden. Voor de bevruchting van de planten zorgen de bijen van één van de verschillende stadsimkers die Brussel rijk is. Ook in Gent en Antwerpen zijn er actief ― hun honing zou zelfs lekkerder zijn dan die van het platteland, door de grote biodiversiteit in parken en stadstuinen.

 

Boerende stadsmens

Allemaal best sympathiek en goed voor de sociale cohesie, die stadsbijen, gemeenschappelijke moestuinen en landbouwbedrijfjes op een dak, maar heel veel groenten en fruit leveren die boerende stadsmensen tot nader order niet op. Daarvoor hangen we toch nog altijd af van professionele landbouwers. Maar ook die beginnen het belang van de doe-het-zelvende consument in te zien.

Tussen de Leuvense Abdij van Park en de Brabanthal ligt Het Open Veld van Tom Troonbeeckx. Het is de eerste van de ondertussen dertien ― even diep ademhalen ― community supported agriculture-boerderijen die ons land rijk is. Er wordt uitsluitend gewerkt met leden, die via hun lidgeld de kosten en het loon van de boer vooraf betalen. In een goed jaar delen ze in de weelde van een rijke oogst, in een slecht jaar heeft de boer toch nog een inkomen, maar de leden wat minder te eten.

Tom Troonbeeckx is een tot bioboer omgeschoold maatschappelijk assistent die zo goed als in zijn eentje anderhalve hectare land bewerkt en daar een meer dan gemiddeld loon aan overhoudt. De driehonderdtwintig leden uit Leuven en omgeving bepalen mee wat er geplant wordt. Tom zaait, plant en wiedt, maar oogsten doen ze zelf. Als het zover is, stuurt Tom een mail en komt iedereen zijn sla of selder snijden, courgettes plukken of eieren halen.

Het gaat er bijzonder gemoedelijk aan toe op Het Open Veld. Marie komt aan, neemt een mes uit het schuurtje en stapt het veld op, waar ze wat selder afsnijdt en een venkel uit de grond trekt. Twee oudere klanten komen aan boer Tom vragen of er weer eieren zijn ― een vos, nochtans géén lid van de boerderij, heeft onlangs lelijk huisgehouden in het kippenhok. Tom legt zijn gereedschap neer, gaat eieren rapen en komt terug naar het bed met snijselder, waar hij al schoffelend op onze vragen antwoordt.

HUMO Waarom kies je voor een systeem waarbij de leden zelf oogsten?

Tom Troonbeeckx «Omdat dat het minst belastend is voor het milieu. Ik zag ertegenop om een bestelwagen te kopen, opslag en koeling te voorzien en veel energie te verbruiken. Zelfoogst lost dat op. Wij moeten veel minder stockeren. Alleen de aardappelen rooien we gezamenlijk, met een aantal vrijwilligers. Zelfoogst zorgt voor minder investeringen, minder transport en minder energieverbruik, en de mensen leren nog wat bij over hun voedsel ook. Een wortel mogen uittrekken is voor stadsmensen een unieke belevenis – hoe onnozel dat misschien ook klinkt.»

HUMO Blunderen die mensen dan niet vaak op het veld?

Troonbeeckx «Dat valt mee. Ik schat dat hoogstens 2 procent van de opbrengst verloren gaat door foutjes. Ter vergelijking: in de gewone voedseldistributie gaat tot 40 procent van de opbrengst verloren. Er wordt hier weleens over een perceel pas ingezaaide worteltjes gelopen, en iemand heeft ooit per ongeluk aardbeienloofsoep klaargemaakt, maar daar ga je niet van dood.»

HUMO Hoe vermijd je dat de leden het veld leegplunderen?

Troonbeeckx «Ze betalen per persoon lidgeld om te mogen plukken voor vers gebruik. Die vaste bijdrage van 230 euro zorgt ervoor dat het risico verdeeld wordt: als het echt misgaat, hebben we allemaal wat minder. Ik controleer niet wie wat plukt en zolang niemand te weinig heeft, kan het mij niet veel schelen dat er eens iemand wat te veel meeneemt. Maar ik heb het gevoel dat iedereen zich over het algemeen heel goed aan de regels houdt. Vertrouwen: dat is de basis van een mooi, modern en rendabel landbouwbedrijf.»

Verschenen in Humo, 21/8/12

Ralph Thurm: Een stap verder dan duurzaamheid

Op woensdag 30 januari komt Zeronaut Ralph Thurm naar Antwerpen. Hij is in ons land nog niet echt bekend, maar zijn systematische en holistische aanpak van MVO- en duurzaamheidskwesties maken hem tot een zeer boeiende vertegenwoordiger van de wereldwijde transitiebeweging.

Thurm staat voor een holistische aanpak van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen en brengt dat in zijn twee jobs en in zijn manier van leven en werken in de praktijk. Hij is Directeur Collaborative Sustainability & Innovation bij Deloitte Nederland en runt daarnaast sinds september 2012 zijn eigen consultingbedrijf A|HEAD|ahead, waarmee hij meer radicale en experimentele duurzaamheidsoplossingen uitwerkt. ‘Misschien kunnen dat wel toekomstige services van Deloitte worden,’ zegt hij. ‘Bij Deloitte zijn we al een paar jaar bezig om duurzaamheid een onderdeel van alle werkzaamheden te maken. Duurzaamheid is een cross-cutting issue dat overal in de organisatie te voelen en te zien moet zijn. Zo krijg je ook meer authenticiteit en een groter gevoel van ownership bij de mensen. Daarnaast trachten we duurzaamheid en innovatie dichter bij mekaar te brengen, omdat het twee kanten van dezelfde medaille zijn. Waarbij ik me tussen haakjes zelfs afvraag of je innovatie die niet duurzaam is, überhaupt nog innovatie kunt noemen.’

Van minder slecht naar goed genoeg

Is Deloitte er al in geslaagd om de hele organisatie doordesemd te maken van de duurzaamheidsgedachte?

Ralph Thurm: ‘Nou, er is nog wel wat werk aan de winkel. Duurzaamheid is een reis. Het is kwestie om niet alleen intern de neuzen richting duurzaamheid te zetten, wat mede door het relatief grote verloop van personeelsleden heel wat werk vergt, maar ook de klanten er warm voor te maken nog voor ze er zelf aan denken.’

Bedrijven hebben de mond vol van maatschappelijk verantwoord ondernemen en streven naar duurzaamheid, maar wat bakken ze er in de praktijk van? Zijn internationale standaarden de oplossing om het onderscheid te maken tussen greenwashing en echte verduurzaming?

Ralph Thurm: ‘Als je A en B wil vergelijken, moet je dat op dezelfde basis doen. Ja, standaarden, guidelines, technische protocollen en duidelijke indicatoren zijn nodig. Maar de eigenlijke vraag is: hanteren we wel de juiste standaard? John Elkington zei het me anderhalf jaar gelden als volgt: “Het enige dat we weten, bijna twintig jaar na Rio, is dat we minder slecht zijn geworden.” We weten eigenlijk niet wat het minimale is dat goed genoeg is voor onze planeet. We moeten evolueren van efficiëntie-gedreven indicatoren naar impact-indicatoren. Zeker nu we over steeds meer data beschikken, zoals de verschillende aspecten van de ecologische voetafdruk en het monetariseren van ecosysteemdiensten. To be less bad is not good enough anymore. We moeten leren meten wat minimaal goed genoeg is, zoals Elkington ook bepleit in zijn boek Zeronauts: Breaking the Sustainability Barrier.’

U pleit voor Zero Impact Growth (ZIG). Wat moeten we ons daarbij precies voorstellen?

Ralph Thurm: ‘Het begrip Zero Impact Growth komt voort uit het zoeken naar wat nu wél goed genoeg is. Wat is het minimum dat alle industrieën elk op hun manier moeten bereiken om ons in staat te stellen op een bepaald welvaartsniveau binnen de planetaire grenzen van de Aarde te leven? Nu is het zo dat elke bedrijfstak zo’n beetje definieert wat hij denkt dat duurzaam is binnen zijn industrie. Men toetst midden- en langetermijndoelstellingen, maar werkt niet aan een onderling afgestemd adaptatieplan. De rode draad doorheen de gesprekken in Zeronauts van John Elkington is het streven naar groei met nulimpact. Maar daarmee begint het alleen nog maar. Eigenlijk moeten we meer willen: regenerative growth en positive impact growth (PIG): meer teruggeven dan wat wij van de planeet nemen. Anders zijn we vanwege de rebound effects door klimaatsverandering en bevolkingsgroei eenvoudigweg ten dode opgeschreven.’

