Slimme sensoren in de sierteelt

Het sierteeltbedrijf Romberama werd afgelopen zomer bekroond door het Innovatiesteunpunt van de Boerenbond, voor de vernieuwende manier waarop ze werken met plantensensoren.

Op het eerste gezicht is Romberama in Loenhout een sierteeltbedrijf zoals een ander, zij het van de grote soort. In serres met een oppervlakte van 2 hectare kweken de broers Raf en Ben Rombouts amaryllissen, een bloem die vooral in Duitsland en Nederland populair is. Die landen zijn goed voor respectievelijk 60 en 35% van de afzet van het bedrijf. Slechts vijf procent is bestemd voor de Belgische markt.

Zeven jaar geleden kwam het bedrijf in handen van de tweede generatie. Innovatie zit de familie in het bloed. ‘Mijn vader was de eerste in ons land die met de kweek van aardbeien in serretunnels begon’, zegt Raf Rombouts. ‘Zo slaagde hij erin aardbeien anderhalve maand voor de concurrentie in de winkel te krijgen. Hij verwarmde als eerste serres met aardgas en pionierde in de hangcultuur voor aardbeien en de hydrocultuur van paprika.’

Ook de amaryllissen groeien niet in volle grond, maar op een substraat van perliet (gepofte lava). Elke vier jaar worden de bloembollen uitgedaan, waarna de bollen een warmwaterbehandeling ondergaan en het substraat gestoomd wordt om ziektes en parasieten te verwijderen. De bollen worden eerst gedroogd in een zelfgebouwde drooginstallatie en daarna ‘gekookt’ in water van 40 °C. De teelt is niet biologisch. Sinds er een plaag heeft gewoed in de serre zien de broers zich af en toe genoodzaakt te sproeien met bestrijdingsmiddelen. Raf: ‘We doen dat zo weinig mogelijk. We gebruiken natuurlijke schimmels om de bollen sterker te maken en werken zoveel mogelijk in harmonie met de natuur. We hebben geen andere keuze: de bestrijdingsmiddelen worden minder sterk, de plagen heviger. Ik ben voor duurzaamheid, maar als ik niet af en toe een correctie uitvoer met de spuit, kost me dat de kop.’

In samenwerking met de UGent test het bedrijf plantensensoren uit. Die sensoren zijn momenteel nog volop bezig met het verzamelen van data. In de tomatenteelt hebben deze sensoren al wonderbaarlijke testresultaten opgeleverd. ‘De sensoren geven informatie over de groei in functie van de relatieve luchtvochtigheid, licht, CO 2en de kastemperatuur. Een infraroodcamera meet de bladtemperatuur. Een algoritme berekent de verwachte groei van de planten. Over die gegevens beschikten we vroeger niet. Die kennis zal ons in de toekomst in staat stellen in te grijpen als de groei versnelt of vertraagt.’

In de praktijk zal de informatie de sierteler helpen om zijn planten tot volle wasdom te krijgen op het moment dat de veilingprijs het hoogst ligt, of de groei vertragen als de prijs te laag ligt. De prijsverschillen zijn aanzienlijk: na de topperiode van eind december kelderen de prijzen en liggen ze soms tot vijf keer lager dan tijdens de eindejaarsperiode. Of het gebruik van de plantensensoren de kosten zal compenseren, valt nog af te wachten. Alles samen is er met de opstelling van de sensoren nu al een investering van 14.000 euro gemoeid.

Voor warmteopwekking en koeling in de serre deden de broers een grotere investering, die hen een energiebesparing tot 50% zou moeten opleveren. Het tuinbouwbedrijf maakt gebruik van een gasgestookte absorptiewarmtepomp die tot 50 kubieke meter water per uur oppompt uit ondergrondse waterlagen, 120 meter diep. Naargelang de behoefte pompen ze warm water op om de serre te verwarmen of koud water om de ruimte en de bollen af te koelen: door een koude periode te simuleren, trekken alle reservestoffen uit het blad zich terug in de bollen, die na het drogen en verwarmen opnieuw gebruikt worden om kwaliteitsvolle bloemen te produceren.

Er wordt bij Romberama zo weinig mogelijk energie verbruikt, regenwater wordt gerecupereerd en de bloembedden zijn geïsoleerd. De broers bouwden heel wat machines eigenhandig: een bladsnijmachine om repetitief werk te automatiseren, een mobiel werkplateau van waarop ze een beter overzicht hebben op de bloemen achterin de serre, een droogtunnel vervaardigd uit oude ventilatoren. Raf met zijn technisch doorzicht en de drie jaar jongere Ben, die handig is, vullen elkaar daarbij perfect aan. Een netwerk van contacten helpt de siertelers om de juiste beslissingen te nemen: de UGent, het innovatiecentrum van de Boerenbond, de energiewerkgroep van het Vlaams Milieuplatform sierteelt en Vito Energy.

Er is maar één groot probleem waar de siertelers mee kampen: het vinden van geschikt personeel. ‘De overheid doet haar best met de invoering van de plukkaart voor seizoenarbeiders, maar het blijkt onmogelijk om Belgen te vinden die dit werk willen doen. Nu laten we mensen overkomen uit Roemenië, voor wie we slaap- en leefgelegenheid hebben moeten bouwen. Daar komt heel wat papierwerk bij kijken.’ Waar Raf Rombouts ook niet mee opgezet is, is de administratieve rompslomp die milieu- en andere vergunningen meebrengen. ‘Voor de warmtepomp alleen heb ik voor 20.000 euro aan milieustudies moeten laten uitvoeren. Voor de bouwvergunning net hetzelfde. Het duurt tot vier jaar voor je een stap verder kunt zetten. Ik begrijp dat vergunningen niet van vandaag op morgen kunnen worden geregeld, maar dat is echt te lang.’

Verschenen in De Standaard, als vierde deel van de Innovatiereeks.

http://www.romberama.be/

Stadslandbouw: eigen kweek eerst

Afgelopen zomer maakte ik mijn debuut in Humo. Voor dit artikel kreeg ik op 25 februari 2013 de Persprijs van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling. Hier de integrale versie zoals verschenen in Humo van 21 augustus 2012.

Vroeger was alles simpel: vóór de moderne kweek-, transport- en bewaarmethoden aten we ’s zomers tomaten, ’s winters witlof en daarmee basta. Tegenwoordig zijn die producten het hele jaar door te verkrijgen en ligt de versafdeling van de supermarkt zelfs putje zomer vol groenten en fruit uit Zuid-Europa en Afrika. Voor wie zijn buik vol heeft van waterige komkommers en overgevlogen Keniaanse boontjes bestaat er gelukkig een alternatief: back to basicsen zélf groenten kweken of oogsten bij de lokale boer.

“Een wortel uittrekken: wat een unieke belevenis!”

De Belgische landbouw boert achteruit. Tussen 2000 en 2009 verdwenen in ons land maar liefst eenenveertig boerderijen per week, berekende doctoraatsstudent Maarten Roels van de UGent. Allemaal boeren die er de brui aan gaven of opgeslokt werden door grotere landbouwbedrijven, omdat ze ondanks miljoenen euro’s Europese landbouwsubsidies niet meer konden optornen tegen goedkoop geïmporteerd voedsel, omdat hun kinderen de hondenstiel van hun ouders niet wilden voortzetten of omdat er maar weinig eer meer te behalen viel met industriële landbouwproducten. Tegelijkertijd is een eigen moestuin weer bon ton. Meer en meer mensen zijn de smakeloze, kilometervretende en in plastic verpakte waar van de supermarkt zo beu dat ze zelf groenten en fruit beginnen te kweken ― in de tuin, op een braakliggend terrein in de stad, op het balkon of op het dak.

Sterrenkoks hebben de laatste jaren de mond vol van het belang van producten en terroir,de eigen streek. Ze koken volgens het seizoen, gebruiken alsmaar meer lokale producten of laten zelfs een eigen groentetuin aanleggen. Zo beschikt driesterrenchef Gert De Mangeleer van het Brugse restaurant Hertog Jan over een eigen akker waar tuinman Bart Praet een vierhonderdtal groenten en kruiden teelt. Maar het fenomeen van de eigen kweek blijft niet beperkt tot hobbykoks, groene jongens en andere kieskeurige consumenten.

Vandaar wellicht dat er binnenkort ook een tv-programma aan dat nieuwe tuinieren gewijd wordt. Hobbyteler Wim Lybaert opereert al vijftien jaar achter de schermen bij Woestijnvis (waar hij onder andere meewerkte aan ‘Man bijt hond’, ‘Weg naar Compostela’ en ‘Meneer Doktoor’), maar als hij niet in Compostela of Siberië vertoeft, zit hij nog liefst van al in zijn moestuin. Vanaf 17 september kunt u in de vooravond de vorderingen van zijn vijftien tomatensoorten en een vijftigtal andere groenten volgen op VIER. Waarop wij dan vragen:

HUMO Waarom?

Wim Lybaert «Mensen van mijn generatie en jonger hebben meestal een grootvader gekend die nog een eigen moestuin had. Ik heb vroeger ook altijd samen met mijn papa in de tuin gewerkt. Als ik collega’s en vrienden over mijn zelfgekweekte groenten vertel, vinden ze het allemaal geweldig, maar bijna niemand doet het nog. Doodzonde dat hun kinderen dat zelf groeten telen niet meer meekrijgen.

»Maar er is dus verandering op komst. Mensen hebben weer behoefte aan traagheid. Wij brengen de dagelijkse evolutie in de moestuin in beeld, om mensen van naaldje tot draadje te leren hoe je een en ander aanpakt.»

HUMO Wat heeft jou ertoe aangezet om een moestuin uit de grond te stampen?

Lybaert «Ik ben geen groene jongen of vegetariër, maar wel een echte hobbykok. Producten die veel kosten, maar naar niks smaken: daar heb ik een hekel aan. Als ik tomates crevettes maak en de moeite doe om een kilo garnalen te pellen en zelf mayonaise te maken, ga ik toch geen smakeloze supermarkttomaten gebruiken?

»Tien jaar geleden woonde ik in het centrum van Brugge en was de enige optie een volkstuintje van de provincie, bevolkt door oude mannetjes die het geweldig vonden dat een jonge snaak van drieëndertig ook groenten wou kweken. Zo’n volkstuintje huren was belachelijk goedkoop: 120 euro per jaar voor tweehonderd vierkante meter.»

HUMO Misschien is het een vooroordeel, maar springen die oude tuinders niet kwistig om met pesticide en kunstmest?

Lybaert «Sommigen wel, maar velen hebben die rommel afgezworen, hoor.

»Ik heb heel veel van die mannen geleerd. Nu heb ik thuis een eigen moestuin, maar ik ga nog elke maand naar die volkstuintjes om met iedereen een babbeltje te slaan. Via mijn buurman daar ben ik in contact gekomen met Velt, de Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren. Zij pleiten ervoor om niet te spuiten tegen ongedierte. Het is per slot van rekening vergif.»

HUMO Kan je met een gezin van vier leven van wat tweehonderd vierkante meter opbrengt?

Lybaert «Als je het hele jaar door in die tuin werkt: zeker. Maar je moet dan wel eten volgens de seizoenen – geen tomaten en komkommers in januari dus. Vorstresistente sla bestaat wel, en putje winter zijn er nog altijd winterwortelen en rode bieten, die je in een kuil kan bewaren met wat hooi erop. Laten we zeggen dat je pas naar de groentewinkel moet als het vijftien graden vriest.»

HUMO En hoeveel uur per week sta je dan te schoffelen?

Lybaert «Nu veel meer dan anders, omdat alles perfect in orde moet zijn voor mijn tv-programma, maar in mijn volkstuintje hield ik me aan vier uur per week, elke zaterdag samen met mijn vrouw. Alleen in de winter ligt het drie maanden stil, op wat spruiten oogsten na.»

HUMO En in ruil voor die noeste arbeid eet je een heel jaar gratis groenten.

Lybaert «Die gratismythe moet ik helaas doorprikken. Je kan natuurlijk heel goedkoop telen als je je beperkt tot wat kolen, aardappelen, tijm en peterselie. Maar vergeet de aanschaf van het tuingereedschap niet. En ook plantgoed en zaden kosten wel wat.

»Ik kweek graag groenten die je niet in de winkel kan kopen: blauwe en gestreepte tomaten,coeurs de boeuf, citroenkomkommers, vijftig verschillende groenten in totaal. Aan kruidenplantjes kan ik makkelijk 30 euro uitgeven. Er bestaan zelfs tomatenzaden die 2 euro per stuk kosten, maar die koop ik niet.»

