Een sensuele samenleving

Dat Ahmet Polat (32) op een bepaald moment op een andere manier is gaan fotograferen, heeft hij te danken aan een inbreker in Istanbul.

De jonge Ahmet wou tekenaar worden. ‘Ik had altijd een potlood in de hand’, zegt hij. ‘Het waren de docenten op de kunstacademie die me in de richting van de fotografie hebben gestuurd. Toen ik in mijn jeugdjaren door Europa reisde met InterRail, ontdekte ik hoe geweldig het is om mensen te fotograferen. Met je camera op straat rondlopen, proberen te begrijpen wat er allemaal gebeurt: heerlijk vind ik dat.’

Als fotografen die hem hebben geïnspireerd, noemt Ahmet in de oudere generatie de Amerikanen Garry Winogrand (1928-1984) en Lee Friedlander en in de nieuwe generatie de Zuid-Afrikaan Pieter Hugo en de Brit Martin Parr. ‘Die laatste niet zozeer vanwege zijn foto’s op zich, maar voor de manier waarop hij fotografie op een breder podium weet te zetten in de wereld.’

Het duurde even voor Ahmet Polat zijn hoogstpersoonlijke signatuur vond. ‘Zeven jaar heb ik gefotografeerd binnen de beperkingen die het werken met een Leica met zich meebrengt,’ zegt hij. ‘Het gegeven van één filmrolletje, één camera, één lens, en daarbinnen je eigen stijl ontwikkelen. Al is het bijzonder moeilijk om je eigen stem te vinden tegenover de rijke geschiedenis van het kleinbeeld. Twee jaar geleden werden bij een inbraak in mijn woning in Istanbul mijn camera’s gejat, waaronder die Leica. Ik had toen alleen nog de Pentax 67 over, waar ik voordien bijna nooit mee had gefotografeerd. Toen ik dat toch ging doen, ontdekte ik een beest van een camera, met een heel andere beeldtaal, met scherptediepte, perspectief en veel meer oog voor detail. Allemaal aspecten die ik graag verder wou exploreren.’

De foto van de jonge worstelaars is een van de allereerste die Ahmet met de 67 vastlegde. Hij maakte ze in Edirne, een Turkse stad dichtbij de Bulgaarse grens. ‘De jongens waren net helemaal ingeolied en klaar om het veld op te lopen. Vandaar een zekere spanning op hun gezicht. Ik vond het een heel mooi, stil moment. Voor mij schuilt er in de foto iets van de esthetiek van bepaalde commerciële campagnes, omdat het hele mooie jongens zijn die er bijna geposeerd lijken te staan, al was dat in werkelijkheid niet het geval.’

De houding van de jongens lijkt te twijfelen tussen onschuld en erotiek. ‘Ik vind de Turkse samenleving heel sensueel’, zegt Ahmet. ‘Zeker in vergelijking met Nederland, waar we meer recht voor de raap zijn over seksualiteit. In de Turkse cultuur schuilt dat meer in blikken, lichaamshoudingen, bewegingen, handelingen. Het is heel aantrekkelijk om naar te kijken.’

Het origineel van ‘Wrestler Boys’ is in kleur. Op Polats tentoonstelling in het FOAM is ze echter in zwart-wit te zien. Wat is de definitieve versie? Voor Ahmet is het heel simpel: ‘Dat hangt af van de context. De andere beelden in de tentoonstelling Kemal’s Dream zijn in zwart-wit. Het gaat me om het geheel: het zou storend werken als daar een paar kleurenfoto’s tussen zouden hangen.’

Outsider wordt insider

Ahmet Polat groeide op in Roosendaal, woont inmiddels in Den Haag, maar werkt voornamelijk in Turkije. Hij is de zoon van een Nederlandse moeder en een Turkse vader en woonde een tijdlang in Istanbul. Voelt hij zich een buitenstaander of een insider in Turkije? ‘In Istanbul voel ik me zeker een insider,’ zegt hij. ‘Ik heb er een netwerk, een jarenlang opgebouwde vriendenkring. Aanvankelijk voelde ik me Turk in Nederland en Nederlander in Turkije, maar daar ben ik nu aan voorbij. Ik ben Ahmet in Turkijke en Ahmet in Nederland. Sommige gedeelten komen sterker naar boven vanwege de context, dat wel. Maar dat is een heel menselijke trek: datgene wat men niet herkent, valt eerder op. Ik ben ervan overtuigd dat dit allemaal ten goede komt van mijn werk en de spanningen die ik daarin probeer op te zoeken: het spelen met verwachtingen en het doorbreken van clichés.’

Vindt Ahmet het makkelijker om in Turkije te werken dan in Nederland? ‘Ik gedij heel goed in Turkije’, antwoordt hij. ‘Het gaat me makkelijk af om contact te maken met de mensen op straat. In Nederland fotografeer ik ook heel veel, met name in Noord-Brabant. Ik gebruik de losheid om contacten te leggen die ik me in Turkije heb toegeëigend nu ook bij mijn werk in Nederland.’

Verschenen in Focus fotomagazine, december 2010


Wie haalt de knoop uit het sociaal overleg?