Kan elk bedrijf in elke sector ZIG of PIG bereiken? Ook staalbedrijven, vliegtuigbouwers, mijnbouwbedrijven en bedrijven in de fossiele brandstofsector?

Ralph Thurm: ‘Er is in ieder geval nog heel veel potentieel voor bedrijven in de energiesector om minder CO2 uit te stoten, in te zetten op hernieuwbare energie en om hun netwerken slimmer te maken. Betekent zulks dat ook een consumentenbedrijf als Unilever per se ZIG moet zijn? Dat is een afweging. De vraag is: wie doet wat het best en hoe kunnen wij met elkaar samen zo snel mogelijk successen boeken? Want tegenwoordig doet iedereen een beetje van alles. Belangrijk is dat wij afgestemd op elkaar een beeld van Zero Impact Growth moeten vastleggen, en dat is al zeer moeilijk.’

Een nieuwe generatie van transparantie

De impact van ZIG/PIG voor het milieu en het klimaat is duidelijk. Wat betekent het voor de groei en de winstgevendheid van de bedrijven?

Ralph Thurm: ‘Zero Impact Growth betekent niet Zero Growth. We hebben groei nodig, maar dan wel groei naar dingen of situaties die we met zijn allen willen hebben. Het betekent ook precies kunnen meten wat precies de situatie is op deze planeet. Zo lang niemand dat echt kan zeggen, blijven alle inspanningen veel te incrementeel en komen wij ook niet verder met duurzame regelgeving voor een nieuw economisch stelsel en incentivesysteeem.’

Moet ZIG/PIG op termijn wereldwijd de norm worden?

Ralph Thurm: ‘We moeten komen tot nieuwe spelregels in de economie waarbij het niet anders kan dan juist te handelen. Moet dat via regels en wetten? Waarschijnlijk wel. Maar het is ook meer dan dat. Momenteel zitten de incentives verkeerd in ons economisch bestel. In het vaarwater van een Zero Impact Growth-adaptatieplan moeten we komen tot true costing, true pricing en true taxation. De prijzen moeten de werkelijke totale kosten weerspiegelen, we moeten komen tot een internalisering van externe kosten.’

Hoe kan de internalisering van externe kosten worden geïmplementeerd?

Ralph Thurm: ‘Er zijn meer dan genoeg consultants die dat kunnen berekenen. We moeten het nog wel eens raken over de juiste standaarden die uitgaan van correcte gemiddelden en niet opnieuw appelen met peren vergelijken. True costing heeft enorme effecten op de profit- en loss-accounts van de bedrijven en de prijzen van de producten. Om dat op een sociaal aanvaardbare manier te regelen, zal de overheid de taxatie anders moeten aanpakken. Daar is alle reden toe, want op dit moment wordt het meest waardevolle, de menselijke arbeid, het zwaarst belast. Terwijl dingen die bedreigend zijn voor de toekomst van onze planeet nauwelijks of helemaal niet worden belast. Als je erin slaagt om dat op orde te krijgen, is het niet langer de vraag of een bedrijf meedoet of niet: iedereen wordt gewoon meegesleurd. Maar je moet het mondiaal aanpakken, met aandacht voor lokale verschillen, of je hebt geen eerlijke concurrentie. Ook moeten wij het zo regelen dat de totale kosten voor de consument ongeveer gelijk blijven en niet tot nieuwe sociale spanningen leiden.’

Klinkt aanlokkelijk, maar is dat geen illusie? Zijn grote bedrijven niet machtiger en meer eensgezind dan alle regeringen van de wereld samen?

Ralph Thurm: ‘Het is enorm moeilijk omdat we in een andere economische en kapitalistische logica leven. Toch zijn er vandaag in alle industrieën een aantal leidende spelers die stellen dat we nu moeten handelen als we niet over twintig jaar met zijn allen ten onder willen gaan. Zo heeft Puma zijn eerste environmenal profit & loss account opgesteld en zijn ze bezig aan een tweede die nog meer aspecten omvat, niet alleen CO2, energie en water. Met het risico dat ze door iedereen bekeken worden en dat er heel wat gevoelige informatie bekend gemaakt wordt. Ze doen dat zodat iedereen zou begrijpen waarom ze het doen en zodat men hun voorbeeld zou volgen.’

Makkelijk, zo’n environmental profit & loss account, als je de externe kosten niet echt moet betalen.

Ralph Thurm: ‘Dat is een veelgehoorde kritiek. Maar dit is een case die enorm wordt onderschat. Niet alleen vanwege de ongeziene transparantie, maar ook door het aanscherpen van het bewustzijn binnen het bedrijf van zijn echte impact op het milieu. Het blijkt bovendien een enorme drijver voor innovatie, omdat Puma ervan overtuigd is dat die externe kosten ooit echt wel zullen moeten worden betaald. Vandaar de beslissing om nu al volledig leervrij te worden: 70 tot 80% van de ecologische voetafdruk van Puma situeert zich in de landbouwsector en heeft te maken met CO2-uitstoot bij de productie van leer. Het is een zeer holistische aanpak, gebaseerd op een nieuwe generatie van transparantie. Dit versnelt ook de innovatiekracht van zo’n bedrijf, ze trekken de toekomstige internalisatie van externe kosten naar het nu. En het maakt een einde aan de statische “Ja maar”-discussies waarin zoveel milieukwesties verzeilen.’

Het voordeel van een crisis

Verwacht u in de toekomst een geleidelijk proces van verandering naar meer duurzaamheid of een grote revolutie?

Ralph Thurm: ‘Ik verwacht niet één grote ommeslag, maar wel relatief veel aardbevingen en aardverschuivingen. Het zal niet allemaal soepel en lekker verlopen. We staan aan het begin van een transitiefase. Het interessante is dat aan het merendeel van de maatschappelijke en economische transitiefases in het verleden een financiële crisis is voorafgegaan. Zeker als blijkt dat je de crisis niet alleen met financiële ingrepen kunt oplossen. Daarnaast spelen nog veel andere domino-effecten mee, zoals de voedsel- en de klimaatcrisis. Je ziet nu echt ook een mentaliteitsverandering optreden.’

Hoe zou u die mentaliteitsverandering precies omschrijven?

Ralph Thurm: ‘Consumenten willen meer informatie over de duurzaamheid van de producten die ze kopen. Het marktaandeel van de LOHAS – een acroniem voor Lifestyles of Health and Sustainability – neemt toe. In Duitsland gaat het over een actieve community van een half miljoen mensen. Ze streven niet alleen naar gezonder eten, maar kiezen er ook voor om meer tijd met familie en vrienden door te brengen en wensen uitdrukkelijk een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Auteur Paul Hawken beschrijft de wereldwijde shift naar duurzaamheid, die veel groter is dan je denkt, treffend in The Blessed Unrest. Ik denk dat we technologisch gezien over alle middelen beschikken om de Duitse Energiewende (de systematische overstap op groene energie, red.) ook in andere landen te laten plaatsvinden. Volgens mij ontbreekt het ons alleen nog aan een intelligente en meeslepende manier om iedereen mee te krijgen.’

Op uw blog hield u onlangs een pleidooi voor Thrivability – een Nederlands woord is altijd welkom – als een stap verder dan MVO en duurzaamheid. Wat verstaat u daar precies onder?