Hof van Eden

De laatste jaren zijn volkstuintjes niet langer het exclusieve domein van gepensioneerden. Hippe vogels herontdekten de lapjes grond, met vaak lange wachtlijsten tot gevolg. Ook collectief tuinieren zit in de lift: er zijn gemeenschapstuinen in Gent, Brussel, Kortrijk en sinds dit jaar ook in Antwerpen, op Linkeroever.

Op een braakliggend terrein achter het Afdelingsbureel West van de Antwerpse politie staan plastic zakken met groenten die afgelopen lente gezaaid werden. Een dertigtal moestuinliefhebbers heeft de gemeenschappelijke zakken en de privézakken dagelijks water gegeven en onkruidvrij gemaakt, nu is alles klaar om geoogst te worden. Coördinatrice Heleen Vanden Bergh van het Antwerpse cultuurcentrum Link loopt er met haar flashy rubberlaarzen bij als een echte stadsboerin. Ze haalde de mosterd voor de Antwerpse Biodroom in de Berlijnse wijk Kreuzberg, waar buurtbewoners in 2009 een braakliggend stuk grond transformeerden tot de gemeenschappelijke moestuin Prinzessinnengärten. Maar hoe werkt dat eigenlijk, zo’n gemeenschappelijke moestuin?

Heleen Vanden Bergh: «Wie één uur of meer in de tuin werkt, mag zelf groenten oogsten en mee naar huis nemen. Hoe meer je gewerkt hebt, hoe minder je betaalt. Als je vier uur hebt getuinierd, mag je een eigen zak beginnen, maar de meeste mensen werken liever in het gemeenschappelijke gedeelte.»

Vandaag, op een zaterdag die twijfelt tussen zonnig en bewolkt, zijn er niet zo veel tuinders aan de slag: buurtbewoonsters Sonja en Mieke en de Afghaanse Borgerhoutenaar Najibullah. Twee kleine meisjes, Loeka en Jessica, stoppen hun mond vol met aardbeien, vers van de struik. Ik sla een praatje met Mieke, die gelukzalig glimlachend – alsof ze de Hof van Eden heeft teruggevonden – vertelt. Zelf groenten kweken kan kennelijk ook een natural high veroorzaken.

Mieke Versées: «Ik heb een eigen zak waarin ik radijzen, rozemarijn en citroenmelisse kweek, en uit de gemeenschappelijke zakken leer ik groenten kennen, zoals Nieuw-Zeelandse spinazie. Het is onbeschrijfelijk plezant, je eigen groenten en fruit eten. Wij kweken hier de lekkerste aardbeien van de hele wereld: superzoet. De Biodroom is een paradijs: als ik even tot rust wil komen, kom ik hierheen. Volgens mij is even in de grond wroeten beter dan een bezoekje aan de psycholoog.»

Bij ons zijn gemeenschappelijke moestuinen als de Biodroom in Antwerpen, Eetbaar in Kortrijk en De Site in Gent nog vrij nieuw, maar in New York bestaan ze al veertig jaar. Na de financiële crisis van de jaren zeventig kwamen daar heel wat terreinen braak te liggen, en die werden deels ingepalmd door vrijwilligers – die hebben inmiddels meer dan zeshonderd gemeenschappelijke tuinen uit de grond gestampt.

Tegenwoordig is New York ook de hoofdstad van de commerciële stadslandbouw: bedrijven kweken op hun grote daken groenten die lokaal geconsumeerd worden. Geen transportkosten en geen uitstoot! ‘Dat kan hier ook,’ dacht informaticus Filippo Dattola, en de in Brussel wonende Italiaan begon afgelopen januari een moestuin aan te leggen op het dakterras van de Koninklijke Bibliotheek, op de Kunstberg vlak bij het Centraal Station. Zijn demonstratietuin is klein bier in vergelijking met de stadsboerderij (oppervlakte: drieduizend vierkante meter) die tegen 2013 op het Anderlechtse slachthuis zou komen te liggen.

Het is surrealistisch, zo’n groentetuin op betonnen tegels, vijf hoog boven Brussel. Op het vierhonderd vierkante meter grote dakterras van het gebouw waarin alle in België verschenen boeken worden bewaard, staan zwarte zakken met teelaarde, waarin sla, bloemkool, ajuin, wortelen en kruiden groeien. Filippo Dattola graaft met zijn handen een kuiltje in een zak met aarde om er een tomatenplantje in te planten dat hij vanaf het zaadje heeft opgekweekt. Beneden toeteren en stinken de auto’s, maar hier heerst een bijna landelijke rust. De deeltijdse stadsmoestuinier Filippo, die de stiel heeft geleerd in de Brusselse collectieve tuinen van Le Début des Haricots, blijkt een man met een missie.

Filippo Dattola: «Ik doe dit om te bewijzen dat je op een duurzame manier groenten kan kweken, midden in de stad, met een minimaal budget en zonder leidingwater, stroom of meststoffen. Met het water uit onze regenwatertanks kunnen we de grond nat houden, en het elektrische pompje dat het water rondleidt, werkt op zonne-energie van een zonnepaneeltje.»

HUMO Kan je er ook van leven?

Dattola: «Ik heb een halftijdse baan in een drukkerij. Dit jaar zal ik hoogstens 2.000 euro verdienen met de verkoop van groenten, maar ik hoop dat ik hiermee een nieuwe job voor mezelf creëer, dat het Brusselse gewest me een loon wil geven om mensen te inspireren, scholen rond te leiden en groenten te kweken voor lokale consumptie.»

HUMO Zijn groenten die tussen de uitlaatgassen en het fijn stof groeien wel zo gezond?

Dattola: «Fijn stof is vooral op straat geconcentreerd: op een daktuin heb je daar minder last van. Ik schat ook dat de meeste fijne partikels van de groenten verdwijnen als je ze goed wast. En ik vraag me af: als we ons zorgen maken over de eetbaarheid van groenten uit de stad, waarom wonen en werken we er dan zélf in?»

In zijn daktuin heeft Filippo niet veel last van ongedierte: een aantal planten beschermt hij met netten tegen vraatzuchtige vogels, en ongewenste insecten bestrijdt hij met een insectenhotel, een houten kastje waarin nuttige insecten als lieveheersbeestjes, graafwespen en gaasvliegen onderdak vinden. Voor de bevruchting van de planten zorgen de bijen van één van de verschillende stadsimkers die Brussel rijk is. Ook in Gent en Antwerpen zijn er actief ― hun honing zou zelfs lekkerder zijn dan die van het platteland, door de grote biodiversiteit in parken en stadstuinen.

 

Boerende stadsmens

Allemaal best sympathiek en goed voor de sociale cohesie, die stadsbijen, gemeenschappelijke moestuinen en landbouwbedrijfjes op een dak, maar heel veel groenten en fruit leveren die boerende stadsmensen tot nader order niet op. Daarvoor hangen we toch nog altijd af van professionele landbouwers. Maar ook die beginnen het belang van de doe-het-zelvende consument in te zien.

Tussen de Leuvense Abdij van Park en de Brabanthal ligt Het Open Veld van Tom Troonbeeckx. Het is de eerste van de ondertussen dertien ― even diep ademhalen ― community supported agriculture-boerderijen die ons land rijk is. Er wordt uitsluitend gewerkt met leden, die via hun lidgeld de kosten en het loon van de boer vooraf betalen. In een goed jaar delen ze in de weelde van een rijke oogst, in een slecht jaar heeft de boer toch nog een inkomen, maar de leden wat minder te eten.

Tom Troonbeeckx is een tot bioboer omgeschoold maatschappelijk assistent die zo goed als in zijn eentje anderhalve hectare land bewerkt en daar een meer dan gemiddeld loon aan overhoudt. De driehonderdtwintig leden uit Leuven en omgeving bepalen mee wat er geplant wordt. Tom zaait, plant en wiedt, maar oogsten doen ze zelf. Als het zover is, stuurt Tom een mail en komt iedereen zijn sla of selder snijden, courgettes plukken of eieren halen.

Het gaat er bijzonder gemoedelijk aan toe op Het Open Veld. Marie komt aan, neemt een mes uit het schuurtje en stapt het veld op, waar ze wat selder afsnijdt en een venkel uit de grond trekt. Twee oudere klanten komen aan boer Tom vragen of er weer eieren zijn ― een vos, nochtans géén lid van de boerderij, heeft onlangs lelijk huisgehouden in het kippenhok. Tom legt zijn gereedschap neer, gaat eieren rapen en komt terug naar het bed met snijselder, waar hij al schoffelend op onze vragen antwoordt.

HUMO Waarom kies je voor een systeem waarbij de leden zelf oogsten?

Tom Troonbeeckx «Omdat dat het minst belastend is voor het milieu. Ik zag ertegenop om een bestelwagen te kopen, opslag en koeling te voorzien en veel energie te verbruiken. Zelfoogst lost dat op. Wij moeten veel minder stockeren. Alleen de aardappelen rooien we gezamenlijk, met een aantal vrijwilligers. Zelfoogst zorgt voor minder investeringen, minder transport en minder energieverbruik, en de mensen leren nog wat bij over hun voedsel ook. Een wortel mogen uittrekken is voor stadsmensen een unieke belevenis – hoe onnozel dat misschien ook klinkt.»

HUMO Blunderen die mensen dan niet vaak op het veld?

Troonbeeckx «Dat valt mee. Ik schat dat hoogstens 2 procent van de opbrengst verloren gaat door foutjes. Ter vergelijking: in de gewone voedseldistributie gaat tot 40 procent van de opbrengst verloren. Er wordt hier weleens over een perceel pas ingezaaide worteltjes gelopen, en iemand heeft ooit per ongeluk aardbeienloofsoep klaargemaakt, maar daar ga je niet van dood.»

HUMO Hoe vermijd je dat de leden het veld leegplunderen?

Troonbeeckx «Ze betalen per persoon lidgeld om te mogen plukken voor vers gebruik. Die vaste bijdrage van 230 euro zorgt ervoor dat het risico verdeeld wordt: als het echt misgaat, hebben we allemaal wat minder. Ik controleer niet wie wat plukt en zolang niemand te weinig heeft, kan het mij niet veel schelen dat er eens iemand wat te veel meeneemt. Maar ik heb het gevoel dat iedereen zich over het algemeen heel goed aan de regels houdt. Vertrouwen: dat is de basis van een mooi, modern en rendabel landbouwbedrijf.»

Verschenen in Humo, 21/8/12

Innovatoren 3: Ecover – Wassen met planten

Van geitenwollensokkenproduct uitgroeien tot een groen ­A-merk, het is weinig bedrijven gegeven. Hoe slaagde Ecover erin?

Sinds de overname van zijn Amerikaanse concurrent Method vorig jaar mag het bedrijf Ecover zich het grootste milieuvriendelijke schoonmaak- en verzorgingsmiddelenbedrijf ter wereld noemen.

Het begon allemaal 34 jaar geleden in een garage in Malle, waar een groep eco­pioniers onder leiding van Frans Bogaerts besliste fosfaatvrij waspoeder te produceren om de impact van de mens op het mi­lieu te verminderen. Die oorspronkelijke producten van Ecover waren zeker beter voor het milieu dan conventionele waspoeders, maar echt goed reinigen deden ze niet – een imago dat Ecover door ingrijpende product­innovatie trachtte af te schudden.

Diamantmodel

Tom Domen (38), sinds twee jaar long term innovation manager bij Ecover, zegt: ‘We zijn in de jaren negentig geëvolueerd van een no-code naar een yes-code: in plaats van ingrediënten uit producten te halen omdat ze slecht zijn voor het milieu, stoppen we er dingen in die natuurlijk zijn en werken.’

Cruciaal in die ontwikkeling was de R&D-manager Dirk Develter. Hij bedacht het diamantmodel, een matrix van aanvankelijk vijf en vandaag dertien parameters, waarop elk Ecover-product steeds beter moet scoren, ook in vergelijking met conventionele producten: efficiëntie, impact op gezondheid en milieu, de oorsprong van de grondstoffen, het transport, de verpakking, het ontbreken van petroleumderivaten en VOC’s (vluchtige organische componenten, zoals oplosmiddelen, die schadelijk kunnen zijn voor gezondheid en milieu) enzovoort. Vandaag bestaan Ecover-producten voornamelijk uit plantaardige componenten (75 tot 100 procent), terwijl dat bij de conventionele producten rond 40 tot 50 procent ligt.

Raapzaadolie

Midden jaren negentig ontwikkelde het bedrijf een plantaardig detergent dat onder andere uit palmolie bestond, en een veel lagere toxiciteit had in vergelijking met de petrochemische varianten. De door Ecover gepatenteerde, met IWT-steun tot stand gekomen EcoSurfactants uit 2010 gaan nog een stap verder. Dat zijn natuurlijke oppervlakteactieve stoffen die, in tegenstelling tot hun petrochemische broertjes, op lage temperaturen door vergisting worden geproduceerd en volledig bio­afbreekbaar zijn. Ze stelden het bedrijf in staat het gebruik van tropische ­oliën aan banden te leggen en over te schakelen op onder andere raapzaadolie.