Het is een van de vaste rituelen van het Belgisch model: om de twee jaar voeren vakbonden, bedrijfsleiders en vakbonden overleg om nieuwe, bindende afspraken te maken. Maar dit jaar gaat het moeilijker dan anders.
Het is met de sociale onderhandelingen nog niet zo erg gesteld als met de regeringsonderhandelingen, maar erg vlot gaat het niet. Sinds 15 november zijn de sociale partners op zoek naar een nieuw Interprofessioneel Akkoord (IPA), waarin de loon- en arbeidsvoorwaarden voor de privésector worden geregeld en waarin een begin wordt gemaakt van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. Een IPA geldt voor twee jaar en wordt onderhandeld door de zogenaamde Groep van Tien: aan de ene kant de vertegenwoordigers van de werkgevers (verenigd in het VBO, Unizo, zijn Waalse tegenhanger UCM en de Boerenbond) en de vakbonden aan de andere kant. Zo’n tweejaarlijks IPA regelt de loon- en arbeidsvoorwaarden van maar liefst 2,6 miljoen Belgische werknemers. Donderdagmiddag, op het moment dat Jobat ter perse gaat, was er nog geen akkoord.
We vroegen aan Manou Doutrepont, directeur Sociale Zaken van Fevia, de federatie van de voedingsindustrie, en tevens lid van de sociale commissie van het VBO, hoe het er bij de sociale onderhandelingen aan toe gaat en waar de pijnpunten zich situeren.
Waarom is het dit jaar zo moeilijk om tot een akkoord te komen?
Manou Doutrepont: ‘Om te beginnen is er de loonkostproblematiek. Het rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) toont aan dat onze loonkosten ontsporen. Volgens de prognoses stijgen onze lonen alleen al door de automatische indexering meer dan in onze buurlanden. Er is dus geen ruimte voor loonsverhogingen, wat de zaak bijzonder moeilijk maakt voor de vakbonden. Ten tweede willen we eindelijk het probleem van de verschillen tussen arbeiders en bedienden oplossen, zonder voor een totale harmonisering naar boven te zorgen. Doordat er geen regering is, liggen de machtsverhoudingen anders. De sociale partners zijn meer op elkaar aangewezen. Tenslotte ontbreekt het vanwege de Belgische budgettaire situatie aan geld om als smeermiddel te gebruiken.’
Zijn loonsverhogingen in de huidige omstandigheden ondenkbaar?
‘Wat ons betreft, kan er geen sprake zijn van loonstijging boven de automatische index zo lang de concurrentiehandicap niet hersteld. Daarnaast moeten we zeer voorzichtig omgaan met de totale loonkost zo lang de werkgelegenheidsgraad geen 70% bedraagt.’
Wat willen de werkgevers met het overleg bereiken?
‘Sociale vrede is altijd de essentie van een IPA, in dit geval om een verdere ontsporing van de loonkosten tegen te gaan. We willen een evenwichtige oplossing vinden voor arbeiders en bedienden. België verliest marktaandeel in de wereld en we willen ruimte creëren om te concurreren en onze positie in de wereldhandel te handhaven.’
Is de fiscale druk niet het grootste probleem in de loonkost?
‘De loonwig is een prioriteit voor de werkgevers, maar de komende twee, drie jaar is het niet het moment om het verschil tussen de totale loonkost en het netto-inkomen aan te pakken. Je kan de regering niet vragen om de personenbelasting te verlagen op een moment dat er miljarden moeten worden bespaard. Maar misschien zijn er creatieve oplossingen mogelijk.’
De ABVV ziet in het rapport van de CRB wel ruimte voor een loonstijging in 2011 en 2012.
‘Hoe komen ze erbij? Het rapport van de CRB is duidelijk wat dat betreft: de loonkosthandicap zwelt aan. Dit rapport wordt vooraf gecontroleerd door de sociale partners. De inkt is nog niet droog en iedereen begint te interpreteren.’
De traditie wil nu eenmaal dat de sociale vrede in België wordt afgekocht.
‘Het grote verschil is dat er nu geen geld is om de consensus te vergemakkelijken. Het was vroeger altijd een systeem van geven en nemen tussen de politiek en de sociale partners. Dat is nu eenmaal ons systeem. Nu dat aspect een aantal jaren wegvalt, kunnen er misschien veranderingen komen. Maar in de jaren zeventig heeft het model ook overleefd toen er jarenlang geen centraal akkoord was. Het Belgische sociaal overleg is meer dan wat de Groep van Tien doet. Er kunnen ook afspraken gemaakt worden op sectoraal niveau.’
Dreigt het einde van het Belgische overlegmodel?
‘Het Belgisch neo-corporatistisch model wordt volgens mij niet in vraag gesteld. Ik heb nog geen enkel voorstel voor een fundamentele wijziging van onze arbeidsmarkt gezien. De automatische index wordt door velen in vraag gesteld, maar dat is een emanatie van ons systeem, geen pijler. Ik denk niet dat ik voor mijn pensioen het moment zal meemaken dat er serieus onderhandeld wordt over de grondslagen, zoals de algemeen verbindende verklaring, de afdwingbaarheid van de sociale vrede, de syndicale premies en de mogelijkheid om cao’s te sluiten met de vakbondsafvaardiging. Er bestaan veel alternatieve modellen. Maar welk zou kunnen worden toegepast in het Belgisch landschap? Ik zie er geen enkel.’
Is Duitsland niet het na te volgen voorbeeld?
‘Ik ken het Duitse model niet voldoende om daar een antwoord op te geven. We zijn in ieder geval jaloers op de consensus die daar is bereikt tussen werkgevers en vakbond. Maar er zijn te veel verschillen met Duitsland en we kunnen ons systeem niet genetisch manipuleren. We moeten zelf de aanpassing van ons model uitvinden.’