Ralph Thurm: ‘Ik vrees dat “sustainability,” “the ability to sustain” de mensen niet genoeg aanspreekt. Wat is de overtreffende trap? “Thrivability,” “the ability to thrive” in het Nederlands nog het best te vertalen als “de zoektocht naar tevredenheid en geluk.” Is dat niet de diepste wens van de mens? Met zijn allen gelukkig zijn. Kunnen zeggen dat we een moeizame maar waardevolle bijdrage hebben geleverd. Er bestaan ook mooie modellen op het gebied van het menselijk bewustzijn, zoals Theory U van Otto Scharmer of het werk van Ken Wilber. Het gaat tenslotte niet alleen over systeeminnovatie, maar om mensen mee te krijgen: individuele en culturele innovatie dus. Als mensen begrijpen wat systeemgrenzen zijn, dan komt de rest van de innovatie eigenlijk vanzelf. Dat hoop ik tenminste. Ik denk dat de volgende twintig jaar enorm moeilijk maar super-interessant zullen zijn. Het wordt enorm boeiend om deze innovatie-wave mee te maken, ook omdat ze alomvattend is, van systeeminnovatie en culturele innovatie naar proces-, product- en service-innovatie. Veel megatrends bieden aanzienlijke uitdagingen, maar dragen ook enorme mogelijkheden in zich.’

U bent al 20 jaar actief in de duurzaamheidssector en mag nu de eretitel Zeronaut dragen. Bent u zelf ook een groene en geëngageerde consument?

Ralph Thurm: ‘Als ik vlieg, zorg ik altijd voor een CO2-offset. Die betaal ik zelf. Ik probeer altijd zoveel mogelijk van thuis uit te werken. Ik rij met een heel zuinige kleine auto. Ik zet mijn schouders met plezier onder heel wat maatschappelijk werk, zoals voor Global Compact en deTurntoo Foundation in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Midden-Oosten met het Arabia CSR Network.’

Wat was uw oorspronkelijke motivatie om u te verdiepen in duurzaamheid?

Ralph Thurm: ‘Mijn studies economie vielen samen met de eerste conferentie van Rio. Ik vond economie zoals we het aangeleerd krijgen te weinig holistisch en te veel patchwork. Toen mijn vrouw en ik aan kinderen begonnen, nam ik me voor een goed voorbeeld te zijn voor mijn kinderen. Ik wou later kunnen zeggen: “Ik heb mijn best gedaan.” Daar zit ook een persoonlijke reden achter. Mijn vader, die vorig jaar overleden is, is geboren in 1930. Aan het einde van WOII moest hij verplicht naar een school van de Hitlerjugend. Ik wou zo veel mogelijk over die tijd weten, maar elke discussie die ik met hem voerde over hoe dat allemaal mogelijk was, liep vast op “Ich habe es nicht gewusst.” Dat was zijn manier om niet in detail te treden over de vreselijke dingen die hij heeft meegemaakt en waar hij ook niet altijd het fijne van afwist. Ongeveer drie jaar geleden zei mijn zoon me: “Als we over twintig jaar praten over het soort oorlog dat jouw generatie nu met deze planeet voert, is dat alvast geen argument dat jij tegen mij zal kunnen gebruiken.” Dat was een zeer emotioneel moment. Weten dat het niet goed zit met de wereld geeft je een grote verantwoordelijkheid, en daar een goed antwoord op trachten te geven, blijft een zeer sterke motivatie.’

 

Verschenen in Argus Actueel.

Maatschappelijk draagvlak voor luchtkwaliteit en hernieuwbare energie

Er bestaat in Europa een breed maatschappelijk draagvlak voor een strengere aanpak van luchtvervuiling en voor meer hernieuwbare energie, zo blijkt uit de Eurobarometer. Europeanen worden nu gevraagd aan welke maatregelen zij de voorkeur geven.

Bijna vier op vijf EU-burgers vindt dat de EU extra maatregelen moet nemen om de luchtvervuiling tegen te gaan. Meer dan zeven op de tien Europeanen vindt dat de overheid niet ver genoeg gaat in haar inspanningen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zes op de tien vindt dat de mensen onvoldoende geïnformeerd worden over de luchtkwaliteit. De Euroburgers wijzen voertuigen (96%), de industrie (92%) en het internationale vervoer (86%) aan als de voornaamste veroorzakers van luchtvervuiling. Dat zijn de meest uitgesproken cijfers die naar voor komen uit de online Eurobarometer-enquête over luchtkwaliteit, die door meer dan 25.000 EU-burgers werd ingevuld.

De Europeanen hebben een duidelijke mening over hoe de luchtvervuiling moet worden aangepakt. Maar liefst 85% van de respondenten verklaart zich akkoord met het principe ‘de vervuiler betaalt,’ waarbij de veroorzakers van luchtvervuiling moeten opdraaien voor de milieu- en gezondheidskosten die ze veroorzaken. Ondanks de genomen maatregelen uit het verleden, blijven verschillende landen en regio’s de luchtkwaliteitsnormen overschrijden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Europeanen zich (terecht) ernstig zorgen maken over de gevolgen voor milieu en gezondheid. Bijna negen op de tien beschouwt aandoeningen die verband hebben met de luchtkwaliteit, zoals ademhalings- en hart- en vaatziekten, als een ernstig probleem. Ongeveer acht op de tien maakt zich ernstig zorgen over verzuring en eutrofiëring, de toename van voedselrijkdom in water met onder andere overmatige algengroei tot gevolg. Eutrofiëring wordt onder andere veroorzaakt door de afzetting van stikstof, afkomstig uit veehouderij en verbrandingsgassen.

De meeste Europeanen beseffen dat iedereen best zijn eigen steentje kan bijdragen om luchtvervuiling terug te dringen. Zeven op de tien pleit ervoor om prioriteit te geven aan hernieuwbare energie. 63% denkt dat het zou helpen als we zelf de auto minder zouden gebruiken en 54% rekent het vervangen van oude energieverspillende toestellen tot de belangrijkste individuele maatregelen.

2013 is een belangrijk jaar voor de Europese luchtkwaliteit. De Commissie zet in op nieuwe manieren om de luchtkwaliteit te verbeteren. Tot en met 4 maart kan iedereen zijn mening kwijt over de te nemen maatregelen in een online enquête.

Verschenen in Argus Actueel, 16/1/13

 

Interview met Janine Benyus

Biologe Janine Benyus geldt als de moeder van biomimetica of biomimicry. Deze jonge wetenschapstak kijkt naar de manier waarop de natuur de dingen aanpakt om oplossingen te vinden voor wat we maken en hoe we het maken. Want de natuur heeft efficiëntere, schonere en slimmere oplossingen in petto dan de mens.

 

‘Biomimetica is het imiteren van 3,8 miljard jaar R&D’, zegt Benyus zelf. In een eerdere bijdrage hadden we het over de vele voorbeelden van biomimetica die nu al worden ontwikkeld en geproduceerd. Maar wanneer verwacht Benyus de grote doorbraak van biomimetica, en hoe staat ze tegenover andere milieukwesties en duurzame ontwikkelingsproblematieken? We spraken de auteur in juni 2011 in Brussel, aan het eind van een intense wereldtournee. Ze heeft net een ontmoeting met een rist Europese parlementsleden achter de rug en lacht als we vragen of ze uitgeput is. ‘Na vandaag heb ik drie maand vakantie. Ik ga genieten van thuiskomen en dan erop uit met de rugzak, de bergen van Montana in, mijn achtertuin als het ware.’

Het is duidelijk dat biomimetica veel processen en producten efficiënter en milieuvriendelijker kan maken. Hoe stelt u zich de toekomst voor? Zal biomimetica doorbreken door gewoon de markt zijn werk te laten doen, of moeten we biomimetica verplichten?

Janine Benyus: Waarom gaan bedrijven nu volop op zoek naar biomimetica-oplossingen? Waarom zijn durfkapitalisten zoals Steve Juvertson en Swedish Biomimitecs 3000 bereid tientallen miljoenen dollars in biomimetica te investeren? Deels omdat het technologische doorbraken biedt en bedrijven dus een concurrentievoordeel kan bezorgen. Deels omdat biomimetica duurzamer is: minder giftige stoffen, minder input van energie, minder risico voor bedrijven om over ettelijke jaren een proces aan hun broek te hebben. Regelgeving is heel belangrijk voor de doorbraak van biomimetica. Programma’s als REACH verplichten bedrijven om naar andere oplossingen te zoeken. Verzekeraars en zeker herverzekeraars zijn steeds minder bereid bedrijven te verzekeren die gezondheidsrisico’s veroorzaken. Ze willen geen nieuwe tabaksprocessen. Bedrijven staan onder druk om hun vervuilende verleden achter zich te laten. De early adopters zijn er nu al mee bezig: ze willen de milieuwetgeving voor zijn, hun kosten drukken en tegemoet komen aan de wensen van de consumenten, die minder vervuilende producten vragen. We are heading to the age of substitutions. We evolueren naar een tijd waarin heel veel zal worden vervangen door iets beters. We kunnen natuurlijk altijd nog eens een chemische oplossing zoeken die minder slecht is dan de vorige, of we kunnen zien hoe de natuur het oplost en dat imiteren.