Tegenwoordig onderneemt Ecover samen met onder andere Fisch (Flanders Innovation Hub for Sustainable Chemistry, een samenwerking van Vito, de federatie van de Chemische industrie en de Vlaamse universiteiten) nieuwe stappen om alternatieve grondstoffen te ontwikkelen.

Afvalstromen

Ondertussen werden ook de conventionele merken stilaan ecologischer. De vermaledijde fosfaten waarmee het meer dan dertig jaar geleden voor Ecover begon, zijn inmiddels verboden in waspoeders en binnenkort ook in vaatwasproducten. Dreigt Ecover als groene innovator niet ingehaald te worden door de werkelijkheid en overbodig te worden?

‘We zijn alvast nog niet zover dat iedereen volledig biologisch afbreekbare ingre­diënten gebruikt, gebaseerd op plantaardige grondstoffen en zonder milieu- en gezondheidsrisico’s,’ zegt Tom Domen. ‘In tegenstelling tot de conventionele merken willen wij bijvoorbeeld geen optische witmakers in onze wasmiddelen en geen schuimversterkers in de afwasmiddelen. Wij kijken ook al een stap verder, naar duurzaam aankopen, het vermijden van voedings­gewassen en het kiezen voor afvalstromen. In onze afwastabs zit al een ingrediënt afkomstig uit graanafval.’

Tussen droom en daad zitten ook bij Ecover nog tal van praktische bezwaren. Zo schakelde het bedrijf twee jaar geleden over op de plantastic-flacons. Dat is een verpakking die volledig op basis van duurzaam suikerriet is gemaakt, en toch gewoon meekan met de PMD-fractie, waar ze samen met plastic flessen kan worden gerecycleerd. Innovatief, maar niet perfect, want suikerriet is een voedingsgewas dat bovendien over grote afstand moet worden getransporteerd.

‘Die kritiek is terecht’, zegt Domen, de geestelijke vader van Plantastic. ‘Soms moet je op een ontwikkeling springen, ook al weet je dat ze nog niet perfect is, in de overtuiging dat de investering uiteindelijk leidt tot een beter alternatief. Van afval vertrekken voor plastic is voorlopig nog niet commercieel haalbaar, maar we staan er niet ver meer van af.’

Biomimicry

Voor de toekomst verwacht de long term innovation manager veel van biomimicry of biomimetica, een innovatiemethode die ervan uitgaat dat we ons voor producten en processen best inspireren op de 3,8 miljard jaar research & development van de natuur. Tom Domen: ‘Vroeger waren we tevreden dat we natuurlijke grondstoffen gebruikten, nu weten we dat er meer uit de natuur te halen valt door een grondig begrip van de natuurlijke processen. In onze nieuwe langetermijnvisie passen we de biomimicry-principes toe op onze producten, productieprocessen, verpakkingen en op de organisatie. Zo vraag ik me af of we over tien of twintig jaar nog wel grote fabrieken moeten hebben waarnaar je een massa grondstoffen transporteert, en waaruit dan alles weer vertrekt naar de consument. Zou het niet veel beter zijn om met lokale grondstoffen en afvalstromen onze producten te maken? Dat is nu nog niet realistisch, maar het besef leeft dat het de toekomst is.’

www.ecover.com

Derde deel uit de Innovators-reeks, verschenen in De Standaard

Ralph Thurm: Een stap verder dan duurzaamheid

Op woensdag 30 januari komt Zeronaut Ralph Thurm naar Antwerpen. Hij is in ons land nog niet echt bekend, maar zijn systematische en holistische aanpak van MVO- en duurzaamheidskwesties maken hem tot een zeer boeiende vertegenwoordiger van de wereldwijde transitiebeweging.

Thurm staat voor een holistische aanpak van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen en brengt dat in zijn twee jobs en in zijn manier van leven en werken in de praktijk. Hij is Directeur Collaborative Sustainability & Innovation bij Deloitte Nederland en runt daarnaast sinds september 2012 zijn eigen consultingbedrijf A|HEAD|ahead, waarmee hij meer radicale en experimentele duurzaamheidsoplossingen uitwerkt. ‘Misschien kunnen dat wel toekomstige services van Deloitte worden,’ zegt hij. ‘Bij Deloitte zijn we al een paar jaar bezig om duurzaamheid een onderdeel van alle werkzaamheden te maken. Duurzaamheid is een cross-cutting issue dat overal in de organisatie te voelen en te zien moet zijn. Zo krijg je ook meer authenticiteit en een groter gevoel van ownership bij de mensen. Daarnaast trachten we duurzaamheid en innovatie dichter bij mekaar te brengen, omdat het twee kanten van dezelfde medaille zijn. Waarbij ik me tussen haakjes zelfs afvraag of je innovatie die niet duurzaam is, überhaupt nog innovatie kunt noemen.’

Van minder slecht naar goed genoeg

Is Deloitte er al in geslaagd om de hele organisatie doordesemd te maken van de duurzaamheidsgedachte?

Ralph Thurm: ‘Nou, er is nog wel wat werk aan de winkel. Duurzaamheid is een reis. Het is kwestie om niet alleen intern de neuzen richting duurzaamheid te zetten, wat mede door het relatief grote verloop van personeelsleden heel wat werk vergt, maar ook de klanten er warm voor te maken nog voor ze er zelf aan denken.’

Bedrijven hebben de mond vol van maatschappelijk verantwoord ondernemen en streven naar duurzaamheid, maar wat bakken ze er in de praktijk van? Zijn internationale standaarden de oplossing om het onderscheid te maken tussen greenwashing en echte verduurzaming?

Ralph Thurm: ‘Als je A en B wil vergelijken, moet je dat op dezelfde basis doen. Ja, standaarden, guidelines, technische protocollen en duidelijke indicatoren zijn nodig. Maar de eigenlijke vraag is: hanteren we wel de juiste standaard? John Elkington zei het me anderhalf jaar gelden als volgt: “Het enige dat we weten, bijna twintig jaar na Rio, is dat we minder slecht zijn geworden.” We weten eigenlijk niet wat het minimale is dat goed genoeg is voor onze planeet. We moeten evolueren van efficiëntie-gedreven indicatoren naar impact-indicatoren. Zeker nu we over steeds meer data beschikken, zoals de verschillende aspecten van de ecologische voetafdruk en het monetariseren van ecosysteemdiensten. To be less bad is not good enough anymore. We moeten leren meten wat minimaal goed genoeg is, zoals Elkington ook bepleit in zijn boek Zeronauts: Breaking the Sustainability Barrier.’

U pleit voor Zero Impact Growth (ZIG). Wat moeten we ons daarbij precies voorstellen?

Ralph Thurm: ‘Het begrip Zero Impact Growth komt voort uit het zoeken naar wat nu wél goed genoeg is. Wat is het minimum dat alle industrieën elk op hun manier moeten bereiken om ons in staat te stellen op een bepaald welvaartsniveau binnen de planetaire grenzen van de Aarde te leven? Nu is het zo dat elke bedrijfstak zo’n beetje definieert wat hij denkt dat duurzaam is binnen zijn industrie. Men toetst midden- en langetermijndoelstellingen, maar werkt niet aan een onderling afgestemd adaptatieplan. De rode draad doorheen de gesprekken in Zeronauts van John Elkington is het streven naar groei met nulimpact. Maar daarmee begint het alleen nog maar. Eigenlijk moeten we meer willen: regenerative growth en positive impact growth (PIG): meer teruggeven dan wat wij van de planeet nemen. Anders zijn we vanwege de rebound effects door klimaatsverandering en bevolkingsgroei eenvoudigweg ten dode opgeschreven.’

Kan elk bedrijf in elke sector ZIG of PIG bereiken? Ook staalbedrijven, vliegtuigbouwers, mijnbouwbedrijven en bedrijven in de fossiele brandstofsector?

Ralph Thurm: ‘Er is in ieder geval nog heel veel potentieel voor bedrijven in de energiesector om minder CO2 uit te stoten, in te zetten op hernieuwbare energie en om hun netwerken slimmer te maken. Betekent zulks dat ook een consumentenbedrijf als Unilever per se ZIG moet zijn? Dat is een afweging. De vraag is: wie doet wat het best en hoe kunnen wij met elkaar samen zo snel mogelijk successen boeken? Want tegenwoordig doet iedereen een beetje van alles. Belangrijk is dat wij afgestemd op elkaar een beeld van Zero Impact Growth moeten vastleggen, en dat is al zeer moeilijk.’

Een nieuwe generatie van transparantie

De impact van ZIG/PIG voor het milieu en het klimaat is duidelijk. Wat betekent het voor de groei en de winstgevendheid van de bedrijven?

Ralph Thurm: ‘Zero Impact Growth betekent niet Zero Growth. We hebben groei nodig, maar dan wel groei naar dingen of situaties die we met zijn allen willen hebben. Het betekent ook precies kunnen meten wat precies de situatie is op deze planeet. Zo lang niemand dat echt kan zeggen, blijven alle inspanningen veel te incrementeel en komen wij ook niet verder met duurzame regelgeving voor een nieuw economisch stelsel en incentivesysteeem.’

Moet ZIG/PIG op termijn wereldwijd de norm worden?

Ralph Thurm: ‘We moeten komen tot nieuwe spelregels in de economie waarbij het niet anders kan dan juist te handelen. Moet dat via regels en wetten? Waarschijnlijk wel. Maar het is ook meer dan dat. Momenteel zitten de incentives verkeerd in ons economisch bestel. In het vaarwater van een Zero Impact Growth-adaptatieplan moeten we komen tot true costing, true pricing en true taxation. De prijzen moeten de werkelijke totale kosten weerspiegelen, we moeten komen tot een internalisering van externe kosten.’

Hoe kan de internalisering van externe kosten worden geïmplementeerd?

Ralph Thurm: ‘Er zijn meer dan genoeg consultants die dat kunnen berekenen. We moeten het nog wel eens raken over de juiste standaarden die uitgaan van correcte gemiddelden en niet opnieuw appelen met peren vergelijken. True costing heeft enorme effecten op de profit- en loss-accounts van de bedrijven en de prijzen van de producten. Om dat op een sociaal aanvaardbare manier te regelen, zal de overheid de taxatie anders moeten aanpakken. Daar is alle reden toe, want op dit moment wordt het meest waardevolle, de menselijke arbeid, het zwaarst belast. Terwijl dingen die bedreigend zijn voor de toekomst van onze planeet nauwelijks of helemaal niet worden belast. Als je erin slaagt om dat op orde te krijgen, is het niet langer de vraag of een bedrijf meedoet of niet: iedereen wordt gewoon meegesleurd. Maar je moet het mondiaal aanpakken, met aandacht voor lokale verschillen, of je hebt geen eerlijke concurrentie. Ook moeten wij het zo regelen dat de totale kosten voor de consument ongeveer gelijk blijven en niet tot nieuwe sociale spanningen leiden.’

Klinkt aanlokkelijk, maar is dat geen illusie? Zijn grote bedrijven niet machtiger en meer eensgezind dan alle regeringen van de wereld samen?

Ralph Thurm: ‘Het is enorm moeilijk omdat we in een andere economische en kapitalistische logica leven. Toch zijn er vandaag in alle industrieën een aantal leidende spelers die stellen dat we nu moeten handelen als we niet over twintig jaar met zijn allen ten onder willen gaan. Zo heeft Puma zijn eerste environmenal profit & loss account opgesteld en zijn ze bezig aan een tweede die nog meer aspecten omvat, niet alleen CO2, energie en water. Met het risico dat ze door iedereen bekeken worden en dat er heel wat gevoelige informatie bekend gemaakt wordt. Ze doen dat zodat iedereen zou begrijpen waarom ze het doen en zodat men hun voorbeeld zou volgen.’

Makkelijk, zo’n environmental profit & loss account, als je de externe kosten niet echt moet betalen.

Ralph Thurm: ‘Dat is een veelgehoorde kritiek. Maar dit is een case die enorm wordt onderschat. Niet alleen vanwege de ongeziene transparantie, maar ook door het aanscherpen van het bewustzijn binnen het bedrijf van zijn echte impact op het milieu. Het blijkt bovendien een enorme drijver voor innovatie, omdat Puma ervan overtuigd is dat die externe kosten ooit echt wel zullen moeten worden betaald. Vandaar de beslissing om nu al volledig leervrij te worden: 70 tot 80% van de ecologische voetafdruk van Puma situeert zich in de landbouwsector en heeft te maken met CO2-uitstoot bij de productie van leer. Het is een zeer holistische aanpak, gebaseerd op een nieuwe generatie van transparantie. Dit versnelt ook de innovatiekracht van zo’n bedrijf, ze trekken de toekomstige internalisatie van externe kosten naar het nu. En het maakt een einde aan de statische “Ja maar”-discussies waarin zoveel milieukwesties verzeilen.’