‘Het gras is niet groener aan de overkant’
Guy Van Gyes is hoofd van de onderzoeksgroep Arbeid en Organisatie van HIVA-KU Leuven (beter bekend als het Hoger Instituut voor de Arbeid). Socioloog en historicus Van Gyes noemt het Belgische model van de sociale overlegeconomie uniek en waardevol, maar fragiel. Hij relativeert de gevolgen van het uitblijven van een interprofessioneel akkoord. ‘In de afgelopen vijftig jaar was er vaker géén dan wel een IPA’, merkt hij op. ‘Door de jaren heen heeft België een uniek systeem ontwikkeld dat de werknemers een gegarandeerd minimumloon, een degelijke ontslagbescherming en een automatisch geïndexeerd loon biedt en de werkgevers een grote productiviteit en relatieve sociale rust garandeert. De kern van dit systeem zijn sectorale loonafspraken, die er ook waren in periodes zonder IPA. De basis is het verenigen van belangen en het zoeken naar een balans tussen economische groei en winst enerzijds en sociale vooruitgang en cohesie anderzijds.
‘De bestaande regeling is met vallen en opstaan tot stand gekomen in voornamelijk de jaren vijftig en zestig en ze is nog altijd geen evidentie,’ stelt Van Gyes. ‘Het is een set van afspraken die gewijzigd kunnen worden en zelfs kunnen verdwijnen. Het is een model dat we internationaal gezien enkel terugvinden in West-Europa. Sinds de jaren tachtig en negentig staat ons model van solidaristische loonpolitiek onder druk. Ook werkgevers formuleren nu hun eisen en de competitiviteit wordt belangrijker. Via het generatiepact en de discussie over de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen is ook de sociale zekerheid het IPA-overleg binnengeslopen. En ondertussen zijn we een onderdeel van de eurozone geworden en moeten we ook daarmee rekening houden. Transnationalisering van ons systeem – dat we tot op zekere hoogte in de meeste andere Euro-landen terugvinden – in alle EU-landen is de grootste uitdaging.’
Onze loonverschillen tussen sectoren en beroepen zijn vergelijkbaar met die in andere Europese landen, stelt Van Gyes. ‘Een land als het Verenigd Koninkrijk met een totaal ander model kende een veel grotere gemiddelde loonstijging dan ons land in de laatste vijftien jaar. Wij hebben dan wel het uniek systeem van een veralgemeende automatische indexering van lonen, maar een studie van de Europese Centrale Bank wees uit dat 38% van de werknemers in de Eurozone zulke jaarlijkse indexering kent. Alleen de loonwig, het verschil tussen bruto en nettoloon, is bij ons extreem groot. De belastingen op arbeid moeten omlaag: de regering zal elders inkomsten moeten vinden.’
Nogal wat bedrijfsleiders wijzen tegenwoordig naar onze belangrijkste handelspartner, Duitsland en zijn politiek van loonmatiging als het te volgen voorbeeld, maar daar is Van Gyes het niet mee eens. Extreme loonmatiging dreigt tot verminderde koopkracht te leiden, en dan valt de motor van de economie stil. ‘Het gras is niet altijd groener aan de overkant,’ zegt hij. ‘Duitsland heeft op korte termijn een onderklasse gecreëerd door mini-jobs en de uitholling van zijn georganiseerd systeem van loonvorming. Ons systeem is trouwens flexibeler dan we soms denken. Voor de CRB berekenden we dat macro-economisch bekeken onze loonevolutie even sterk op een economische schok reageert als die van andere landen.
Ondertussen is er volgens Guy Van Gyes wellicht toch al terug ruimte voor loonstijging. ‘De grote bedrijven kunnen alweer mooie winstcijfers voorleggen en dat mag zich vertalen in loonstijgingen. We doen het zeker niet slecht als je België vergelijkt met de rest van de eurozone en ik vind dan ook niet dat we ons moeten spiegelen aan de extreme Duitse maatregelen. Maar belangrijker dan de discussie over loonstijging lijkt me het debat over innovatie en werkgelegenheid. Een verhoogde productiviteit of waardecreatie door innovatie en slimmer werken. Daar wordt onze slagkracht op afgerekend. De koek moet groot genoeg zijn voor je kan praten wie – arbeid, kapitaal of overheid – welk stuk krijgt. Ik ben voor discipline in de inkomensevolutie van de gewone werkman of -vrouw als ze gepaard gaat met sterke investeringen in innovatie en kennis. En op voorwaarde dat deze ruimte voor ondernemen met behulp van goede overheidsregulering een bijdrage levert aan onze sociale toekomst op lange termijn.’
Een pijnpunt is wat Van Gyes het doorsijpelen van de N-VA-reflex of de staatshervormingsfixatie noemt: het idee dat onze traditionele instituties, zoals gecentraliseerde en georganiseerde loononderhandelingen ons Vlamingen alleen maar kosten en inflexibiliteit opleveren. ‘VOKA is weliswaar niet aanwezig bij het overleg, maar is de eerste vertolker van deze populistische boodschap van de hogere (midden)klasse in Vlaanderen, de huidige winnaars in onze economie. Ons systeem is marktcorrigerend en levert grotere inkomensgelijkheid op. De gewone Vlaamse arbeider en bediende heeft dus zeker belang bij het behoud van het systeem. Laat ons liever uitgaan van de bewezen kracht van ons systeem en hoe we dit als een uniek voordeel in de globaliserende economie kunnen uitspelen.’