Zijn er dingen die je niet kan oplossen met biomimetica? Een biomimetische auto lost het fileprobleem niet op, hoe milieuvriendelijk hij ook is.

Janine Benyus: Dat klopt. Maar toch kan de natuur ons ook op dit gebied heel wat leren. Met het Biomimicry Institute hebben we een 25-tal regels opgesteld, een lijst van best practices die de natuur hanteert, een eco-design-checklist. Eentje daarvan is dat je productie en je voedsel lokaal moet zijn. Zo zit de wereld nu niet in mekaar. Maar net zoals we nu al gedecentraliseerde energiewinning en dito afvalverwerking hebben, zullen we ook gedecentraliseerde productie krijgen. Ik heb het dan over 3D-printing, in het vakjargon additive manufacturing, waarin producten laag per laag worden opgebouwd. Het klinkt nu als sciencefiction, maar het zal weldra gemeengoed worden. Dat betekent kleine lokale fabriekjes en de enige manier om de maatschappij dat te laten accepteren is met schone chemie. Mijn vraag is: kunnen we even slim zijn als de natuur en zorgen voor veilige producten? Daar moeten we nu werk van maken.

Op landbouwgebied pleit u voor meerjarige planten, die sterker staan in de natuur dan onze eenjarige voedingsgewassen. Moeten we afscheid nemen van onze vertrouwde groenten en granen?

Janine Benyus: Toch niet. The Land Institute wil meerjarigheid weer in onze voedingsgewassen inbrengen. Over duizenden jaren heeft de mens de meerjarigheid weggeselecteerd, zodat we de zaden in onze zakken konden meenemen als we weer verder trokken. Het is een langetermijnproces om bijvoorbeeld tarwe terug meerjarig te maken, maar het kan sneller als we er meer energie in stoppen.

Zou zoiets niet sneller kunnen met transgene planten? Bent u voor of tegen GGO’s?

Janine Benyus: Tegen. Ik denk dat we veel te weinig weten over de effecten. Ik vrees zelfs dat een fenomeen als chemische vervuiling in het niets zal verzinken bij de ecologische gevolgen van genetische manipulatie. Ook synthetische biologie vind ik geen goed idee, zelfs al ben ik een wetenschapster en weet ik dat je dat niet niet hoort te zeggen in de wetenschappelijke wereld. Genetische manipulatie was interessant als laboratoriumonderzoek, maar het heeft geen vruchten afgeworpen op het veld. Ik ben wel voor verbeterde teeltmethoden, super-organics en dergelijke dingen, maar allemaal via conventionele methoden, aangevuld met nieuwe inzichten.

Samen met anderen helpt u bedrijven de natuur te imiteren met het Biomimicry Institute. Hoe gaat dat in zijn werk?

Janine Benyus: Na de publicatie van mijn boek vroegen bedrijven naar biologische inspiratie voor hun producten. Zo werkten we al met Nike, Boeing en Kraft. We pakken het aan met wat wij een Amoebe-tot-Zebra-onderzoek noemen. Toen een ziekenhuiswasserij ons vroeg om hun was op een milieuvriendelijker manier te wassen, zochten wij uit hoe de natuur bijvoorbeeld hemoglobine afbreekt. Zo stellen we een taxonomie van mogelijkheden op: allemaal processen die geen giftige stoffen gebruiken, op kamertemperatuur functioneren, zeer efficiënt werken en in een industrieel proces kunnen worden geïmiteerd.

Hoe gaat u om met het patenteren van natuurlijke fenomenen en processen?

Janine Benyus: In een tijd waarin je naar het patentbureau kunt stappen en een levensvorm als een bacterie laten patenteren, is het alleen maar een kwestie van tijd voor een wetenschapper op het idee komt de manier waarop een gekko loopt te patenteren. Ik beschouw dat als diefstal van onze scientific commons [wetenschappelijke gemeenschappelijke goederen, red]. Van de andere kant vind ik het goed dat er gekkolijm is en begrijp ik dat bedrijven dat product patenteren. Maar de nuance is zeer duidelijk in mijn ogen. Hoe we het bij Asknature.org aanpakken is als volgt: we zetten biologische strategieën online, georganiseerd per functie, en dat in een context van design. Advocaten vertellen me dat dat moet volstaan om deze noties in het publieke domein te houden, wat volgens sommigen niet zo zou zijn als het in een wetenschappelijke context zou gebeuren. [Benyus gebruikt de uitdrukking ‘To establish prior art,’ een begrip uit de patentwetgeving, red] Vandaar dat we proberen zoveel mogelijk ideeën te publiceren.

Voor wanneer is de grote doorbraak van biomimetica?

Janine Benyus: Ja, wat wordt de killer app? (lacht) Een zeer ongelukkige woordkeuze in deze context, maar het is iets dat ik me ook afvraag. Velcro gaat al een hele tijd mee. Zelfreiniging volgens het principe van lotusbladeren wordt in heel wat producten gebruikt, maar mensen weten het niet. Je ziet het niet. Ik kan me voorstellen dat mensen er wel over zouden spreken als je vliegtuigvleugels met randen als bultrugvinnen zou zien. Misschien worden het wel zelfbouwende zonnecellen, die we drukken aan een snelheid alsof het kranten zijn? Ik hou wel van die gedachte, omdat het biomimetica op chemieschaal is. Iets dat biomimetica de populair-wetenschappelijke pers en het sf-aura kan doen verlaten, en de techniek naar de mensen thuis brengen. Er gaat tegenwoordig zoveel overheidsgeld naar biomimetica, zoveel universiteiten richten departementen op. Harvard kreeg de grootste individuele gift uit zijn geschiedenis om een instituut voor biologisch geïnspireerde ingenieurswetenschappen uit de grond te stampen: 125 miljoen dollar van de Zwitser Hansjörg Wyss. Duitsland is heel hard bezig rond wat zij Bioniks noemen. Misschien komt de doorbraak er als kinderen ervan dromen een bioloog-designer te worden. Wanneer bedrijven het achterhaald vinden dat er geen bioloog in hun innovatieteam zit. Misschien is biomimetica pas succesvol als het verdwijnt – wanneer het een evidentie is geworden, gewoon een van de manieren waarop we innoveren. Dat bij elk nieuw product als vanzelfsprekend wordt gekeken hoe de natuur zoiets oplost, wanneer er biologische tools zijn geïntegreerd in alle CAD/CAM-software. Dan zal biomimetica gewoon design zijn geworden.

 

Verschenen in Argus Actueel

Alle huizen energieneutraal

Prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit Rotterdam), de peetvader van het transitiemanagement, koestert plannen om alle Nederlandse huizen energieneutraal te maken zonder hulp van de overheid of de banken.

Dezer dagen zet Jan Rotmans zijn schouders onder een initiatief dat de Nederlandse huizen energieneutraal wil maken, gefinancierd door crowdfunding. Vijftien jaar geleden lag hij aan de basis van het transitiedenken. Zevenentwintig jaar geleden waarschuwde de nu 51-jarige wetenschapper voor de gevolgen van de klimaatverandering. Wat ons brengt bij de eerste vraag.

Hoe voelt het om gelijk te krijgen?
Jan Rotmans: “Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant is het verschil met vijfentwintig jaar geleden heel groot. Er is al heel veel goeds gebeurd. Er zijn veel meer mensen met milieu en klimaat bezig dan toen. Tegelijk worden we ingehaald door de werkelijkheid. Eigenlijk is het nog erger gesteld dan we destijds konden vermoeden. De klimaatverandering verloopt sneller dan we ze kunnen bijbenen.”

Wordt u daar moedeloos van?
Jan Rotmans: “Moedeloos of cynisch word ik daar niet van, dat ligt niet in mijn aard. Om met passie mijn boodschap te kunnen brengen, moet je intrinsiek positief ingesteld zijn. Ik stel vast dat de hele samenleving aan het verduurzamen is, maar ik besef dat dat een langzaam proces is. Het kost decennia, maar als je er middenin zit, lijkt het veel sneller te gaan dan als je er vanop een afstand naar kijkt.”