Het voordeel van een crisis

Verwacht u in de toekomst een geleidelijk proces van verandering naar meer duurzaamheid of een grote revolutie?

Ralph Thurm: ‘Ik verwacht niet één grote ommeslag, maar wel relatief veel aardbevingen en aardverschuivingen. Het zal niet allemaal soepel en lekker verlopen. We staan aan het begin van een transitiefase. Het interessante is dat aan het merendeel van de maatschappelijke en economische transitiefases in het verleden een financiële crisis is voorafgegaan. Zeker als blijkt dat je de crisis niet alleen met financiële ingrepen kunt oplossen. Daarnaast spelen nog veel andere domino-effecten mee, zoals de voedsel- en de klimaatcrisis. Je ziet nu echt ook een mentaliteitsverandering optreden.’

Hoe zou u die mentaliteitsverandering precies omschrijven?

Ralph Thurm: ‘Consumenten willen meer informatie over de duurzaamheid van de producten die ze kopen. Het marktaandeel van de LOHAS – een acroniem voor Lifestyles of Health and Sustainability – neemt toe. In Duitsland gaat het over een actieve community van een half miljoen mensen. Ze streven niet alleen naar gezonder eten, maar kiezen er ook voor om meer tijd met familie en vrienden door te brengen en wensen uitdrukkelijk een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Auteur Paul Hawken beschrijft de wereldwijde shift naar duurzaamheid, die veel groter is dan je denkt, treffend in The Blessed Unrest. Ik denk dat we technologisch gezien over alle middelen beschikken om de Duitse Energiewende (de systematische overstap op groene energie, red.) ook in andere landen te laten plaatsvinden. Volgens mij ontbreekt het ons alleen nog aan een intelligente en meeslepende manier om iedereen mee te krijgen.’

Op uw blog hield u onlangs een pleidooi voor Thrivability – een Nederlands woord is altijd welkom – als een stap verder dan MVO en duurzaamheid. Wat verstaat u daar precies onder?

Ralph Thurm: ‘Ik vrees dat “sustainability,” “the ability to sustain” de mensen niet genoeg aanspreekt. Wat is de overtreffende trap? “Thrivability,” “the ability to thrive” in het Nederlands nog het best te vertalen als “de zoektocht naar tevredenheid en geluk.” Is dat niet de diepste wens van de mens? Met zijn allen gelukkig zijn. Kunnen zeggen dat we een moeizame maar waardevolle bijdrage hebben geleverd. Er bestaan ook mooie modellen op het gebied van het menselijk bewustzijn, zoals Theory U van Otto Scharmer of het werk van Ken Wilber. Het gaat tenslotte niet alleen over systeeminnovatie, maar om mensen mee te krijgen: individuele en culturele innovatie dus. Als mensen begrijpen wat systeemgrenzen zijn, dan komt de rest van de innovatie eigenlijk vanzelf. Dat hoop ik tenminste. Ik denk dat de volgende twintig jaar enorm moeilijk maar super-interessant zullen zijn. Het wordt enorm boeiend om deze innovatie-wave mee te maken, ook omdat ze alomvattend is, van systeeminnovatie en culturele innovatie naar proces-, product- en service-innovatie. Veel megatrends bieden aanzienlijke uitdagingen, maar dragen ook enorme mogelijkheden in zich.’

U bent al 20 jaar actief in de duurzaamheidssector en mag nu de eretitel Zeronaut dragen. Bent u zelf ook een groene en geëngageerde consument?

Ralph Thurm: ‘Als ik vlieg, zorg ik altijd voor een CO2-offset. Die betaal ik zelf. Ik probeer altijd zoveel mogelijk van thuis uit te werken. Ik rij met een heel zuinige kleine auto. Ik zet mijn schouders met plezier onder heel wat maatschappelijk werk, zoals voor Global Compact en deTurntoo Foundation in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Midden-Oosten met het Arabia CSR Network.’

Wat was uw oorspronkelijke motivatie om u te verdiepen in duurzaamheid?

Ralph Thurm: ‘Mijn studies economie vielen samen met de eerste conferentie van Rio. Ik vond economie zoals we het aangeleerd krijgen te weinig holistisch en te veel patchwork. Toen mijn vrouw en ik aan kinderen begonnen, nam ik me voor een goed voorbeeld te zijn voor mijn kinderen. Ik wou later kunnen zeggen: “Ik heb mijn best gedaan.” Daar zit ook een persoonlijke reden achter. Mijn vader, die vorig jaar overleden is, is geboren in 1930. Aan het einde van WOII moest hij verplicht naar een school van de Hitlerjugend. Ik wou zo veel mogelijk over die tijd weten, maar elke discussie die ik met hem voerde over hoe dat allemaal mogelijk was, liep vast op “Ich habe es nicht gewusst.” Dat was zijn manier om niet in detail te treden over de vreselijke dingen die hij heeft meegemaakt en waar hij ook niet altijd het fijne van afwist. Ongeveer drie jaar geleden zei mijn zoon me: “Als we over twintig jaar praten over het soort oorlog dat jouw generatie nu met deze planeet voert, is dat alvast geen argument dat jij tegen mij zal kunnen gebruiken.” Dat was een zeer emotioneel moment. Weten dat het niet goed zit met de wereld geeft je een grote verantwoordelijkheid, en daar een goed antwoord op trachten te geven, blijft een zeer sterke motivatie.’

 

Verschenen in Argus Actueel.

Maatschappelijk draagvlak voor luchtkwaliteit en hernieuwbare energie

Er bestaat in Europa een breed maatschappelijk draagvlak voor een strengere aanpak van luchtvervuiling en voor meer hernieuwbare energie, zo blijkt uit de Eurobarometer. Europeanen worden nu gevraagd aan welke maatregelen zij de voorkeur geven.

Bijna vier op vijf EU-burgers vindt dat de EU extra maatregelen moet nemen om de luchtvervuiling tegen te gaan. Meer dan zeven op de tien Europeanen vindt dat de overheid niet ver genoeg gaat in haar inspanningen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zes op de tien vindt dat de mensen onvoldoende geïnformeerd worden over de luchtkwaliteit. De Euroburgers wijzen voertuigen (96%), de industrie (92%) en het internationale vervoer (86%) aan als de voornaamste veroorzakers van luchtvervuiling. Dat zijn de meest uitgesproken cijfers die naar voor komen uit de online Eurobarometer-enquête over luchtkwaliteit, die door meer dan 25.000 EU-burgers werd ingevuld.

De Europeanen hebben een duidelijke mening over hoe de luchtvervuiling moet worden aangepakt. Maar liefst 85% van de respondenten verklaart zich akkoord met het principe ‘de vervuiler betaalt,’ waarbij de veroorzakers van luchtvervuiling moeten opdraaien voor de milieu- en gezondheidskosten die ze veroorzaken. Ondanks de genomen maatregelen uit het verleden, blijven verschillende landen en regio’s de luchtkwaliteitsnormen overschrijden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Europeanen zich (terecht) ernstig zorgen maken over de gevolgen voor milieu en gezondheid. Bijna negen op de tien beschouwt aandoeningen die verband hebben met de luchtkwaliteit, zoals ademhalings- en hart- en vaatziekten, als een ernstig probleem. Ongeveer acht op de tien maakt zich ernstig zorgen over verzuring en eutrofiëring, de toename van voedselrijkdom in water met onder andere overmatige algengroei tot gevolg. Eutrofiëring wordt onder andere veroorzaakt door de afzetting van stikstof, afkomstig uit veehouderij en verbrandingsgassen.

De meeste Europeanen beseffen dat iedereen best zijn eigen steentje kan bijdragen om luchtvervuiling terug te dringen. Zeven op de tien pleit ervoor om prioriteit te geven aan hernieuwbare energie. 63% denkt dat het zou helpen als we zelf de auto minder zouden gebruiken en 54% rekent het vervangen van oude energieverspillende toestellen tot de belangrijkste individuele maatregelen.

2013 is een belangrijk jaar voor de Europese luchtkwaliteit. De Commissie zet in op nieuwe manieren om de luchtkwaliteit te verbeteren. Tot en met 4 maart kan iedereen zijn mening kwijt over de te nemen maatregelen in een online enquête.

Verschenen in Argus Actueel, 16/1/13

 

Interview met Janine Benyus

Biologe Janine Benyus geldt als de moeder van biomimetica of biomimicry. Deze jonge wetenschapstak kijkt naar de manier waarop de natuur de dingen aanpakt om oplossingen te vinden voor wat we maken en hoe we het maken. Want de natuur heeft efficiëntere, schonere en slimmere oplossingen in petto dan de mens.

 

‘Biomimetica is het imiteren van 3,8 miljard jaar R&D’, zegt Benyus zelf. In een eerdere bijdrage hadden we het over de vele voorbeelden van biomimetica die nu al worden ontwikkeld en geproduceerd. Maar wanneer verwacht Benyus de grote doorbraak van biomimetica, en hoe staat ze tegenover andere milieukwesties en duurzame ontwikkelingsproblematieken? We spraken de auteur in juni 2011 in Brussel, aan het eind van een intense wereldtournee. Ze heeft net een ontmoeting met een rist Europese parlementsleden achter de rug en lacht als we vragen of ze uitgeput is. ‘Na vandaag heb ik drie maand vakantie. Ik ga genieten van thuiskomen en dan erop uit met de rugzak, de bergen van Montana in, mijn achtertuin als het ware.’

Het is duidelijk dat biomimetica veel processen en producten efficiënter en milieuvriendelijker kan maken. Hoe stelt u zich de toekomst voor? Zal biomimetica doorbreken door gewoon de markt zijn werk te laten doen, of moeten we biomimetica verplichten?

Janine Benyus: Waarom gaan bedrijven nu volop op zoek naar biomimetica-oplossingen? Waarom zijn durfkapitalisten zoals Steve Juvertson en Swedish Biomimitecs 3000 bereid tientallen miljoenen dollars in biomimetica te investeren? Deels omdat het technologische doorbraken biedt en bedrijven dus een concurrentievoordeel kan bezorgen. Deels omdat biomimetica duurzamer is: minder giftige stoffen, minder input van energie, minder risico voor bedrijven om over ettelijke jaren een proces aan hun broek te hebben. Regelgeving is heel belangrijk voor de doorbraak van biomimetica. Programma’s als REACH verplichten bedrijven om naar andere oplossingen te zoeken. Verzekeraars en zeker herverzekeraars zijn steeds minder bereid bedrijven te verzekeren die gezondheidsrisico’s veroorzaken. Ze willen geen nieuwe tabaksprocessen. Bedrijven staan onder druk om hun vervuilende verleden achter zich te laten. De early adopters zijn er nu al mee bezig: ze willen de milieuwetgeving voor zijn, hun kosten drukken en tegemoet komen aan de wensen van de consumenten, die minder vervuilende producten vragen. We are heading to the age of substitutions. We evolueren naar een tijd waarin heel veel zal worden vervangen door iets beters. We kunnen natuurlijk altijd nog eens een chemische oplossing zoeken die minder slecht is dan de vorige, of we kunnen zien hoe de natuur het oplost en dat imiteren.

Zijn er dingen die je niet kan oplossen met biomimetica? Een biomimetische auto lost het fileprobleem niet op, hoe milieuvriendelijk hij ook is.

Janine Benyus: Dat klopt. Maar toch kan de natuur ons ook op dit gebied heel wat leren. Met het Biomimicry Institute hebben we een 25-tal regels opgesteld, een lijst van best practices die de natuur hanteert, een eco-design-checklist. Eentje daarvan is dat je productie en je voedsel lokaal moet zijn. Zo zit de wereld nu niet in mekaar. Maar net zoals we nu al gedecentraliseerde energiewinning en dito afvalverwerking hebben, zullen we ook gedecentraliseerde productie krijgen. Ik heb het dan over 3D-printing, in het vakjargon additive manufacturing, waarin producten laag per laag worden opgebouwd. Het klinkt nu als sciencefiction, maar het zal weldra gemeengoed worden. Dat betekent kleine lokale fabriekjes en de enige manier om de maatschappij dat te laten accepteren is met schone chemie. Mijn vraag is: kunnen we even slim zijn als de natuur en zorgen voor veilige producten? Daar moeten we nu werk van maken.

Op landbouwgebied pleit u voor meerjarige planten, die sterker staan in de natuur dan onze eenjarige voedingsgewassen. Moeten we afscheid nemen van onze vertrouwde groenten en granen?