Gepubliceerd in Jobat, 15/1/2011

Vlieg op de muur

De Amsterdamse Anne Marie Trovato fotografeerde jarenlang het leven van haar voormalige Turkse overburen. Tijdens een lange, met drama geladen nacht maakte ze een bijzondere foto.

De  foto dateert van 17 november 2003. De volgende dag zou Trovato’s vroegere overbuurvrouw Remziye Nederland worden uitgezet omdat ze er illegaal verbleef, al was ze hier getrouwd en moeder van drie dochters met een Nederlands paspoort. ‘Andere keren had ik nooit zo veel mensen samen in het huis gezien’, zegt Anne Marie Trovato. ‘Het waren familieleden die afscheid kwamen nemen. Ik heb de foto halverwege de nacht gemaakt. De volgende dag hebben we Remziye naar Schiphol gebracht en is ze door de marechaussee het land uitgezet, al kon ze later terugkomen in het kader van gezinshereniging.’

‘Met deze foto wilde ik niet alleen de volheid van de kamer laten zien, maar ook tonen hoe iedereen alleen met zichzelf bezig is’, zegt Anne Marie. ‘Op mij kwam het over dat men zich misschien niet volledig realiseerde wat er de volgende dag zou gebeuren. De helft zit televisie te kijken, een paar spelen een spelletje en ik zat op de bank met een ander meisje. Omdat het de hele dag geregend had, liggen de natte spullen op de verwarming te drogen.’

Die novembernacht kreeg Anne Marie Trovato een inzicht. ‘Vroeger koos ik eerder voor veilig: mooie portretten. Met dit project wilde ik documenteren, puur vastleggen wat ik zag en ontdekken of dat bevredigende beelden oplevert, want natuurlijk vind ik mooi licht en een bepaalde esthetiek nog altijd belangrijk, maar de inhoud en het verhaal zijn meer op de voorgrond getreden. Die dag ben ik om drie uur ’s middags begonnen met fotograferen en lag ik pas om drie uur ’s nachts in mijn bed. De eerste keer dat ik twaalf uur lang mijn camera in mijn hand had. Voordien was het meer gepland of beperkt tot een paar uurtjes. Twaalf uur fotograferen is best wel vermoeiend: het gaat in golven en pieken.’

Fotograferen zonder oordeel

Door haar langdurige aanwezigheid slaagde Anne Marie erin om als het ware in het behang te verdwijnen en puur te registreren. ‘Als fotograaf viel ik al heel snel niet meer op in het gezin’, zegt ze. ‘Ik lijk een beetje op de meisjes met mijn donker haar en kleine gestalte. Ik kan me snel aanpassen aan situaties.’ Is het geen illusie om te denken dat je als fotograaf geen invloed uitoefent op het gezin dat je volgt voor een documentaire opdracht? ‘Die invloed is heel miniem’, zegt Anne Marie Trovato. ‘Maar ik ben me wel heel beducht voor het mogelijk effect van mijn foto’s, die verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Want om eerlijk te zijn: dit is geen voorbeeldgezin. Dit is niet wat de Nederlandse regering verwacht van integratie. Zelf fotografeer ik zonder oordeel. Het gezin heeft me alle warmte en gastvrijheid geboden. En ik doe niet meer dan laten zien hoe ze leven.’

‘Fotografisch is het heel boeiend om mensen vijf jaar lang intensief te volgen. Met de politieke lading die je erachter kunt zoeken, heb ik het moeilijk. Ik ben bang voor generalisering en stigmatisering. Maar misschien voel ik te veel compassie en ben ik als fotograaf niet hard genoeg.’

Anne Marie Trovato is de dochter van een Nederlandse moeder en een Siciliaanse vader. Hielp het om zelf van vreemde origine te zijn om migranten te fotograferen? ‘Ik weet wat het is om anders te zijn dan de rest, omdat ik opgroeide in een klein dorp bij Utrecht en een Italiaans uiterlijk heb. Ik werd wel eens uitgescholden voor buitenlander of zigeuner. Ik voel me wel Nederlandse, maar wanneer ben je dat nou echt?’

Gepubliceerd in Focus, februari 2011

Portefeuille Louis Machiels

‘De beurs is niets voor mij’

Louis Machiels vertegenwoordigt de derde generatie in het familiebedrijf Group Machiels, een Limburgs bedrijf dat op vier continenten actief is en zich steeds meer profileert als groene onderneming.

Bent u een actieve belegger?

‘De beurs is niet aan mij besteed. Ik heb tien jaar geleden geprobeerd om in aandelen te beleggen en het viel tegen. Ik investeer liever in zaken die tastbaar zijn en die ik zelf mee kan sturen. Naar koersen op een scherm turen, is niets voor mij. Onze groep is voldoende gediversifieerd, met naast milieuactiviteiten ook vastgoed. We kopen grond, bouwen bedrijfsgebouwen en zoeken solide huurders. Het is aangenamer om zelf iets te creëren waarvan je precies weet wat het opbrengt.’

U bezit de grootste zonnecentrale van de Benelux, met 100.000 zonnepanelen. Is dat uw beste investering in ons land?

‘Toch niet. We spreken hier over een rendement van circa 9%, wat aanvaardbaar is vanuit een langetermijnvisie. De groenestroomcertificaten beschouw ik als een soort staatsbon. Een investering met een beperkt risico, zolang je gelooft in het land, en dat is wat mij betreft nog altijd het geval. Van een echte industriële investering verwacht ik toch een hoger rendement van pakweg 15%.

Projecten zoals de Remo-site, waarin u 3,6 miljoen euro investeert en de overheid 2,4 miljoen?

‘Daar hopen we een rendement van 15% te halen. Het gaat over een voormalige stortplaats, waar we met de meest geavanceerde technieken afval zullen recycleren en groene energie opwekken door verbranding, waarbij het eindproduct verglaasd wordt. Het project voorziet in 800 werkplaatsen gedurende 20jaar, waarvan 70% voor laaggeschoolden. Nadat al het afval is verwerkt, hopen we de toestemming te krijgen om van de site een natuurgebied te maken.’

U verwijst naar milieuzorg en werkgelegenheid. Komt winst maken niet op de eerste plaats?

‘Een onderneming moét winst maken. In mooie tijden moet je een oorlogskas aanleggen voor de slechtere tijden, zei mijn grootvader altijd. Anders kunnen we ook geen belastingen betalen. Maar het sociaal aspect is heel belangrijk, om als bedrijf aanvaard te worden in de maatschappij.’

Alle aandelen van de groep zijn in familiehanden. Hebt u nooit een beursgang of een zoektocht naar extern kapitaal overwogen?

‘Dat is nog te vroeg voor de Group Machiels. Bovendien is de onafhankelijkheid, de flexibiliteit en de snelheid van beslissen, eigen aan een familiebedrijf, ons zeer dierbaar. We moeten aan niemand anders verantwoording afleggen dan aan de familie, de raad van bestuur en de werknemers. Dat loopt prima. Naarmate we meer grote projecten opstarten, sluit ik niet uit dat we extern kapitaal zullen ophalen, maar dan zullen we nog altijd graag de meerderheid hebben en aan het roer staan.’