Het blijft moeilijk om mensen in het Westen te bewegen tot milieubewuster leven, terwijl ze weten dat voor elke duurzame mens bij ons er een nieuwe middenklasser in het Oosten opstaat, die ook een auto, een koelkast en een jaarlijkse vliegreis wil.
Jan Rotmans: “Dat is ons grote schrikbeeld, maar ook dat heeft twee kanten. Wereldwijd ontstaat er een nieuwe, groene economie, een circulaire bio-economie zonder CO2-uitstoot. Ook in de ontwikkelingslanden wordt daarin al geïnvesteerd. Tegelijk willen die landen dezelfde welvaartsontwikkeling als wij en daar hebben ze natuurlijk ook recht op. We kunnen ze dat niet ontzeggen.”

Wat betekent dat in de praktijk?
Jan Rotmans: “In China en India zie je zowel de fossiele, zwarte economie als de groene economie aan het werk. De zwarte economie zorgt ervoor dat de huidige generaties zich kunnen ontwikkelen. De groene economie zorgt ervoor dat ook de komende generaties dat voor mekaar krijgen. Eerder dit jaar was ik in China, waar ze binnen tien jaar nog één miljard auto’s verwachten. Je rijdt er over lege autosnelwegen, de hele infrastructuur ligt er al klaar. Toch is de vooruitgang daar niet te vergelijken met de evolutie die wij sinds de jaren vijftig hebben doorgemaakt, want China is nu al bezig met elektrische auto’s. Hopelijk kunnen ze een aantal stappen overslaan en tien keer sneller tot elektrische auto’s komen.”

Wat kunnen de Belgen op het gebied van duurzaam wonen en bouwen leren van Nederland?
Jan Rotmans: “In Nederland gaat ongeveer 35% van het totale energieverbruik naar gebouwen en dat zal in België wellicht niet heel anders zijn. Het is de moeite om dat aan te pakken. Technisch is het mogelijk om woningen energieneutraal te maken met behulp van isolatie, zonneboilers en zonnepanelen. De vraag is hoe we het georganiseerd krijgen. In Nederland volgen we daarvoor twee wegen. Van de 9 miljoen woningen is ongeveer 2,5 miljoen in handen van coöperaties en 6,5 miljoen zijn particulier eigendom. In de coöperaties wonen vaak armere mensen in heel energieverspillende woningen. Als je die huizen energieneutraal kunt maken, heb je twee keer winst: je helpt het milieu en je vermijdt energie-armoede.”

Hoe maakt u het voor huiseigenaars mogelijk om hun woning energieneutraal te maken?
Jan Rotmans: “We zijn bezig met een initiatief om woningen energieneutraal te maken, een initiatief dat we volgend jaar willen lanceren. Wij zorgen ervoor dat je huis energieneutraal wordt, door het huis te isoleren en te investeren in de opwekking van hernieuwbare energie. De kosten die dat allemaal met zich meebrengt, betaal je in tien jaar terug. Het is best wel een simpele rekensom. De noodzakelijke investeringen trachten we te financieren met crowdfunding, al zijn we ook in gesprek met financiële instellingen. Ik kan me echter voorstellen dat we het helemaal zonder banken kunnen redden en trouwens ook zonder overheidsinmenging. Met alle respect voor de goede bedoelingen van de overheid, maar het gaat toch altijd traag als zij zich ermee moeit. Het is trouwens een initiatief dat ook in andere landen perfect toepasbaar is, we hopen heel wat navolging te krijgen.”

Verschenen in Argus Actueel, 14/12/12

‘Vereenvoudigen maakt de dingen moeilijker’

Plan C, het Vlaams Transitienetwerk voor Duurzaam Materialenbeheer, organiseert op 29 november een netwerkdag. Een vooruitblik met keynote speaker Hans Vermaak over hoe transitie in zijn werk gaat en wat de mogelijke valkuilen zijn.

De afgelopen zes jaar is Plan C uitgegroeid van een informeel transitienetwerk rond duurzaam materialenbeheer tot een zelfstandige vzw. De organisatie die verandering hoog in het vaandel draagt, is daarmee zelf ook grondig verveld tot een nieuwe gedaante. Het is tijd om stil te staan en vooruit te blikken. Dat gebeurt tijdens een netwerkdag op 29 november a.s.

ARGUS sprak met auteur, docent, onderzoeker en ‘veranderkundige’ Hans Vermaak, die op die dag de interactieve keynote speech voor zijn rekening zal nemen. Vermaaks roots liggen in de milieubeweging, maar in de loop der jaren zette hij zijn kennis en expertise rond veranderen ook in voor onder meer ontwikkelingssamenwerking, de zorgsector en de bedrijfswereld.

Als we willen trachten de klimaatcrisis en de grondstoffenschaarste tegen te gaan, staat de wereld voor ingrijpende veranderingen. Hoe kijkt u daar als veranderkundige tegenaan?
Hans Vermaak: 
“Algemeen kan je stellen dat hoe groter de diepgang van een verandering is, de planbaarheid en de maakbaarheid verhoudingsgewijs steeds kleiner worden. Bovendien staat de diepgang van deze verandering op gespannen voet met de omvang van de verandering. Bij een grootschalig probleem hebben we de neiging om een standaardaanpak over de hele situatie uit te rollen. Maar dat volstaat in dit geval volstrekt niet, omdat je eerst allerlei dingen moet uitpuzzelen en ontdekken. Uitpuzzelen gebeurt per definitie in het klein: experimenteren vindt altijd plaats op mensenmaat. Vernieuwing is bovendien altijd controversieel, tegen de regels. Het establishment heeft het er altijd moeilijk mee. Vernieuwing geschiedt steeds onder vijandige condities.”

Verandering roept altijd weerstand op. Hier hebben we het over een andere manier van leven, werken, ondernemen, produceren, consumeren en transporteren.
Hans Vermaak: “Het lastige met ‘weerstand’ is dat het een containerterm is. Soms wordt het woord gebruikt omdat mensen iets niet begrijpen. Dat is bij het milieuvraagstuk echt niet het probleem: iedereen weet onderhand best wel wat er aan de hand is. Nog meer communicatie om mensen aan te sporen om het goede te doen, zal echt niet helpen. Weerstand kan ook te maken hebben met onmacht: iedereen wil misschien wel het goede doen, maar niemand krijgt het in zijn eentje voor elkaar. Dat is nu net de essentie van de problematiek en daar is ook iets op te vinden. Maar dan niet op de klassieke manier. Complexe veranderingen zijn multi-actor en multi-factor. Het milieuvraagstuk is een vraagstuk van iedereen en niemand. De beste weg uit zo’n problematiek kennen we allemaal. We maken het elke dag in relaties thuis mee. Niemand gaat in zijn eentje over relaties. Die zijn ook niet maakbaar, uitrolbaar of planbaar, maar wel onderhandelbaar en experimenteerbaar. We kunnen er bovendien lessen uit trekken. Het is zelfs het meest interessante wat er bestaat. Een gezin beginnen is vragen om problemen en toch beginnen veel mensen er aan. Het voordeel van het milieuvraagstuk is dat het tot de verbeelding spreekt. Het gaat ergens over – in tegenstelling tot de afhandeling van de financiële crisis. Voor het milieuvraagstuk kan je van onderaf, met participatie van velen, op de lange termijn iets voor mekaar krijgen: via transitiemanagement.”