Janine Benyus: Toch niet. The Land Institute wil meerjarigheid weer in onze voedingsgewassen inbrengen. Over duizenden jaren heeft de mens de meerjarigheid weggeselecteerd, zodat we de zaden in onze zakken konden meenemen als we weer verder trokken. Het is een langetermijnproces om bijvoorbeeld tarwe terug meerjarig te maken, maar het kan sneller als we er meer energie in stoppen.

Zou zoiets niet sneller kunnen met transgene planten? Bent u voor of tegen GGO’s?

Janine Benyus: Tegen. Ik denk dat we veel te weinig weten over de effecten. Ik vrees zelfs dat een fenomeen als chemische vervuiling in het niets zal verzinken bij de ecologische gevolgen van genetische manipulatie. Ook synthetische biologie vind ik geen goed idee, zelfs al ben ik een wetenschapster en weet ik dat je dat niet niet hoort te zeggen in de wetenschappelijke wereld. Genetische manipulatie was interessant als laboratoriumonderzoek, maar het heeft geen vruchten afgeworpen op het veld. Ik ben wel voor verbeterde teeltmethoden, super-organics en dergelijke dingen, maar allemaal via conventionele methoden, aangevuld met nieuwe inzichten.

Samen met anderen helpt u bedrijven de natuur te imiteren met het Biomimicry Institute. Hoe gaat dat in zijn werk?

Janine Benyus: Na de publicatie van mijn boek vroegen bedrijven naar biologische inspiratie voor hun producten. Zo werkten we al met Nike, Boeing en Kraft. We pakken het aan met wat wij een Amoebe-tot-Zebra-onderzoek noemen. Toen een ziekenhuiswasserij ons vroeg om hun was op een milieuvriendelijker manier te wassen, zochten wij uit hoe de natuur bijvoorbeeld hemoglobine afbreekt. Zo stellen we een taxonomie van mogelijkheden op: allemaal processen die geen giftige stoffen gebruiken, op kamertemperatuur functioneren, zeer efficiënt werken en in een industrieel proces kunnen worden geïmiteerd.

Hoe gaat u om met het patenteren van natuurlijke fenomenen en processen?

Janine Benyus: In een tijd waarin je naar het patentbureau kunt stappen en een levensvorm als een bacterie laten patenteren, is het alleen maar een kwestie van tijd voor een wetenschapper op het idee komt de manier waarop een gekko loopt te patenteren. Ik beschouw dat als diefstal van onze scientific commons [wetenschappelijke gemeenschappelijke goederen, red]. Van de andere kant vind ik het goed dat er gekkolijm is en begrijp ik dat bedrijven dat product patenteren. Maar de nuance is zeer duidelijk in mijn ogen. Hoe we het bij Asknature.org aanpakken is als volgt: we zetten biologische strategieën online, georganiseerd per functie, en dat in een context van design. Advocaten vertellen me dat dat moet volstaan om deze noties in het publieke domein te houden, wat volgens sommigen niet zo zou zijn als het in een wetenschappelijke context zou gebeuren. [Benyus gebruikt de uitdrukking ‘To establish prior art,’ een begrip uit de patentwetgeving, red] Vandaar dat we proberen zoveel mogelijk ideeën te publiceren.

Voor wanneer is de grote doorbraak van biomimetica?

Janine Benyus: Ja, wat wordt de killer app? (lacht) Een zeer ongelukkige woordkeuze in deze context, maar het is iets dat ik me ook afvraag. Velcro gaat al een hele tijd mee. Zelfreiniging volgens het principe van lotusbladeren wordt in heel wat producten gebruikt, maar mensen weten het niet. Je ziet het niet. Ik kan me voorstellen dat mensen er wel over zouden spreken als je vliegtuigvleugels met randen als bultrugvinnen zou zien. Misschien worden het wel zelfbouwende zonnecellen, die we drukken aan een snelheid alsof het kranten zijn? Ik hou wel van die gedachte, omdat het biomimetica op chemieschaal is. Iets dat biomimetica de populair-wetenschappelijke pers en het sf-aura kan doen verlaten, en de techniek naar de mensen thuis brengen. Er gaat tegenwoordig zoveel overheidsgeld naar biomimetica, zoveel universiteiten richten departementen op. Harvard kreeg de grootste individuele gift uit zijn geschiedenis om een instituut voor biologisch geïnspireerde ingenieurswetenschappen uit de grond te stampen: 125 miljoen dollar van de Zwitser Hansjörg Wyss. Duitsland is heel hard bezig rond wat zij Bioniks noemen. Misschien komt de doorbraak er als kinderen ervan dromen een bioloog-designer te worden. Wanneer bedrijven het achterhaald vinden dat er geen bioloog in hun innovatieteam zit. Misschien is biomimetica pas succesvol als het verdwijnt – wanneer het een evidentie is geworden, gewoon een van de manieren waarop we innoveren. Dat bij elk nieuw product als vanzelfsprekend wordt gekeken hoe de natuur zoiets oplost, wanneer er biologische tools zijn geïntegreerd in alle CAD/CAM-software. Dan zal biomimetica gewoon design zijn geworden.

 

Verschenen in Argus Actueel

Alle huizen energieneutraal

Prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit Rotterdam), de peetvader van het transitiemanagement, koestert plannen om alle Nederlandse huizen energieneutraal te maken zonder hulp van de overheid of de banken.

Dezer dagen zet Jan Rotmans zijn schouders onder een initiatief dat de Nederlandse huizen energieneutraal wil maken, gefinancierd door crowdfunding. Vijftien jaar geleden lag hij aan de basis van het transitiedenken. Zevenentwintig jaar geleden waarschuwde de nu 51-jarige wetenschapper voor de gevolgen van de klimaatverandering. Wat ons brengt bij de eerste vraag.

Hoe voelt het om gelijk te krijgen?
Jan Rotmans: “Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant is het verschil met vijfentwintig jaar geleden heel groot. Er is al heel veel goeds gebeurd. Er zijn veel meer mensen met milieu en klimaat bezig dan toen. Tegelijk worden we ingehaald door de werkelijkheid. Eigenlijk is het nog erger gesteld dan we destijds konden vermoeden. De klimaatverandering verloopt sneller dan we ze kunnen bijbenen.”

Wordt u daar moedeloos van?
Jan Rotmans: “Moedeloos of cynisch word ik daar niet van, dat ligt niet in mijn aard. Om met passie mijn boodschap te kunnen brengen, moet je intrinsiek positief ingesteld zijn. Ik stel vast dat de hele samenleving aan het verduurzamen is, maar ik besef dat dat een langzaam proces is. Het kost decennia, maar als je er middenin zit, lijkt het veel sneller te gaan dan als je er vanop een afstand naar kijkt.”

Het blijft moeilijk om mensen in het Westen te bewegen tot milieubewuster leven, terwijl ze weten dat voor elke duurzame mens bij ons er een nieuwe middenklasser in het Oosten opstaat, die ook een auto, een koelkast en een jaarlijkse vliegreis wil.
Jan Rotmans: “Dat is ons grote schrikbeeld, maar ook dat heeft twee kanten. Wereldwijd ontstaat er een nieuwe, groene economie, een circulaire bio-economie zonder CO2-uitstoot. Ook in de ontwikkelingslanden wordt daarin al geïnvesteerd. Tegelijk willen die landen dezelfde welvaartsontwikkeling als wij en daar hebben ze natuurlijk ook recht op. We kunnen ze dat niet ontzeggen.”

Wat betekent dat in de praktijk?
Jan Rotmans: “In China en India zie je zowel de fossiele, zwarte economie als de groene economie aan het werk. De zwarte economie zorgt ervoor dat de huidige generaties zich kunnen ontwikkelen. De groene economie zorgt ervoor dat ook de komende generaties dat voor mekaar krijgen. Eerder dit jaar was ik in China, waar ze binnen tien jaar nog één miljard auto’s verwachten. Je rijdt er over lege autosnelwegen, de hele infrastructuur ligt er al klaar. Toch is de vooruitgang daar niet te vergelijken met de evolutie die wij sinds de jaren vijftig hebben doorgemaakt, want China is nu al bezig met elektrische auto’s. Hopelijk kunnen ze een aantal stappen overslaan en tien keer sneller tot elektrische auto’s komen.”

Wat kunnen de Belgen op het gebied van duurzaam wonen en bouwen leren van Nederland?
Jan Rotmans: “In Nederland gaat ongeveer 35% van het totale energieverbruik naar gebouwen en dat zal in België wellicht niet heel anders zijn. Het is de moeite om dat aan te pakken. Technisch is het mogelijk om woningen energieneutraal te maken met behulp van isolatie, zonneboilers en zonnepanelen. De vraag is hoe we het georganiseerd krijgen. In Nederland volgen we daarvoor twee wegen. Van de 9 miljoen woningen is ongeveer 2,5 miljoen in handen van coöperaties en 6,5 miljoen zijn particulier eigendom. In de coöperaties wonen vaak armere mensen in heel energieverspillende woningen. Als je die huizen energieneutraal kunt maken, heb je twee keer winst: je helpt het milieu en je vermijdt energie-armoede.”

Hoe maakt u het voor huiseigenaars mogelijk om hun woning energieneutraal te maken?
Jan Rotmans: “We zijn bezig met een initiatief om woningen energieneutraal te maken, een initiatief dat we volgend jaar willen lanceren. Wij zorgen ervoor dat je huis energieneutraal wordt, door het huis te isoleren en te investeren in de opwekking van hernieuwbare energie. De kosten die dat allemaal met zich meebrengt, betaal je in tien jaar terug. Het is best wel een simpele rekensom. De noodzakelijke investeringen trachten we te financieren met crowdfunding, al zijn we ook in gesprek met financiële instellingen. Ik kan me echter voorstellen dat we het helemaal zonder banken kunnen redden en trouwens ook zonder overheidsinmenging. Met alle respect voor de goede bedoelingen van de overheid, maar het gaat toch altijd traag als zij zich ermee moeit. Het is trouwens een initiatief dat ook in andere landen perfect toepasbaar is, we hopen heel wat navolging te krijgen.”

Verschenen in Argus Actueel, 14/12/12

‘Vereenvoudigen maakt de dingen moeilijker’

Plan C, het Vlaams Transitienetwerk voor Duurzaam Materialenbeheer, organiseert op 29 november een netwerkdag. Een vooruitblik met keynote speaker Hans Vermaak over hoe transitie in zijn werk gaat en wat de mogelijke valkuilen zijn.

De afgelopen zes jaar is Plan C uitgegroeid van een informeel transitienetwerk rond duurzaam materialenbeheer tot een zelfstandige vzw. De organisatie die verandering hoog in het vaandel draagt, is daarmee zelf ook grondig verveld tot een nieuwe gedaante. Het is tijd om stil te staan en vooruit te blikken. Dat gebeurt tijdens een netwerkdag op 29 november a.s.

ARGUS sprak met auteur, docent, onderzoeker en ‘veranderkundige’ Hans Vermaak, die op die dag de interactieve keynote speech voor zijn rekening zal nemen. Vermaaks roots liggen in de milieubeweging, maar in de loop der jaren zette hij zijn kennis en expertise rond veranderen ook in voor onder meer ontwikkelingssamenwerking, de zorgsector en de bedrijfswereld.

Als we willen trachten de klimaatcrisis en de grondstoffenschaarste tegen te gaan, staat de wereld voor ingrijpende veranderingen. Hoe kijkt u daar als veranderkundige tegenaan?
Hans Vermaak: 
“Algemeen kan je stellen dat hoe groter de diepgang van een verandering is, de planbaarheid en de maakbaarheid verhoudingsgewijs steeds kleiner worden. Bovendien staat de diepgang van deze verandering op gespannen voet met de omvang van de verandering. Bij een grootschalig probleem hebben we de neiging om een standaardaanpak over de hele situatie uit te rollen. Maar dat volstaat in dit geval volstrekt niet, omdat je eerst allerlei dingen moet uitpuzzelen en ontdekken. Uitpuzzelen gebeurt per definitie in het klein: experimenteren vindt altijd plaats op mensenmaat. Vernieuwing is bovendien altijd controversieel, tegen de regels. Het establishment heeft het er altijd moeilijk mee. Vernieuwing geschiedt steeds onder vijandige condities.”