Waar geeft u met plezier geld aan uit?

‘Aan lekker eten met vrienden, met een goed glas wijn erbij. Aan een mooie auto kan ik ook geld spenderen, dat is ook een investering op zich. Als ik moet kiezen tussen een Rubens en een Ferrari 250 GTO, kies ik zonder twijfel voor de auto. Autoracen is al van jongs af een hobby voor mij, een microbe zelfs. Het houdt me nuchter en het helpt me te focussen. En hoeveel het me precies kost per seizoen, hangt vooral af van hoeveel brokken ik maak.’ (lacht)

SLECHTSTE INVESTERING

‘We hebben ooit een palmolieplantage geëxploiteerd in Nigeria. Ze was in handen van de overheid en werd geprivatiseerd. Het land was te corrupt en wij waren niet kapitaalkrachtig genoeg. Maar je moet durven verliezen om later te kunnen winnen.’

BESTE INVESTERING

‘De keuze om dertien jaar geleden naar Zuid-Amerika te trekken, dat onze tweede thuisbasis is geworden. In Chili zijn we van in het begin als een oplosser van milieuproblemen beschouwd, terwijl we hier jarenlang tegen het imago van vervuiler hebben gevochten.’
www.machiels-group.be

Portefeuille Bart Becks

Wie vorig jaar via SonicAngel een fanshare van Tom Dice kocht voor 10 euro, kreeg ondertussen een dividend van 26 euro uitbetaald. Hoe gaat het met de beleggingen van de man achter dat plan?

Bart Becks was CEO van Skynet en BelgacomTV, president New Media bij SBS en ProSiebenSat.1. In 2009 stampte hij met Maurice Engelen het online muziekplatform SonicAngel uit de grond.

U stopte uw eigen spaargeld in SonicAngel. Hoe bouwde u dat kapitaal op?

‘Ik was al op vrij jonge leeftijd CEO bij Belgacom, met een vrij goede renumeratie. In het begin van mijn loopbaan kon ik niet veel sparen omdat ik voor een deel mijn studies zelf betaald had. Daarna heb ik vooral veel uitgegeven, maar toch heb ik altijd wat proberen te sparen. Van de regel dat managers vooral geld verdienen als ze worden ontslagen, heb ik nog niet kunnen profiteren, want ik ben altijd zelf opgestapt.’ (lacht)

Ben u een man van beleggingen of van het spaarboekje?

‘Beide. Toen mijn zoon geboren werd, heb ik geld opzij gezet zodat hij op zijn achttiende een bedrijf kan opstarten, een wereldreis maken of aan om het even welke universiteit kan studeren. Goed dat hij dat nu nog niet kan lezen. ((lacht) Beleggen heb ik altijd gedaan in de sectoren waarin ik actief ben. Ook in de absurde periode zo’n tien jaar geleden toen zowat elk bedrijf bij zijn beursintroductie in waarde verdriedubbelde. In de internetbubbel gold dat soms zelfs voor echte prutsbedrijven. Als ik in iets beleg, tracht ik te kiezen voor domeinen die ik begrijp en bedrijven die ik relevant vind. Bij Yahoo en Google was ik er van in het begin bij.’

Ging het over grote volumes?

‘Nee, doorgaans investeer ik geen grote bedragen. Door aandelen te kopen, verplicht ik mezelf om het globale karakter van die domeinen te volgen, al zit ik niet dagelijks de koersen te checken. Zo zie je nu in Japan en China hetzelfde als wat er een aantal jaar geleden in Silicon Valley gebeurde. Ik heb bijvoorbeeld aandelen van tudou.com gekocht, de Chinese YouTube. Anderzijds zie je ook dat traditionele tv-zenders afgelopen jaar overal goed geboerd hebben. TV is terug hot.’

Kunt u daar een voorbeeld van geven?

‘ProSieben is waarschijnlijk mijn beste en slechtste aandeel ooit. Ze zijn op anderhalf jaar tijd van 1 euro in maart 2009 naar meer dan 24 euro gestegen half januari 2010. Toen ze zo laag stonden, heb ik bijgekocht omdat de prijs ver onder de intrinsieke waardering lag. ProSieben is afgestraft voor zijn internetstrategie, maar nu tv een geconnecteerd medium wordt én omdat mensen in crisis altijd teruggrijpen naar iets bekends, boert tv goed.’

Gaat u anders met geld om nu u uw eigen bedrijf runt?

‘Het is totaal anders. Niet alleen stopten Maurice Engelen en ik ons geld in SonicAngel, we betaalden onszelf de eerste maanden ook niets uit. Plots hadden we zeven mensen in dienst die we moesten betalen. Je moet heel zeker zijn van waar je mee bezig bent. Ik hou ervan om nieuwe bedrijven te starten als het crisis is, omdat het je dwingt om heel gezond om te gaan met financiën. We zijn een lean start-up die meteen aan valorisatie heeft gedacht. Muziek blijft een markt van 65 miljard dollar: er is dus nog altijd zeer veel potentieel.’

Ondertussen hebben jullie ook extra cash opgehaald via fanshares en externe investeerders.

‘Ja, alleen het eerste jaar hebben we alles alleen gedragen. Met het nieuwe kapitaal hebben we de internationalisering kunnen investeren, met een vestiging in L.A. Maar we zijn ondertussen redelijk lean gebleven als bedrijf. Ik betaal mezelf een klein loon uit en betaal mijn reizen naar onze vestiging in L.A. nog altijd uit eigen zak. Eerlijk gezegd heb ik nogal weinig materiële behoeften. Vroeger gaf ik veel geld uit aan concerten, nu is dat mijn job geworden. Wat ik belangrijk vind is dat het bedrijf verder groeit, en dat ik de mensen die geïnvesteerd heb royaal kan compenseren. Zij hebben uiteindelijk mee het risico genomen.’