Transitiedenken tracht via een sterke betrokkenheid van mensen een verandering in de maatschappij te bewerkstelligen, door samen te zitten, toekomstvisies uit te stippelen, te experimenteren met nieuwe manieren van produceren en consumeren.
Hans Vermaak: “Inderdaad. Er is een vast rijtje eigenschappen die alle vormen van transitie gemeen hebben: het gaat over alle instellingen en partijen heen. Mensen werken samen met andere mensen die heel verschillend denken en die verschillen heb je nodig. Het experiment is de motor en daaruit wordt kennis gepuurd, het is dus een lerend-experimenterend model. De experimenten op zich zijn kleinschalig, maar je maakt omvang door ze op steeds meer plekken te laten gebeuren. Er is ook altijd sprake van eigenaarschap bij direct betrokkenen en facilitering vanuit een soort kernclub om die betrokkenen in hun kracht te brengen. Ook een politieke verankering is essentieel: als je die niet hebt, kan dat je proces breken, maar politieke verankering kan het proces niet maken. Politiek is in dit opzicht breder dan politieke partijen of stromingen: het gaat om vertegenwoordiging van en rugdekking door allerlei belangengroepen, waaronder politieke partijen, de industrie en zo voorts. Maar ongeacht die rugdekking moet de verandering onverkort van onderaf komen. Pas later kan je van boven de volgers een duw in de rug geven. Want zonder de mogelijkheid om dan bepaalde praktijken of wetten aan te passen, is het erg moeilijk om verandering door te zetten.”

Verandering geschiedt nooit onder ideale condities, zegt u. De verandering naar een duurzame samenleving is breed en complex. Hoe slaag je erin om ervoor te zorgen dat mensen toch Plezier beleven aan taaie vraagstukken, om de titel van uw laatste boek te gebruiken?
Hans Vermaak:
 “De taaiheid ontstaat nooit door het vraagstuk zelf, maar door het verkeerd omgaan ermee. Iets wordt pas taai als je het te simpel aanpakt. Vereenvoudigen maakt het moeilijker. Het is net zoals het opvoeden van kinderen. Je kan je tweede kind niet opvoeden door de opvoeding van het eerste te copy-pasten. Hetzelfde geldt voor milieuvraagstukken. We moeten ons hoeden voor de neiging om het te simpel aan te pakken.”

Dreigt complexiteit mensen niet af te schrikken of tot fatalisme aan te zetten? Hoe houd je voldoende mensen betrokken bij de problematiek?
Hans Vermaak: 
“Er zijn verschillende kringen van betrokkenheid. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier betrokken te zijn. Op zich is het uitstekend dat mensen afhaken: niet iedereen wordt warm van hetzelfde vraagstuk. Maar als je er warm van wordt, dan heb je er ook de finesse en aandacht voor over. Als we die mensen hun werk laten doen, boeken ze successsen en die werken aanstekelijk. Ze zullen daarmee uiteindelijk wel genoeg volgers kweken om in hun sporen te treden. Je hebt verschillende kringen en arena’s nodig en die zijn niet allemaal gebaat bij veel belangstelling. Het werk van de experimenteerders wordt daar alleen maar moeilijker door. Na de arena van de experimenteerders komt de arena van de onderzoekers, vakidioten die lessen trekken uit de experimenten en hun inzichten omzetten in taal. Zij communiceren naar het bredere netwerk, waar dan op zijn beurt mensen kansen zien en contacten leggen. Daaruit ontstaan dan weer nieuwe experimenten die opgezet worden onder het maaiveld. Zo zie je drie arena’s elkaar versterken: die van het experiment, van het onderzoek en van het netwerk.”

Een bijkomend probleem in verband met milieu en klimaat is de urgentie: de theoretisch nog af te wenden dreiging van een temperatuurstijging met meer dan 2° C.
Hans Vermaak: “Urgentie heeft de neiging om de roep naar magische oplossingen te vergroten – en dat zijn nu net de meest teleurstellende. Toen ik me dertig jaar geleden intensief met de milieuproblematiek bezighield, vond ik het ook al enorm urgent. Ik kon me niet voorstellen dat het kwartje niet viel: het was vijf voor twaalf en de grote bedrijven wilden er niets mee te maken hebben. Kijk: het vraagt toch de tijd die het vraagt om de experimenten tot een goed einde te brengen. Een deel van de schade zullen we gewoon moeten dragen.”

Ik kom nog even terug op uw idee over weerstand. Volgens mij is er nog altijd erg veel weerstand tegen het vooruitzicht om minder vlees te eten of de auto minder te gebruiken.
Hans Vermaak: “Ik blijf erbij dat dat niet het grootste probleem is. Onze culinaire traditie is voor een belangrijk deel gebaseerd op vlees eten. Je stampt een nieuwe culinaire traditie niet in een paar maanden of jaren uit de grond. Dertig jaar geleden ben ik ook een jaar of twee vegetariër geweest en dat was geen genieten. Tegenwoordig is er veel meer keuze dan de soja en boekweit van toen. Sterrenrestaurants bieden volwaardige vegetarische menu’s aan. Mensen vinden het niet gek om af en toe eens vlees te laten. Duurzame kweek van vis zit in de lift. Op een gegeven moment kom je aan twintig procent biologisch en duurzaam geteeld vegetarisch voedsel en een gegroeide aantrekkelijkheid van gezond eten. Pas dan kan je de rest van de vraag en het aanbod een duw geven. Dan verandert wetgeving, komen er financiële prikkels en geeft de politiek rugdekking. Maar dat kan pas als de moeilijke dingen als een nieuwe culinaire traditie, andere grondstofstromen en de duurzame kweek van producten een feit zijn. De achterblijvers meekrijgen, dat is heus zo moeilijk niet: in vergelijking bijna een kwestie van een pennenstreek. Het voortraject met de innovatie, dat is het moeilijke. En dat moet toch eerst. Je komt er niet door te beginnen met dwang van boven: dat is politieke zelfmoord.”

Ondertussen hebben ook heel wat kleine en grote bedrijven duurzaam ondernemen diep in hun werking laten doordringen. Wat denkt u daarvan?
Hans Vermaak: 
“Vanuit mijn vak blijf ik kritisch kijken naar instituties: die hollen altijd achter de feiten aan. Er gebeuren wel goede dingen, maar het is altijd de achterhoede. De voorhoede, dat zijn individuen binnen instituties die iets doen dat eigenlijk niet mag. Dat zal altijd zo blijven en daar is niets mis mee.”

Wat zijn de grote valkuilen waarvoor Plan C in de komende periode moet uitkijken?
Hans Vermaak: 
“Een van de spannende dingen van transitie is metaalmoeheid. Voor je het weet, ben je een tijdje bezig en is het vuur van de eerste periode gedoofd. Voor je het weet ben je een instituut en gaat dat een eigen leven leiden. Soms moet je het institutionele loslaten, met nieuwe mensen beginnen en en een nieuwe naam bedenken. Daarnaast is de achilleshiel bij transitiemanagement vaak niet het experimenteren of het netwerk, maar de vakgemeenschap die de lessen en concepten genereert. Die heb je nodig om het generiek te maken, om het te kunnen spreiden. Die kundigen moeten een onderzoekershart hebben. Voorts moet je er altijd voor waken om niet steeds in dezelfde groef te belanden, maar om trouw te blijven aan het lerende karakter van elke echte transitie: een vorm van onderzoek-in-actie. Het populariseren daarvan blijft een belangrijk aspect, maar niet het belangrijkste.”

Verschenen in Argus Actueel, 31/10/12

Het nieuwe goud, en hoe het te recycleren

De universiteiten van Leuven en Gent, het Nederlandse TNO en Umicore slaan de handen in elkaar om oplossingen uit te werken voor het nijpende tekort aan grondstoffen, meer specifiek de Rare Earths of zeldzame aarden en andere materialen die van vitaal belang zijn voor de economie.

De meest kritieke grondstoffen

De voorbije jaren definieerde de EU veertien minerale materialen als ‘kritieke grondstoffen.’ Zij kregen die koosnaam omdat hun uitzonderlijke schaarste recht evenredig is met hun uitzonderlijke economische waarde. Het zijn stuk voor stuk materialen die van cruciaal belang zijn voor het oplossen van de energieproblematiek, de transitie naar een groene economie en onmisbaar in heel wat hedendaagse (miniatuur)technologie. Dankzij magneten met zeldzame aarden zijn onze gsm’s vandaag zo performant en compact. Zeldzame aarden zijn nodig voor de werking van windturbines, elektrische auto’s en energiebesparende lampen. Zelfs de meest efficiënte recyclage- en scheidingstechnieken volstaan echter niet om de groeiende vraag te dekken naar de vijf meest kritiekezeldzame aarden: neodymium, europium, terbium, dysprosium en yttrium.