Verandering roept altijd weerstand op. Hier hebben we het over een andere manier van leven, werken, ondernemen, produceren, consumeren en transporteren.
Hans Vermaak: “Het lastige met ‘weerstand’ is dat het een containerterm is. Soms wordt het woord gebruikt omdat mensen iets niet begrijpen. Dat is bij het milieuvraagstuk echt niet het probleem: iedereen weet onderhand best wel wat er aan de hand is. Nog meer communicatie om mensen aan te sporen om het goede te doen, zal echt niet helpen. Weerstand kan ook te maken hebben met onmacht: iedereen wil misschien wel het goede doen, maar niemand krijgt het in zijn eentje voor elkaar. Dat is nu net de essentie van de problematiek en daar is ook iets op te vinden. Maar dan niet op de klassieke manier. Complexe veranderingen zijn multi-actor en multi-factor. Het milieuvraagstuk is een vraagstuk van iedereen en niemand. De beste weg uit zo’n problematiek kennen we allemaal. We maken het elke dag in relaties thuis mee. Niemand gaat in zijn eentje over relaties. Die zijn ook niet maakbaar, uitrolbaar of planbaar, maar wel onderhandelbaar en experimenteerbaar. We kunnen er bovendien lessen uit trekken. Het is zelfs het meest interessante wat er bestaat. Een gezin beginnen is vragen om problemen en toch beginnen veel mensen er aan. Het voordeel van het milieuvraagstuk is dat het tot de verbeelding spreekt. Het gaat ergens over – in tegenstelling tot de afhandeling van de financiële crisis. Voor het milieuvraagstuk kan je van onderaf, met participatie van velen, op de lange termijn iets voor mekaar krijgen: via transitiemanagement.”

Transitiedenken tracht via een sterke betrokkenheid van mensen een verandering in de maatschappij te bewerkstelligen, door samen te zitten, toekomstvisies uit te stippelen, te experimenteren met nieuwe manieren van produceren en consumeren.
Hans Vermaak: “Inderdaad. Er is een vast rijtje eigenschappen die alle vormen van transitie gemeen hebben: het gaat over alle instellingen en partijen heen. Mensen werken samen met andere mensen die heel verschillend denken en die verschillen heb je nodig. Het experiment is de motor en daaruit wordt kennis gepuurd, het is dus een lerend-experimenterend model. De experimenten op zich zijn kleinschalig, maar je maakt omvang door ze op steeds meer plekken te laten gebeuren. Er is ook altijd sprake van eigenaarschap bij direct betrokkenen en facilitering vanuit een soort kernclub om die betrokkenen in hun kracht te brengen. Ook een politieke verankering is essentieel: als je die niet hebt, kan dat je proces breken, maar politieke verankering kan het proces niet maken. Politiek is in dit opzicht breder dan politieke partijen of stromingen: het gaat om vertegenwoordiging van en rugdekking door allerlei belangengroepen, waaronder politieke partijen, de industrie en zo voorts. Maar ongeacht die rugdekking moet de verandering onverkort van onderaf komen. Pas later kan je van boven de volgers een duw in de rug geven. Want zonder de mogelijkheid om dan bepaalde praktijken of wetten aan te passen, is het erg moeilijk om verandering door te zetten.”

Verandering geschiedt nooit onder ideale condities, zegt u. De verandering naar een duurzame samenleving is breed en complex. Hoe slaag je erin om ervoor te zorgen dat mensen toch Plezier beleven aan taaie vraagstukken, om de titel van uw laatste boek te gebruiken?
Hans Vermaak:
 “De taaiheid ontstaat nooit door het vraagstuk zelf, maar door het verkeerd omgaan ermee. Iets wordt pas taai als je het te simpel aanpakt. Vereenvoudigen maakt het moeilijker. Het is net zoals het opvoeden van kinderen. Je kan je tweede kind niet opvoeden door de opvoeding van het eerste te copy-pasten. Hetzelfde geldt voor milieuvraagstukken. We moeten ons hoeden voor de neiging om het te simpel aan te pakken.”

Dreigt complexiteit mensen niet af te schrikken of tot fatalisme aan te zetten? Hoe houd je voldoende mensen betrokken bij de problematiek?
Hans Vermaak: 
“Er zijn verschillende kringen van betrokkenheid. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier betrokken te zijn. Op zich is het uitstekend dat mensen afhaken: niet iedereen wordt warm van hetzelfde vraagstuk. Maar als je er warm van wordt, dan heb je er ook de finesse en aandacht voor over. Als we die mensen hun werk laten doen, boeken ze successsen en die werken aanstekelijk. Ze zullen daarmee uiteindelijk wel genoeg volgers kweken om in hun sporen te treden. Je hebt verschillende kringen en arena’s nodig en die zijn niet allemaal gebaat bij veel belangstelling. Het werk van de experimenteerders wordt daar alleen maar moeilijker door. Na de arena van de experimenteerders komt de arena van de onderzoekers, vakidioten die lessen trekken uit de experimenten en hun inzichten omzetten in taal. Zij communiceren naar het bredere netwerk, waar dan op zijn beurt mensen kansen zien en contacten leggen. Daaruit ontstaan dan weer nieuwe experimenten die opgezet worden onder het maaiveld. Zo zie je drie arena’s elkaar versterken: die van het experiment, van het onderzoek en van het netwerk.”

Een bijkomend probleem in verband met milieu en klimaat is de urgentie: de theoretisch nog af te wenden dreiging van een temperatuurstijging met meer dan 2° C.
Hans Vermaak: “Urgentie heeft de neiging om de roep naar magische oplossingen te vergroten – en dat zijn nu net de meest teleurstellende. Toen ik me dertig jaar geleden intensief met de milieuproblematiek bezighield, vond ik het ook al enorm urgent. Ik kon me niet voorstellen dat het kwartje niet viel: het was vijf voor twaalf en de grote bedrijven wilden er niets mee te maken hebben. Kijk: het vraagt toch de tijd die het vraagt om de experimenten tot een goed einde te brengen. Een deel van de schade zullen we gewoon moeten dragen.”

Ik kom nog even terug op uw idee over weerstand. Volgens mij is er nog altijd erg veel weerstand tegen het vooruitzicht om minder vlees te eten of de auto minder te gebruiken.
Hans Vermaak: “Ik blijf erbij dat dat niet het grootste probleem is. Onze culinaire traditie is voor een belangrijk deel gebaseerd op vlees eten. Je stampt een nieuwe culinaire traditie niet in een paar maanden of jaren uit de grond. Dertig jaar geleden ben ik ook een jaar of twee vegetariër geweest en dat was geen genieten. Tegenwoordig is er veel meer keuze dan de soja en boekweit van toen. Sterrenrestaurants bieden volwaardige vegetarische menu’s aan. Mensen vinden het niet gek om af en toe eens vlees te laten. Duurzame kweek van vis zit in de lift. Op een gegeven moment kom je aan twintig procent biologisch en duurzaam geteeld vegetarisch voedsel en een gegroeide aantrekkelijkheid van gezond eten. Pas dan kan je de rest van de vraag en het aanbod een duw geven. Dan verandert wetgeving, komen er financiële prikkels en geeft de politiek rugdekking. Maar dat kan pas als de moeilijke dingen als een nieuwe culinaire traditie, andere grondstofstromen en de duurzame kweek van producten een feit zijn. De achterblijvers meekrijgen, dat is heus zo moeilijk niet: in vergelijking bijna een kwestie van een pennenstreek. Het voortraject met de innovatie, dat is het moeilijke. En dat moet toch eerst. Je komt er niet door te beginnen met dwang van boven: dat is politieke zelfmoord.”

Ondertussen hebben ook heel wat kleine en grote bedrijven duurzaam ondernemen diep in hun werking laten doordringen. Wat denkt u daarvan?
Hans Vermaak: 
“Vanuit mijn vak blijf ik kritisch kijken naar instituties: die hollen altijd achter de feiten aan. Er gebeuren wel goede dingen, maar het is altijd de achterhoede. De voorhoede, dat zijn individuen binnen instituties die iets doen dat eigenlijk niet mag. Dat zal altijd zo blijven en daar is niets mis mee.”

Wat zijn de grote valkuilen waarvoor Plan C in de komende periode moet uitkijken?
Hans Vermaak: 
“Een van de spannende dingen van transitie is metaalmoeheid. Voor je het weet, ben je een tijdje bezig en is het vuur van de eerste periode gedoofd. Voor je het weet ben je een instituut en gaat dat een eigen leven leiden. Soms moet je het institutionele loslaten, met nieuwe mensen beginnen en en een nieuwe naam bedenken. Daarnaast is de achilleshiel bij transitiemanagement vaak niet het experimenteren of het netwerk, maar de vakgemeenschap die de lessen en concepten genereert. Die heb je nodig om het generiek te maken, om het te kunnen spreiden. Die kundigen moeten een onderzoekershart hebben. Voorts moet je er altijd voor waken om niet steeds in dezelfde groef te belanden, maar om trouw te blijven aan het lerende karakter van elke echte transitie: een vorm van onderzoek-in-actie. Het populariseren daarvan blijft een belangrijk aspect, maar niet het belangrijkste.”

Verschenen in Argus Actueel, 31/10/12

Het nieuwe goud, en hoe het te recycleren

De universiteiten van Leuven en Gent, het Nederlandse TNO en Umicore slaan de handen in elkaar om oplossingen uit te werken voor het nijpende tekort aan grondstoffen, meer specifiek de Rare Earths of zeldzame aarden en andere materialen die van vitaal belang zijn voor de economie.

De meest kritieke grondstoffen

De voorbije jaren definieerde de EU veertien minerale materialen als ‘kritieke grondstoffen.’ Zij kregen die koosnaam omdat hun uitzonderlijke schaarste recht evenredig is met hun uitzonderlijke economische waarde. Het zijn stuk voor stuk materialen die van cruciaal belang zijn voor het oplossen van de energieproblematiek, de transitie naar een groene economie en onmisbaar in heel wat hedendaagse (miniatuur)technologie. Dankzij magneten met zeldzame aarden zijn onze gsm’s vandaag zo performant en compact. Zeldzame aarden zijn nodig voor de werking van windturbines, elektrische auto’s en energiebesparende lampen. Zelfs de meest efficiënte recyclage- en scheidingstechnieken volstaan echter niet om de groeiende vraag te dekken naar de vijf meest kritiekezeldzame aarden: neodymium, europium, terbium, dysprosium en yttrium.

Behalve in onontgonnen voorraden op Groenland en in Zweden bezit Europa geen eigen kritieke grondstoffen. Toch springen we bijzonder nonchalant met deze schaarse en levensnoodzakelijke materialen om. Van nogal wat kritieke materialen ligt het recyclagegehalte onder de 1%: dat is omdat er alleen materiaal gerecycled wordt tijdens het productieproces.

Dat Europa zich ernstig zorgen maakt over de toenemende schaarste van deze cruciale grondstoffen, heeft er ook mee te maken dat China het belang ervan al langer heeft ingezien. 40% van de reserves liggen op Chinees grondgebied, maar door een doorgedreven strategie heeft de Volksrepubliek inmiddels 90% van de verwerking en productie ervan in handen. En de Chinezen doen hard hun best om controle te krijgen over de hele keten van de zeldzame aarden, net zoals ze dat voor veel andere kritieke metalen trachten te doen.

Dit complexe probleem onder controle krijgen, stelt de wetenschap, de overheden en de industrie voor een aantal fantastische uitdagingen. Op 14 september ll. organiseerde de KU Leuven een druk bijgewoond symposium over kritieke grondstoffen met sprekers als dr. ir. Peter Tom Jones van het departement metaalkunde, tevens manager van het kennisplatform RARE3 (Research Platform for the Advanced Recycling and Reuse of Rare Earths, KU Leuven), professor Koen Binnemans (KU Leuven), wereldexpert op het gebied van zeldzame aarden, prof. em. Willy Verstraete (UGent), één van de grondleggers van de Vlaamse (witte) biotechnologie, geoloog Emile Elewaut van het vermaarde Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en dr. Christian Hagelüken, hoofd van de Precious Metals Refining Unit van Umicore.

‘Alle materialen zijn kritiek’

Door de exponentiële groei van de economie en de technologie in de laatste decennia, door de honger naar grondstoffen van de groeilanden en door het hiermee samenhangend toenemend mondiaal verbruik van natuurlijke hulpbronnen, zijn eigenlijk alle materialen kritiek, stelt Emile Elewaut (TNO): “De laatste twintig jaar zijn we mondiaal 40% meer natuurlijke hulpbronnen gaan gebruiken.” Christian Hagelüken van Umicore haalde er een grafiek bij die aantoonde dat er de laatste dertig jaren meer technologiemetalen uit de mijnen zijn gehaald dan in de hele geschiedenis van de mensheid. Ook de detailcijfers over ons hedendaags materialenverbruik zijn verbluffend. “In 2011 kwam 20% van het ontgonnen palladium en kobalt in gsm’s en computers terecht. Toch vertegenwoordigt de waarde van de recycleerbare materialen per gsm maar 1 euro,” stelt Hagelüken. Er is nog een enorm potentieel aan grondstoffen in recent door de mens vervaardigde producten aanwezig. Maar we zullen onze producten anders moeten ontwerpen als we die grondstoffen er later makkelijker willen uit recycleren. Maar recycleren alleen zal niet volstaan om de honger naar grondstoffen te stillen.