BESTE INVESTERING

‘Het opstartkapitaal voor Sonic Angel. Wat er later ook gebeurt, ik ben er zeker van dat ik op mijn vijfenzestigste in mijn schommelstoel heel fier en tevreden zal terugkijken op het feit dat ik deze investering heb gedaan en al die jonge artiesten heb gelanceerd.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Ik heb ooit per ongeluk een pakket gekocht van het verkeerde aandeel. Toen ik mijn beursportefeuille bekeek, zag ik dat het vijf keer in waarde was gezakt. Toen ontdekte ik dat ik de verkeerde tickercode had ingegeven en mp3tunes.com in plaats van mp3.com had gekocht.’

Verschenen in De Standaard op 31/1/2011

Internet

http://www.sonicangel.com


Klimaatverandering en water: nu eens te droog, dan weer te nat

Op de eerste van vier lezingen over waterbeschikbaarheid en klimaatsverandering aan de Antwerpse Universiteit schetsten twee gerenommeerde experts een dramatisch beeld van de gevolgen van de klimaatsverandering op het weer en de waterproblematiek in de wereld en in België.

“Het is bijzonder frustrerend”, verzuchtte professor dr. Jean-Pascal van Ypersele bij het vragenmoment na afloop van de lezing, reagerend op vragen over klimaatsceptici en de inertie bij de overheid. “Het is duidelijk dat het voor sceptici veel makkelijker is om twijfel te zaaien dan voor klimatologen om ons gelijk te bewijzen. Nochtans mogen we geen tien jaar meer wachten om maatregelen te treffen. De onzekerheid die inherent is aan onze wetenschappelijke modellen en die men aangrijpt om te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan, is in feite uiterst beperkt. Zo’n foutenmarge mag geen reden zijn om niets te ondernemen. Net zoals een ingenieur een brug bouwt met een ruime veiligheidsmarge, ver boven het maximaal toegelaten gewicht, zo moeten wij ook onze waterkeringen aanpassen aan meer dan waarschijnlijke worst case scenario’s. We vinden het evident dat tien miljoen Belgen een brandverzekering neemt, terwijl de kans dat ons huis uitbrandt kleiner is dan 1%. Laat dat reden genoeg zijn om klimaatsveranderingen die met 66% tot 90% zekerheid dreigen plaats te vinden tegen te houden door onze CO2-uitstoot te verminderen en hun mogelijke effecten te beheersen door de nodige infrastructuurwerken.”

Prof. Van Ypersele is als vice-voorzitter van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) een van de wereldautoriteiten op het gebied van de klimaatsverandering. Voor zijn presentatie putte hij voornamelijk uit het rapport Climate Change and Water, dat IPCC in 2008 publiceerde, maar eerst zette hij nog eens de conclusies uit het laatste Assessment Report op een rij. “De opwarming van het klimaat is onmiskenbaar, zoals blijkt uit de stijgende lucht- en zeetemperaturen, het wijd verspreide smelten van sneeuw en ijs en het stijgen van het zeeniveau. Dat deze gebeurtenissen te wijten zijn aan menselijke handelingen, is voor 67 procent waarschijnlijk. De laatste 50 jaar hebben we de hoogste temperaturen opgetekend van de voorbije 1.300 jaar, en we kunnen met 90% zekerheid stellen dat dit is veroorzaakt door broeikasgassen van menselijke activiteiten. Zonder een daling in deze emissies, zullen de temperaturen wereldwijd stijgen met 1,1 tot 6,4° C en zelfs hoger tegen 2100, afhankelijk van het klimaatmodel. De zeespiegel kan 18 tot 59 cm stijgen, zonder rekening te houden met de ijskappen van Groenland en de Zuidpool. De frequentie en/of de intensiteit van extreem weer – hittegolven, droogtes, overstromingen… – zal toenemen.”

De dreiging van catastrofes
Voor sceptici die in de hevige sneeuwval van deze winter en in zware overstromingen een weerlegging zien van de opwarming van de aarde, heeft prof. Van Ypersele slecht nieuws. “Het is pure fysica. Als de atmosfeer warmer is, verdampt er meer water uit de oceanen. Een warmere atmosfeer is ook in staat om meer waterdamp vast te houden. Als die damp in contact komt met koude lucht en condenseert, krijg je grote hoeveelheden sneeuw en regen. De sneeuwval van afgelopen winter is dus veeleer een bewijs voor de opwarming van het klimaat.”

Die opwarming heeft nu al gevolgen voor ijskappen en gletsjers, met name in Patagonië, Alaska, het noordwesten van de VS en het zuidwesten van Canada, blijkt uit cijfers van 1960 tot na 2000. De Europese gletsjers ontspringen voorlopig de dans (ondanks uitzonderingen), wellicht door de toegenomen sneeuwval in de winter, die het versnelde smelten in de zomer in evenwicht houdt. Maar in de Andes is de situatie dramatisch, omdat “gletsjers er als watertorens functioneren en het water geleidelijk verdelen door een langzaam smeltproces in de zomer,” legt prof. Van Ypersele uit. Als dat proces verstoord wordt, dreigt een catastrofe.

Voor West-Europa zijn de verschillende klimaatmodellen het voor 66 tot 90% met elkaar eens: “We krijgen meer regen in de winter, en minder in de zomer. Het Middelandse Zeegebied wordt zeer droog in de zomer, met mogelijk gevolgen voor de watervoorziening. Het Technical Paper van het IPCC is formeel: ‘Zoetwatervoorraden dreigen ernstig de impact te voelen van de klimaatverandering.”’