Behalve in onontgonnen voorraden op Groenland en in Zweden bezit Europa geen eigen kritieke grondstoffen. Toch springen we bijzonder nonchalant met deze schaarse en levensnoodzakelijke materialen om. Van nogal wat kritieke materialen ligt het recyclagegehalte onder de 1%: dat is omdat er alleen materiaal gerecycled wordt tijdens het productieproces.

Dat Europa zich ernstig zorgen maakt over de toenemende schaarste van deze cruciale grondstoffen, heeft er ook mee te maken dat China het belang ervan al langer heeft ingezien. 40% van de reserves liggen op Chinees grondgebied, maar door een doorgedreven strategie heeft de Volksrepubliek inmiddels 90% van de verwerking en productie ervan in handen. En de Chinezen doen hard hun best om controle te krijgen over de hele keten van de zeldzame aarden, net zoals ze dat voor veel andere kritieke metalen trachten te doen.

Dit complexe probleem onder controle krijgen, stelt de wetenschap, de overheden en de industrie voor een aantal fantastische uitdagingen. Op 14 september ll. organiseerde de KU Leuven een druk bijgewoond symposium over kritieke grondstoffen met sprekers als dr. ir. Peter Tom Jones van het departement metaalkunde, tevens manager van het kennisplatform RARE3 (Research Platform for the Advanced Recycling and Reuse of Rare Earths, KU Leuven), professor Koen Binnemans (KU Leuven), wereldexpert op het gebied van zeldzame aarden, prof. em. Willy Verstraete (UGent), één van de grondleggers van de Vlaamse (witte) biotechnologie, geoloog Emile Elewaut van het vermaarde Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en dr. Christian Hagelüken, hoofd van de Precious Metals Refining Unit van Umicore.

‘Alle materialen zijn kritiek’

Door de exponentiële groei van de economie en de technologie in de laatste decennia, door de honger naar grondstoffen van de groeilanden en door het hiermee samenhangend toenemend mondiaal verbruik van natuurlijke hulpbronnen, zijn eigenlijk alle materialen kritiek, stelt Emile Elewaut (TNO): “De laatste twintig jaar zijn we mondiaal 40% meer natuurlijke hulpbronnen gaan gebruiken.” Christian Hagelüken van Umicore haalde er een grafiek bij die aantoonde dat er de laatste dertig jaren meer technologiemetalen uit de mijnen zijn gehaald dan in de hele geschiedenis van de mensheid. Ook de detailcijfers over ons hedendaags materialenverbruik zijn verbluffend. “In 2011 kwam 20% van het ontgonnen palladium en kobalt in gsm’s en computers terecht. Toch vertegenwoordigt de waarde van de recycleerbare materialen per gsm maar 1 euro,” stelt Hagelüken. Er is nog een enorm potentieel aan grondstoffen in recent door de mens vervaardigde producten aanwezig. Maar we zullen onze producten anders moeten ontwerpen als we die grondstoffen er later makkelijker willen uit recycleren. Maar recycleren alleen zal niet volstaan om de honger naar grondstoffen te stillen.

Emile Elewaut blijft desondanks optimistisch over de toekomst, met name voor kennisregio’s als België en Nederland, die uitzonderlijk arm zijn aan grondstoffen en dus zo goed als volledig afhankelijk van de invoer. “We hebben een wereldfaam op het gebied van recyclage en verwerking, een toppositie inzake inzameling en herwinning van grondstoffen en een uitgebreid industrieel- en kennisnetwerk.” Die vaststellingen droegen bij tot de vorming van een nieuw samenwerkingsverband dat tijdens het symposium boven de doopvont werd gehouden: het Urban Mining Platform in het kader van het toekomstige Europees Kennis- en Innovatiecentrum (KIC) Raw Materials, dat wordt opgericht in de schoot van het European Institute of Innovation and Technology (EIT). Raw Materials zal een van de toekomstige KIC’s worden, waarvoor de EU – zoals het er nu naar uitziet – in totaal een bedrag van 2,8 miljard euro zal voorzien voor de periode 2014-2020.

Urban mining

Over één ding waren de sprekers het roerend eens op de persconferentie voorafgaand aan het symposium: we kunnen ons niet uit het probleem weg recyclen. Volgens een recente studie die het Duitse Öko-Institut ondernam, ligt het maximale recyclagepotentieel van zeldzame aarden niet hoger dan 10 à 20% van de nieuwe vraag naar zeldzame aarden. Doorgedreven urban mining (het recyclen van grondstoffen uit afgewerkte producten) zal dus moeten worden aangevuld met substitutie (het vervangen van de zeldzame grondstoffen door alternatieven) en daarnaast ook met bijkomende, bij voorkeur duurzame ontginning van zeldzame grondstoffen. Allemaal oplossingen die op hun beurt nieuwe problemen en uitdagingen met zich meebrengen. (…)

Meer over urban mining, duurzame mijnen en subsitutie van materialen in het Argus-artikel.

Wat de geschiedenis ons leert over klimaatverandering

Van 6 tot 9 mei is prof. em. Brian Fagan in het land, een archeoloog en een wereldautoriteit over de geschiedenis van klimaatsverandering. Fagan verzorgt niet minder dan vier verschillende lezingen op die vier dagen (en één besloten sessie voor de Vlaamse MilieuMaatschappij). ARGUS belde hem thuis in Californië voor een voorproevertje.

Klimaatverandering heeft altijd al een invloed gehad op de menselijke beschaving, de landbouw en de economie. Wat is de belangrijkste les die we kunnen leren uit het verleden?
Brian Fagan: “De belangrijkste les is dat we nu veel kwetsbaarder zijn dan ooit tevoren, omdat er zoveel meer mensen op de wereld zijn. Steden als Miami en Amsterdam die amper boven de zeespiegel uitsteken, of er zelfs onder liggen, zijn uiterst kwetsbaar. In vroegere beschavingen telde een stad misschien 5.000 mensen en was het makkelijker om ze te verhuizen. Dat is nu vaak geen optie.
Een voordeel is dat we betere technologie hebben dan ooit tevoren en beter kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar in vergelijking met de Lage Landen is de situatie elders beangstigend, niet alleen in een land als Bangladesh, maar ook voor een stad als Shanghai. We moeten ons dringend beraden over de vraag hoe we tientallen miljoenen mensen kunnen verplaatsen, want het land waar zij wonen, dreigt onder de zeespiegel te verdwijnen. Ze worden trouwens niet alleen bedreigd door de stijging van het zeeniveau, maar ook door orkanen en ander extreem weer.”

U beschouwt droogte als een nog grotere bedreiging dan overstromingen. Wat verwacht u van de komende eeuw?
Brian Fagan: 
“We zullen ons eerst en vooral moeten bezighouden met het recycleren van water en het beperken van het watergebruik. In het licht van de dreigende tekorten aan drinkwater, moeten we het menselijk gedrag veranderen. Dat gebeurt nu al. Los Angeles is bijvoorbeeld bezig met het opvangen van regenwater om watervoerende lagen terug aan te vullen. Ook de recyclage van water zoals in Singapore kan tot navolging strekken.”

Klimaatverandering heeft in het verleden niet alleen negatieve, maar ook positieve effecten gehad. Geldt dat ook voor de toekomst?
Brian Fagan: “Zeker wel. We zijn geneigd om vooral te focussen op dreigende rampen en apocalyptische toestanden, maar er zijn ook voordelen. Het ziet er bijvoorbeeld goed uit voor de landbouw in Canada. Je krijgt eigenlijk een herverdeling van plekken waar voedsel wordt gekweekt. Voor het Amerikaanse Zuid-Westen is dat slecht nieuws, want daar zullen we met grote droogtes te kampen krijgen. Een constante is dat de geschiedenis zich herhaalt. De tsunami van vorig jaar in Japan is voorafgegaan door vele andere. Ook Europa is in het verleden door tsunami’s getroffen, zoals uit geologisch onderzoek blijkt.”

Waarom vergeten we zo makkelijk de klimaatrampen uit het verleden?
Brian Fagan: “Waarom kunnen mensen zo moeilijk geloven dat er ooit een watertekort zal zijn? Ze draaien de kraan open en er stroomt water uit. Ze staan er niet bij stil waar het water vandaan komt. Ook met orkanen en tornado’s zie je dat patroon van ontkenning. Soms grijpt de mens wel in ten gevolge van een catastrofe, of verhuizen mensen, maar al te vaak verkiezen we te vergeten.”