Emile Elewaut blijft desondanks optimistisch over de toekomst, met name voor kennisregio’s als België en Nederland, die uitzonderlijk arm zijn aan grondstoffen en dus zo goed als volledig afhankelijk van de invoer. “We hebben een wereldfaam op het gebied van recyclage en verwerking, een toppositie inzake inzameling en herwinning van grondstoffen en een uitgebreid industrieel- en kennisnetwerk.” Die vaststellingen droegen bij tot de vorming van een nieuw samenwerkingsverband dat tijdens het symposium boven de doopvont werd gehouden: het Urban Mining Platform in het kader van het toekomstige Europees Kennis- en Innovatiecentrum (KIC) Raw Materials, dat wordt opgericht in de schoot van het European Institute of Innovation and Technology (EIT). Raw Materials zal een van de toekomstige KIC’s worden, waarvoor de EU – zoals het er nu naar uitziet – in totaal een bedrag van 2,8 miljard euro zal voorzien voor de periode 2014-2020.

Urban mining

Over één ding waren de sprekers het roerend eens op de persconferentie voorafgaand aan het symposium: we kunnen ons niet uit het probleem weg recyclen. Volgens een recente studie die het Duitse Öko-Institut ondernam, ligt het maximale recyclagepotentieel van zeldzame aarden niet hoger dan 10 à 20% van de nieuwe vraag naar zeldzame aarden. Doorgedreven urban mining (het recyclen van grondstoffen uit afgewerkte producten) zal dus moeten worden aangevuld met substitutie (het vervangen van de zeldzame grondstoffen door alternatieven) en daarnaast ook met bijkomende, bij voorkeur duurzame ontginning van zeldzame grondstoffen. Allemaal oplossingen die op hun beurt nieuwe problemen en uitdagingen met zich meebrengen. (…)

Meer over urban mining, duurzame mijnen en subsitutie van materialen in het Argus-artikel.

Rendementen waarbij Microsoft verbleekt

Gunter Pauli, lid van de Club van Rome en voormalig ceo van Ecover, is de grote inspirator van ‘De blauwe economie’, een model waarin ecologie, innovatie en economie hand in hand gaan. Gunter Pauli’s boek The Blue Economy verschijnt nu ook in het Nederlands.

Wat is uw belangrijkste bron van inkomsten?

‘Toen ik in 1994 uit België vertrok, heb ik al mijn bezittingen verkocht en dat geld ondergebracht in de stichting Zeri (Zero Emissions Research Initiative). Ook de auteursrechten van de boeken die ik schrijf, komen ten goede aan de stichting. VanThe Blue Economy zijn ondertussen al 1miljoen exemplaren verkocht in 34talen. Van de fabels waarin ik de blauwe economie aan kinderen uitleg zijn al 17miljoen exemplaren van de hand gegaan. Ik krijg een vaste maandelijkse vergoeding enthat’s it. Als stichting zijn we niet uit op financieel gewin. Dat hoeft ook niet. Zo lang ik goed blijf schrijven, is onze inkomstenstroom verzekerd.’

Wat is het hogere doel: een betere wereld creëren?

‘Er kan een betere wereld komen door meer ondernemerschap en innovatie. Ook bij Ecover draaide het om innovatie. Ik heb dertig jaar mijn schouders gezet onder de groene economie, maar het probleem is dat die ervan uitgaat dat wat goed is voor de mens, ook duurder moet zijn. De groene economie heeft heel goede producten opgeleverd, maar ze zijn alleen maar betaalbaar voor wie over het nodige geld beschikt. De groene economie kan dus alleen mainstream worden door meer belastingen te heffen of via subsidies. Als we dat patroon niet doorbreken, zullen we nooit duurzaamheid bereiken. In de blauwe economie gaan we ervan uit dat wat echt goed is voor de mens, ook goedkoper kan zijn.’

Wanneer zal de blauwe economie een feit zijn? U sprak in 2010 van 100 miljoen banen op tien jaar.

‘Na twee jaar hebben wij weet van ongeveer duizend bedrijfjes die werden opgezet op basis van de open source-info die wij verspreiden. Het gaat te traag en met te weinig schwung. Maar we zijn nog maar pas begonnen en starten nu een grote campagne via de vertaling van de innovaties in fabeltjes voor kinderen. Zo hopen we veel jongeren te inspireren.’

Bent u een belegger?

‘Ik beleg niet, ik adviseer anderen over beleggen. Ik wil een absolute onafhankelijkheid bewaren tegenover de technologieën en zakenmodellen die ik voorstel. Als ik er een of ander financieel voordeel zou uithalen, dan kan ik niet langer vrij advies leveren.’

Welke blauwe economie-aandelen zou u aan beleggers aanraden?

‘Op dit ogenblik kijk ik vooral naar de bedrijven waar je beter niet in investeert. Bedrijven die het potentieel gewoon negeren. Ik denk bijvoorbeeld aan Medtronic, Johnson & Johnson en Boston Scientific die heel wat verdienen met de groeiende vraag naar pacemakers, terwijl de komst van de nanotechnologie dit soort pacemakers overbodig maakt. Die aandelen kan je beter nu van de hand doen. Ook batterijmakers als Varta en Panasonic verwijder je beter uit je portefeuille vanwege de op komst zijnde innovaties die batterijen vervangen. Olie-aandelen doen het nu nog goed, maar je kan ze beter dumpen voor ze hun op termijn onvermijdelijke daling inzetten.’

Wat voor rendementen kunnen we verwachten in de blauwe economie?

‘Toen ik in 1984 de kans kreeg om mee te werken aan het regenereren van het regenwoud van Gaviotas in Colombia, dat al tweehonderd jaar geleden vernietigd was, verklaarde iedereen me gek. Maar vandaag, 28jaar later, staat het bos er, is de biodiversiteit er van 17 naar 256 gestegen, is er volledige tewerkstelling in de regio en gratis drinkwater. Last but not least: de waarde van de grond steeg er van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha. Dat is een beter rendement dan het Microsoft-aandeel in 25jaar heeft gegenereerd. Deze investering komt vandaag volledig ten goede aan de gemeenschap van Gaviotas. Het schenkt me een grote voldoening dat je met herbebossing en water als een gemeenschappelijk goed een van de meest succesvolle bedrijven in de moderne geschiedenis kunt overtreffen.’

Welke investering betreurt u?

‘Het bouwen van de ecologische fabriek van Ecover, die weliswaar baanbrekend was, maar afhankelijk van palmolievetzuren. Ik realiseerde mij aanvankelijk niet dat ik verantwoordelijk was voor de vernietiging van het regenwoud in Indonesië en de verstoring van de habitat van de orang-oetan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Het was moeilijk te aanvaarden dat de tijd en het geld dat ik in Ecover investeerde, voor niets was. Maar dat gaf me de kracht om een nieuw zakenmodel te ontwikkelen dat vandaag gekristalliseerd is in het concept van de blauwe economie.’

BESTE INVESTERING

‘Het herbebossen van de savanne in Gaviotas. Goed voor een toename van biodiversiteit met een factor15 en een stijging van de grondwaarde van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha.’

www.gunterpauli.com

Wat de geschiedenis ons leert over klimaatverandering

Van 6 tot 9 mei is prof. em. Brian Fagan in het land, een archeoloog en een wereldautoriteit over de geschiedenis van klimaatsverandering. Fagan verzorgt niet minder dan vier verschillende lezingen op die vier dagen (en één besloten sessie voor de Vlaamse MilieuMaatschappij). ARGUS belde hem thuis in Californië voor een voorproevertje.

Klimaatverandering heeft altijd al een invloed gehad op de menselijke beschaving, de landbouw en de economie. Wat is de belangrijkste les die we kunnen leren uit het verleden?
Brian Fagan: “De belangrijkste les is dat we nu veel kwetsbaarder zijn dan ooit tevoren, omdat er zoveel meer mensen op de wereld zijn. Steden als Miami en Amsterdam die amper boven de zeespiegel uitsteken, of er zelfs onder liggen, zijn uiterst kwetsbaar. In vroegere beschavingen telde een stad misschien 5.000 mensen en was het makkelijker om ze te verhuizen. Dat is nu vaak geen optie.
Een voordeel is dat we betere technologie hebben dan ooit tevoren en beter kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar in vergelijking met de Lage Landen is de situatie elders beangstigend, niet alleen in een land als Bangladesh, maar ook voor een stad als Shanghai. We moeten ons dringend beraden over de vraag hoe we tientallen miljoenen mensen kunnen verplaatsen, want het land waar zij wonen, dreigt onder de zeespiegel te verdwijnen. Ze worden trouwens niet alleen bedreigd door de stijging van het zeeniveau, maar ook door orkanen en ander extreem weer.”

U beschouwt droogte als een nog grotere bedreiging dan overstromingen. Wat verwacht u van de komende eeuw?
Brian Fagan: 
“We zullen ons eerst en vooral moeten bezighouden met het recycleren van water en het beperken van het watergebruik. In het licht van de dreigende tekorten aan drinkwater, moeten we het menselijk gedrag veranderen. Dat gebeurt nu al. Los Angeles is bijvoorbeeld bezig met het opvangen van regenwater om watervoerende lagen terug aan te vullen. Ook de recyclage van water zoals in Singapore kan tot navolging strekken.”

Klimaatverandering heeft in het verleden niet alleen negatieve, maar ook positieve effecten gehad. Geldt dat ook voor de toekomst?
Brian Fagan: “Zeker wel. We zijn geneigd om vooral te focussen op dreigende rampen en apocalyptische toestanden, maar er zijn ook voordelen. Het ziet er bijvoorbeeld goed uit voor de landbouw in Canada. Je krijgt eigenlijk een herverdeling van plekken waar voedsel wordt gekweekt. Voor het Amerikaanse Zuid-Westen is dat slecht nieuws, want daar zullen we met grote droogtes te kampen krijgen. Een constante is dat de geschiedenis zich herhaalt. De tsunami van vorig jaar in Japan is voorafgegaan door vele andere. Ook Europa is in het verleden door tsunami’s getroffen, zoals uit geologisch onderzoek blijkt.”

Waarom vergeten we zo makkelijk de klimaatrampen uit het verleden?
Brian Fagan: “Waarom kunnen mensen zo moeilijk geloven dat er ooit een watertekort zal zijn? Ze draaien de kraan open en er stroomt water uit. Ze staan er niet bij stil waar het water vandaan komt. Ook met orkanen en tornado’s zie je dat patroon van ontkenning. Soms grijpt de mens wel in ten gevolge van een catastrofe, of verhuizen mensen, maar al te vaak verkiezen we te vergeten.”

Waarom is de wereld meer bezig met temperatuurstijging dan met watertekort, terwijl dat laatste volgens u een groter probleem is.
Brian Fagan: “Temperatuursveranderingen spreken meer tot de verbeelding, omdat we ze associëren met ijstijden. Het omgekeerde, toenemende temperaturen, zijn we gaan associëren met smeltend ijs en stijgend zeeniveau. Allemaal veel dramatischer klinkend dan droogte. Toch kan je er niet omheen: stijgende wereldtemperaturen betekenen onvermijdelijk meer droogte op veel plekken. Een moeilijk probleem om te verkopen in de media, helaas.”

Hoe kunnen we de dreigende droogte bekampen?
Brian Fagan: “Als we de geschiedenis van water overschouwen, valt het op dat alles fundamenteel veranderd is in de laatste tweehonderd jaar, door de industriële revolutie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat gaf de mens de kans om water uit diepere aquifers of watervoerende lagen op te pompen. Het is trouwens niet toevallig dat de geschiedenis van water oppompen begint met het leegpompen van steenkoolmijnen.
Zo lang de mens alleen afhankelijk was van de zwaartekracht om aan water te geraken, leefde er een bewustzijn dat de watervoorraad beperkt was. In oude beschavingen werd water met veel meer respect behandeld. De religieuze connotaties van water gaan tienduizenden jaren terug. Rituelen brachten de mensen respect voor water bij. Maar bij de Grieken en de Romeinen werd water een product net als alle andere.”

“Het grootste probleem is dat de mens te weinig op lange termijn denkt. Een van de redenen waarom ik er echt naar uitkijk om naar België te komen, is dat België en Nederland de waterhuishouding op de lange termijn bekijken. Dat geeft jullie een een enorm voordeel. In vergelijking met wat jullie doen, zijn de maatregelen van Japan tegen tsunami’s een lachertje.”