Nu al kunnen we uit gegevens van de laatste veertig jaar vaststellen dat de neerslag toeneemt in het noorden, en afneemt in het zuiden. De oppervlakte van de gebieden die als zeer droog te boek staan, is verdubbeld sinds 1970. Drinkwatertekort is maar één van de gevolgen van de toenemende droogtes. Ze zullen ook gevolgen hebben voor waterkrachtcentrales, die minder stroom kunnen produceren. De kwaliteit van het water gaat erop achteruit, het grondwaterpeil wordt onvoldoende aangevuld, de oogsten van tarwe en de zalmpopulatie slinken. Tegelijk worden door de bij momenten hevige regenval zware overstromingen steeds waarschijnlijker. Mede door de stijging van het zeeniveau dreigen overstromingen in Bangladesh een kwart meer oppervlakte te overspoelen.

Professor Van Ypersele merkt daarbij op dat de huidige modellen slechts negentig jaar vooruitkijken. “Bij een toename van de huidige temperaturen tussen de 1 en de 4°C dreigt ook het verdere wegsmelten van de ijskappen van Groenland en West-Antarctica. Als het ijs van Groenland volledig smelt – een proces dat eeuwen tot millennia zou kunnen duren – verhoogt de zeespiegel met 7 meter. Het volledig wegsmelten van het Zuidpoolijs zou de zeespiegel met 5 m doen stijgen. Een feit met enorme implicaties als je weet dat alleen al in de Egyptische Nijldelta tien miljoen mensen leven op een gebied dat zich op (minder dan) 1 m boven de zeespiegel bevindt.”

De meteorologische toekomst van België
Professor dr. ir. Patrick Willems houdt zich onder andere bezig met het op microschaal uitdiepen wat het IPCC op macroschaal doet. Hij onderzoekt met name wat de mogelijke impact van de klimaatsverandering is op het Belgische waterbeheer. Professor Willems en zijn team gingen daarvoor als volgt te werk. Ze vergeleken de projecties van verschillende globale en regionale klimaatmodellen met de historische data van Ukkel. Over het algemeen was er een goede overeenstemming tussen de computermodellen en de historische data. Na het statistisch uitzuiveren en verfijnen van modellen, kwam Willems tot de volgende toekomstscenario’s voor het weerpatroon in België, met de nodige slagen om de arm, vanwege de onvolkomenheden van de regionale klimaatsmodellen. “De winters zouden tot 60% natter kunnen zijn, de zomers tot 70% droger. De gemiddelde wintertemperatuur zou met 1,5 tot 4°C kunnen toenemen, de zomertemperaturen naargelang het model met 2 tot 7° C. Het aantal lichte stormen zal afnemen in de zomer, net als het aantal natte dagen. Het aantal zware zomerstormen zal toenemen, een trend die ook al naar voor komt in de data van de laatste dertig jaar.” Uiteraard houdt professor Willems rekening met de natuurlijke schommelingen in het klimaat, die hij voor ongeveer de helft verantwoordelijk acht voor de stijgende temperaturen. Maar de andere vijftig procent is het werk van de mens. Uiteindelijk distilleerde prof. Willems drie mogelijke toekomstscenario’s uit de gegevens: een ‘hoog’ scenario met veel neerslag en overstromingen, een ‘gemiddeld’ met milde veranderingen en een ‘laag’ met weinig neerslag en droogte.

Voor de leek lijkt het op het eerste gezicht allemaal nog mee te vallen: warmere en drogere zomers, en de nodige onzekerheid over toenemende overstromingen, wie zou daar niet voor tekenen in ons land? Toch waarschuwt Patrick Willems voor misplaatst optimisme. “Zwaardere overstromingen kunnen zeker voorkomen. Een getijdenrivier als de Schelde dreigt ook sterk beïnvloed te worden door het stijgende zeeniveau in de komende honderd jaar. Dat betekent dat het zoutgehalte in de rivier zal toenemen. Tot op welk punt, dat zijn we nu volop aan het onderzoeken. Maar het grootste probleem zit hem in de te droge zomers, waar alle scenario’s unaniem over zijn. Die zullen leiden tot een verdere daling van het grondwaterpeil, voor problemen van bevaarbaarheid van onze rivieren, voor moelijkheden met de waterkwaliteit en de waterwinning.”

Hydroloog Willems vervolgt: “Anders dan men doorgaans aanneemt, zijn we in België niet gezegend met een te veel aan water, wel integendeel. De gemiddelde beschikbaarheid van water per inwoner in Vlaanderen en Brussel bedraagt momenteel 1.480 m3 per jaar. Terwijl volgens internationale standaarden minder dan 2.000 m3wordt beschouwd als zeer weinig, en minder dan 1.000 als een ernstig watertekort. Daar zitten we dus precies tussenin. Iets wat veroorzaakt wordt door onze hoge bevolkingsdichtheid, de zeer beperkte infiltratie van de bodem doordat we in zo’n zwaar geürbaniseerde en dicht geasfalteerde regio wonen. Drinkwaterwinning gebaseerd op grondwater wordt een zaak van het verleden, zoals waterbedrijven maar al te goed beseffen.”

Prof. Willems stelt meteen een paar concrete maatregelen voor. “We moeten 30% meer opslag voorzien voor water. We moeten meer regenwater in de bodem laten sijpelen tijdens de winter om de grondwaterlagen terug op peil te krijgen. En wat betreft de relatieve onzekerheid van overstromingen, moeten we het relatieve risico afwegen tegen de grote gevolgen. Het is aangewezen om nieuwe infrastructuur aan te passen zodat ze climate proof is onder alle omstandigheden. Daarom kan best gekozen worden voor zo flexibel mogelijk ontwerp.”