Waarom is de wereld meer bezig met temperatuurstijging dan met watertekort, terwijl dat laatste volgens u een groter probleem is.
Brian Fagan: “Temperatuursveranderingen spreken meer tot de verbeelding, omdat we ze associëren met ijstijden. Het omgekeerde, toenemende temperaturen, zijn we gaan associëren met smeltend ijs en stijgend zeeniveau. Allemaal veel dramatischer klinkend dan droogte. Toch kan je er niet omheen: stijgende wereldtemperaturen betekenen onvermijdelijk meer droogte op veel plekken. Een moeilijk probleem om te verkopen in de media, helaas.”

Hoe kunnen we de dreigende droogte bekampen?
Brian Fagan: “Als we de geschiedenis van water overschouwen, valt het op dat alles fundamenteel veranderd is in de laatste tweehonderd jaar, door de industriële revolutie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat gaf de mens de kans om water uit diepere aquifers of watervoerende lagen op te pompen. Het is trouwens niet toevallig dat de geschiedenis van water oppompen begint met het leegpompen van steenkoolmijnen.
Zo lang de mens alleen afhankelijk was van de zwaartekracht om aan water te geraken, leefde er een bewustzijn dat de watervoorraad beperkt was. In oude beschavingen werd water met veel meer respect behandeld. De religieuze connotaties van water gaan tienduizenden jaren terug. Rituelen brachten de mensen respect voor water bij. Maar bij de Grieken en de Romeinen werd water een product net als alle andere.”

“Het grootste probleem is dat de mens te weinig op lange termijn denkt. Een van de redenen waarom ik er echt naar uitkijk om naar België te komen, is dat België en Nederland de waterhuishouding op de lange termijn bekijken. Dat geeft jullie een een enorm voordeel. In vergelijking met wat jullie doen, zijn de maatregelen van Japan tegen tsunami’s een lachertje.”

Vanuit wereldperspectief gezien: welke evoluties stemmen u hoopvol en wat maakt u bezorgd?
Brian Fagan: “Zorgwekkend is het feit dat er nog altijd mensen zijn die klimaatverandering ontkennen. Hoopgevend vind ik het feit dat meer en meer mensen zich bewust worden van de water- en droogteproblematiek en beseffen dat je dit moet aanpakken vanuit een langetermijnperspectief. Al moet ik daarbij opmerken dat we nog te veel aan onszelf denken en te weinig aan onze kleinkinderen. Positief is voorts het feit dat de wetenschap het klimaat beter begrijpt dan ooit tevoren. Maar de belangrijkste les die de geschiedenis ons kan leren, is het feit dat we mensen zijn, homo sapiens, een slimme soort die in staat is om te denken, te plannen, te innoveren en oplossingen te zoeken zoals geen enkel ander dier dat kan. Ja, er zullen verschrikkelijke rampen plaatsvinden en er zullen vele doden vallen, maar we zullen kunnen improviseren en voortleven zoals we dat altijd hebben gedaan. De grote uitdaging bestaat erin dat we met meer mensen zijn dan ooit tevoren en dat de problemen groter zijn dan ooit tevoren. Ben ik optimistisch? Ja. Ik denk dat we, ondanks de vele slachtoffers, uiteindelijk zullen overleven als mensheid.”

Verschenen in Argus Actueel op 26/4/12

Oliewinning bedreigt Virunga

De Congolese regering gaf toestemming voor olie-exploratie in een beschermd natuurgebied, alhoewel haar eigen wetten dat verbieden.

Het 7.900 km2 grote Nationaal Park Virunga in de Democratische Republiek Congo is de parel aan de kroon van de Afrikaanse wildparken. Virunga is het oudste Afrikaanse nationaal park, in 1925 opgericht door de Belgische kolonisator onder de naam Albert Nationaal Park en in 1979 door de Unesco uitgeroepen tot Werelderfgoed. De biodiversiteit is er fenomenaal: vijftig procent van alle planten- en diersoorten die leven in sub-Sahara Afrika komen voor in dit gebied, dat net iets kleiner is dan de provincies West- en Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant samen en dat in hoogte varieert tussen de 680 en 5109 meter. Van alle nationale parken in Afrika biedt Virunga, mede dankzij de hoogteverschillen, de meest diverse habitats: steppe, savanne, lavavlakten, moerassen, laagland, Afromontane wouden, Afro-alpine vegetatie, de massieven van Virunga en Rwenzori, met hun ijsvelden en de twee meest actieve vulkanen van Afrika. Virunga park is bovendien de plek die 200 van de 720 overblijvende hooglandgorilla’s ter wereld als hun thuis beschouwen.

Bedreigd paradijs

Dit Aards Paradijs wordt ernstig in zijn voortbestaan bedreigd door de steeds toenemende bevolkingsdruk, burgeroorlogen, het gebrek aan law and order, stropers, corruptie, illegale houtkap en houtskoolproductie. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, dreigt nu ook oliewinning een onherstelbare impact te hebben op mens en milieu. Het leek nochtans beter te gaan met Virunga de laatste jaren. De nieuwe directeur, Emmanuel De Merode, kiest voor ecotoerisme en zet in op veiligheid. Dertig procent van de recette van het park vloeit terug naar openbare werken die ten goede komen aan de bevolking die in en om het park woont. WWF heeft een succesvol project lopen, waarbij duurzame houtskool en efficiënte oventjes een aantrekkelijk alternatief bieden voor illegale houtkap. Maar ondertussen werd door de Congolese regering een concessie verleend aan de Britse maatschappij SOCO International om naar olie te speuren in het hart van het beschermde natuurpark. Aanvankelijk zijn alleen verkenningen per vliegtuig gepland, later ook seismische testen. Voor beide ondernemingen heeft SOCO de officiële Congolese toelatingen op zak.

Natuurbeschermingsorganisaties zoals WWF trekken aan de alarmbel. Marc Languy, Conservation Director for Central Africa, stelt: ‘Na jaren van gewapende conflicten, is het hartverscheurend om te zien hoe een oliemaatschappij de mensen en de dieren van het park door winstbejag in gevaar brengt. Oliewinning zal het park niet alleen schade toebrengen via boringen en vervuiling. Ook de bijbehorende toestroom van mensen brengt een risico met zich mee voor verdere conflicten die een vernietigende invloed kunnen hebben op de levens van de lokale gemeenschappen en de bedreigde soorten in het park.’

De toestemming voor exploratie is redelijk Kafkaiaans als je weet dat de Congolese kaderwet op de natuurbescherming olie-exploratie en -ontginning illegaal verklaart, stipt de Congolese natuurbeschermer René Ngongo aan. De UNESCO en verschillende Belgische volksvertegenwoordigers hebben al met klem geprotesteerd tegen de gang van zaken. En ook de lokale bevolking blijft niet bij de pakken neerzitten en lanceerde op 24 maart een oproep aan de regering, de internationale gemeenschap en SOCO om het contract te herzien en de wet toe te passen.

SOCO reageert

De Britse olie-exploratie- en productiemaatschappij waarrond het allemaal draait, tracht inmiddels de internationale en lokale gemeenschap gerust te stellen. Onder het kopje ‘Corporate Responsability’ belooft het bedrijf plechtig om nooit te opereren in extreem waardevolle gebieden, zoals de beschermde zone van de Virunga Vulkanen, de Mikeno-sector waar de gorilla’s verblijven en het regenwoud van de Virunga Mountains. Wat betreft de mogelijke oliewinning in andere beschermde gebieden, is SOCO er naar eigen zeggen van overtuigd dat die deels ten goede zullen komen aan de bevolking, zullen bijdragen tot stabiliteit in de regio, de verbetering van de plaatselijke levensstandaard en het milieu. De UNESCO van zijn kant drukt nogmaals zijn ‘grote bezorgdheid’ uit en herinnert eraan dat ‘olie- en mijnexploratie en -exploitatie specifiek verboden zijn in de beschermde delen van de Democratische Republiek Congo via de wet van 1969 en de mijn- en natuurbeschermingswet van 2002.’ Het belooft nog een spannende strijd te worden tussen unieke natuur en zakelijke belangen.

Verschenen in Argus Actueel, 12/4/12