Vanuit wereldperspectief gezien: welke evoluties stemmen u hoopvol en wat maakt u bezorgd?
Brian Fagan: “Zorgwekkend is het feit dat er nog altijd mensen zijn die klimaatverandering ontkennen. Hoopgevend vind ik het feit dat meer en meer mensen zich bewust worden van de water- en droogteproblematiek en beseffen dat je dit moet aanpakken vanuit een langetermijnperspectief. Al moet ik daarbij opmerken dat we nog te veel aan onszelf denken en te weinig aan onze kleinkinderen. Positief is voorts het feit dat de wetenschap het klimaat beter begrijpt dan ooit tevoren. Maar de belangrijkste les die de geschiedenis ons kan leren, is het feit dat we mensen zijn, homo sapiens, een slimme soort die in staat is om te denken, te plannen, te innoveren en oplossingen te zoeken zoals geen enkel ander dier dat kan. Ja, er zullen verschrikkelijke rampen plaatsvinden en er zullen vele doden vallen, maar we zullen kunnen improviseren en voortleven zoals we dat altijd hebben gedaan. De grote uitdaging bestaat erin dat we met meer mensen zijn dan ooit tevoren en dat de problemen groter zijn dan ooit tevoren. Ben ik optimistisch? Ja. Ik denk dat we, ondanks de vele slachtoffers, uiteindelijk zullen overleven als mensheid.”

Verschenen in Argus Actueel op 26/4/12

Oliewinning bedreigt Virunga

De Congolese regering gaf toestemming voor olie-exploratie in een beschermd natuurgebied, alhoewel haar eigen wetten dat verbieden.

Het 7.900 km2 grote Nationaal Park Virunga in de Democratische Republiek Congo is de parel aan de kroon van de Afrikaanse wildparken. Virunga is het oudste Afrikaanse nationaal park, in 1925 opgericht door de Belgische kolonisator onder de naam Albert Nationaal Park en in 1979 door de Unesco uitgeroepen tot Werelderfgoed. De biodiversiteit is er fenomenaal: vijftig procent van alle planten- en diersoorten die leven in sub-Sahara Afrika komen voor in dit gebied, dat net iets kleiner is dan de provincies West- en Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant samen en dat in hoogte varieert tussen de 680 en 5109 meter. Van alle nationale parken in Afrika biedt Virunga, mede dankzij de hoogteverschillen, de meest diverse habitats: steppe, savanne, lavavlakten, moerassen, laagland, Afromontane wouden, Afro-alpine vegetatie, de massieven van Virunga en Rwenzori, met hun ijsvelden en de twee meest actieve vulkanen van Afrika. Virunga park is bovendien de plek die 200 van de 720 overblijvende hooglandgorilla’s ter wereld als hun thuis beschouwen.

Bedreigd paradijs

Dit Aards Paradijs wordt ernstig in zijn voortbestaan bedreigd door de steeds toenemende bevolkingsdruk, burgeroorlogen, het gebrek aan law and order, stropers, corruptie, illegale houtkap en houtskoolproductie. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, dreigt nu ook oliewinning een onherstelbare impact te hebben op mens en milieu. Het leek nochtans beter te gaan met Virunga de laatste jaren. De nieuwe directeur, Emmanuel De Merode, kiest voor ecotoerisme en zet in op veiligheid. Dertig procent van de recette van het park vloeit terug naar openbare werken die ten goede komen aan de bevolking die in en om het park woont. WWF heeft een succesvol project lopen, waarbij duurzame houtskool en efficiënte oventjes een aantrekkelijk alternatief bieden voor illegale houtkap. Maar ondertussen werd door de Congolese regering een concessie verleend aan de Britse maatschappij SOCO International om naar olie te speuren in het hart van het beschermde natuurpark. Aanvankelijk zijn alleen verkenningen per vliegtuig gepland, later ook seismische testen. Voor beide ondernemingen heeft SOCO de officiële Congolese toelatingen op zak.

Natuurbeschermingsorganisaties zoals WWF trekken aan de alarmbel. Marc Languy, Conservation Director for Central Africa, stelt: ‘Na jaren van gewapende conflicten, is het hartverscheurend om te zien hoe een oliemaatschappij de mensen en de dieren van het park door winstbejag in gevaar brengt. Oliewinning zal het park niet alleen schade toebrengen via boringen en vervuiling. Ook de bijbehorende toestroom van mensen brengt een risico met zich mee voor verdere conflicten die een vernietigende invloed kunnen hebben op de levens van de lokale gemeenschappen en de bedreigde soorten in het park.’

De toestemming voor exploratie is redelijk Kafkaiaans als je weet dat de Congolese kaderwet op de natuurbescherming olie-exploratie en -ontginning illegaal verklaart, stipt de Congolese natuurbeschermer René Ngongo aan. De UNESCO en verschillende Belgische volksvertegenwoordigers hebben al met klem geprotesteerd tegen de gang van zaken. En ook de lokale bevolking blijft niet bij de pakken neerzitten en lanceerde op 24 maart een oproep aan de regering, de internationale gemeenschap en SOCO om het contract te herzien en de wet toe te passen.

SOCO reageert

De Britse olie-exploratie- en productiemaatschappij waarrond het allemaal draait, tracht inmiddels de internationale en lokale gemeenschap gerust te stellen. Onder het kopje ‘Corporate Responsability’ belooft het bedrijf plechtig om nooit te opereren in extreem waardevolle gebieden, zoals de beschermde zone van de Virunga Vulkanen, de Mikeno-sector waar de gorilla’s verblijven en het regenwoud van de Virunga Mountains. Wat betreft de mogelijke oliewinning in andere beschermde gebieden, is SOCO er naar eigen zeggen van overtuigd dat die deels ten goede zullen komen aan de bevolking, zullen bijdragen tot stabiliteit in de regio, de verbetering van de plaatselijke levensstandaard en het milieu. De UNESCO van zijn kant drukt nogmaals zijn ‘grote bezorgdheid’ uit en herinnert eraan dat ‘olie- en mijnexploratie en -exploitatie specifiek verboden zijn in de beschermde delen van de Democratische Republiek Congo via de wet van 1969 en de mijn- en natuurbeschermingswet van 2002.’ Het belooft nog een spannende strijd te worden tussen unieke natuur en zakelijke belangen.

Verschenen in Argus Actueel, 12/4/12

Belgische industrie wereldrecordhouder watervoetafdruk

Door stijgend watergebruik en watervervuiling neemt wereldwijd de druk op zoetwaterreserves toe. Een nieuwe studie berekent de watervoetafdruk op wereldschaal.

Heel wat landen verbruiken nu al meer water dan ze zelf hebben. Ze doen dat door virtueel water te importeren – virtueel, omdat het niet gaat om water an sich, maar om water dat is gebruikt om geëxporteerde industriële of landbouwproducten te maken of kweken.

Door de notie van de watervoetafdruk wordt het duidelijk dat waterverbruik uitsluitend per land bekijken niet voldoende is. Het is belangrijk om waterverbruik vanuit wereldperspectief in kaart te brengen. Als we naar een echt duurzame maatschappij willen evolueren, moeten we ook rekening houden met virtueel geïmporteerd water. De watervoetafdruk of Water Footprint (WF) houdt daar rekening mee. De WF onderscheidt drie soorten zoet water: blauw (oppervlakte- en grondwater), groen (regenwater) en grijs (afvalwater, meer specifiek: de hoeveelheid zoet water die nodig is om vervuiling te verdunnen tot de toegelaten norm).

Bedenkelijk record voor de Belgische industrie

Professor Arjen Hoekstra en dr. Mesfin Mekonnen van de afdeling Water Engineering and Management van de Universiteit Twente in Nederland hebben de watervoetafdruk van de mens grondiger dan ooit tevoren in kaart gebracht. De landen met de grootste interne watervoetafdruk zijn China, India en de VS. Niet minder dan 38% van de mondiale watervoetafdruk wordt veroorzaakt door deze drie landen. India heeft van alle landen de grootste blauwe WF (24% van het wereldverbruik). Die wordt in de eerste plaats toegeschreven aan de irrigatie van tarwe (33% van de Indische blauwe WF), gevolgd door rijst (24%) en suikerriet (16%). China produceert het meeste afvalwater ter wereld. Zijn grijze WF is goed voor 26% op wereldschaal.

In alle landen neemt landbouw de grootste slok uit het waterverbruik. Dat geldt ook voor België, waar landbouw goed is voor 53% van de totale WF. Veel opvallender is het feit dat de Belgische industrie verantwoordelijk is voor maar liefst 41% van de totale watervoetafdruk van ons land. Daarmee staan we wereldwijd op de eerste plaats. In geen enkel ander land ter wereld heeft de industrie procentueel zo’n grote watervoetafdruk. Ter vergelijking: in de VS en China is de industrie goed voor respectievelijk 18 en 22% van de watervoetafdruk. Op wereldschaal bekeken zijn de gemiddelden als volgt: 92% van de WF is voor rekening van de landbouw, 4,4% voor de industrie en 3,6% voor huishoudelijk water.

Virtuele waterstromen

Op wereldschaal is 19% van de WF van de landbouw toe te schrijven aan exportproducten, voor de industriële sector gaat het om ongeveer 41% van de WF. Alle sectoren bij mekaar genomen is ongeveer 19% van de wereldwijde watervoetafdruk niet bestemd voor binnenlands verbruik maar voor export. De handel in gewassen en hun afgeleide producten is daarbij goed voor het grootste percentage (76%). Veehandel en industrie zijn elk verantwoordelijk voor 12% van de wereldwijde WF-export. De belangrijkste virtuele waterexporteurs zijn (in dalende volgorde) de VS, China en India, gevolgd door Brazilië, Argentinië, Canada en Australië. De grootste virtuele waterimporteurs zijn de VS, Japan, Duitsland en China. De overzichtskaart geeft aan welke landen de grootste importeurs en exporteurs van water zijn. De landen in het groen zijn netto waterexporteurs, de landen in het geel en het rood zijn netto waterimporteurs.

De grootste uitvoerders op het gebied van de blauwe WF zijn de VS, Pakistan, India, Australië, Oezbekistan, China en Turkije. Samen zijn zij goed voor 49% van de virtuele export van blauw water. Stuk voor stuk zijn het landen die in meerdere of mindere mate kampen met waterstress, dat betekent minder dan 1.700 m3 watervoorraad per inwoner per jaar – bij minder dan 1.000 m3 per inwoner per jaar spreekt men van een watertekort. De keuze om het beperkte blauwe water te gebruiken voor export lijkt voor deze landen niet altijd duurzaam, noch efficiënt. Veel heeft er wellicht mee te maken dat externe factoren zoals schaarste zelden of niet worden doorgerekend in de prijs van water voor gebruik in de landbouw.

Waterverspilling en waterschaarste

De watervoetafdruk per inwoner verschilt enorm tussen landen. De landen met de kleinste WF per capita zijn de DR Congo (552 m3 per inwoner). Een Brit heeft per jaar een WF van 1.258 m3, een Amerikaan heeft een watervoetafdruk van 2.842 m3. Toppers zijn Bolivia (3.468 m3), Niger (3.519 m3) en Mongolië (3.775 m3 per jaar per inwoner). Dat ligt voor een deel mogelijk aan onbetrouwbare cijfergegevens, maar vooral aan verschillen in consumptie- en productiepatronen. Zo ligt de vleesconsumptie in Bolivië 1,3 keer hoger dan het wereldgemiddelde, maar de WF per ton vlees ligt er vijf keer hoger dan het wereldgemiddelde. In Niger is het graanverbruik 1,4 maal hoger dan gemiddeld, maar de WF per ton graan is 6 keer zoveel als het wereldgemiddelde. Sommige landen die kampen met waterschaarste zijn extreem afhankelijk van extern water: Malta (afhankelijkheid voor 92%), Koeweit (90%), Jordanië (86%), Israël (82%), de Verenigde Arabische Emiraten (76%), Jemen (76%), Mauritius (74%) en Libanon (73%).

Voor landen in deze situatie is het cruciaal dat ze zich verzekeren van een duurzame en betrouwbare import van waterintensieve goederen die ze zelf niet kunnen produceren. Voor de landen met een veel grotere waterafdruk per geproduceerde eenheid dan gemiddeld zou deze studie de ogen moeten openen. Zij kunnen mogelijk op een veel efficiëntere manier met water omspringen en zo het schaarse water besparen. En dat is nodig, want door de groei van de wereldbevolking en de veranderende voedingspatronen (de toenemende vleesconsumptie met name) en de klimaatverandering zal waterschaarste en -stress de komende decennia alleen maar erger worden op veel plekken in de wereld.

Verschenen in Argus Actueel, 22 maart 2012