Serieuze wetenschappers kunnen de toekomst niet exact voorspellen, en ze houden graag een paar slagen om de arm voor hun foutenmarge. Maar als er één ding zeer duidelijk naar voren komt uit het betoog van de professoren Willems en Van Ypersele, is het dat we zo snel mogelijk werk moeten maken van maatregelen om de verdere opwarming van de aarde te vermijden door de uitstoot van broeikasgassen radicaal te verminderen. En anderzijds moeten we ons, ook in België, wapenen tegen een toekomst die periodes van grotere droogtes en nijpend watertekort dreigt af te wisselen met periodes van hevige neerslag en bijbehorende overstromingen.

Meer weten over water en klimaat?
De Engelstalige lezingenreeks Water in de wereld wordt georganiseerd door het Instituut voor Milieu en Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit Antwerpen in samenwerking met de Vlaamse Milieumaatschappijen ARGUS. Ze kadert in de Leerstoel Integraal Waterbeheer van de UA maar is voor iedere geïnteresseerde toegankelijk. Volgende afspraken op 2 maart, 7 april en 5 mei. Meer info en presentaties van de sprekers op www.argusmilieu.be.

Is Europa klaar voor de hernieuwbare energierevolutie?

De conclusie van een nieuw rapport van Greenpeace is duidelijk: een toekomstscenario met 100% hernieuwbare elektriciteit in Europa is niet alleen haalbaar maar bovendien betaalbaarder dan tot nog toe werd aangenomen.

Een van de opvallende voorspellingen van het Greenpeace-rapport Battle of the Grids is dat 68% hernieuwbare elektriciteit tegen 2030 goed is voor maar liefst 1,2 miljoen jobs. De studie maait ook het gras weg onder de voeten van critici die wijzen op de onberekenbaarheid van hernieuwbare energie. Dat alles op voorwaarde dat de nodige stappen worden genomen om de situatie op het terrein in overeenstemming te brengen met de beloftevolle computermodellen.

Om ook onder de meest ongewenste klimatologische omstandigheden, met name op windloze momenten zonder zonneschijn, te kunnen opereren, is een op Europese schaal geïntegreerd elektriciteitsnetwerk nodig, een zogenaamd ‘super grid.’ Tussen 2030 en 2050 zorgen waterkracht, geothermische-, wind-, zonne-energie en biomassa voor een steeds groter percentage van de elektriciteitsproductie in dit ideale scenario. Aardgascentrales dienen als flexibele back-up voor wind- en zonne-energie.

Het rapport kiest voor een graduele sluiting van kolen- en kerncentrales, die te weinig flexibel zijn om onderbrekingen van zonne- en windenergie op te vangen. Tegen 2030 kan 90% van de kolen- en kerncentrales verdwijnen, tegen 2050 hebben we er geen enkele meer nodig. Wishful thinking van Greenpeace? Het rapport afdoen als louter Greenpeace-propaganda zou onterecht zijn. Het is gebaseerd op een studie in opdracht van de milieuorganisatie uitgevoerd door de experts van het gerenommeerde Duitse studiebureau Energynautics.

Wat moet dat kosten?
Een dergelijke transitie naar een volledig nieuw energiesysteem kost geld. Veel geld. Het rapport stelt dat een investering van 70 miljard euro nodig is tussen nu en 2030 om een stabiel elektriciteitsnetwerk in stand te houden dat voor 68% afhankelijk is van hernieuwbare energie. Een groot bedrag, maar volgens Greenpeace gaat het over niet meer dan 1% van de totale elektriciteitsrekening.

Een belangrijk punt is dat het energiescenario-2050 er van uitgaat dat de totale energievraag zal dalen met een derde, dank zij de toegenomen efficiëntie van de gebruikers. Tegelijk wordt er wel van uitgegaan dat de totale vraag naar elektriciteit toeneemt van 2.900 Twh in 2007 naar 4.300 Twh in 2050, voornamelijk vanwege het stijgende gebruik van stroom in sectoren als transport (elektrische voertuigen, openbaar vervoer en de switch van vrachtwagenvervoer naar treintransport) en warmte-energieopwekking (geothermische warmtepompen).

Battle of the grids
De titel van het Greenpeace-rapport, De strijd van de netwerken, verwijst ten dele naar de keuze die we zullen moeten maken tussen een zogenaamd ‘high grid’ en een ‘low grid.’ Willen we een Europees netwerk dat verbonden is met Noord-Afrika en gebruik maakt van de overvloedige zonneschijn daar? In dit high grid-scenario liggen de productiekosten van de elektriciteit laag, maar de transmissiekosten hoog (een investering van 581 miljard euro). Of kiezen we voor een low grid-scenario, waar de elektriciteit dichter bij de grote afnemers (steden en industrie) wordt geproduceerd? Dan zijn de productiekosten hoger en de transmissiekosten lager. Het hoeft geen of-of-keuze te worden: wellicht wordt het elektriciteitsnetwerk van de toekomst een mix tussen het high & low grid.

Conventioneel versus hernieuwbaar
Een belangrijker strijd dan die van het hoge tegen het lage net, is de strijd om prioriteit van hernieuwbare tegenover conventionele energie. Momenteel is het zo dat bij een overaanbod aan elektriciteit, windturbineparken ontkoppeld worden van het netwerk, dat op zulke momenten voorrang geeft aan stroom afkomstig uit kern- en kolencentrales. Kern- en kolencentrales kunnen niet snel even worden uitgeschakeld en worden daarom in het traditionele gecentraliseerde elektriciteitsnet gebruikt voor de productie van de basisspanning.

Om deze battle of the grids te winnen, moet hernieuwbare energie voorrang krijgen op de Europese netwerken, ook wat de transmissie tussen landen betreft. Een onmiddellijk gevolg hiervan zou zijn dat investeren in kolen- en kerncentrales niet langer interessant is. De niet-flexibele kerncentrales met een nieuwprijs die algauw in de miljarden euro’s loopt, worden de dinosaurussen van de elektriciteitsproductie.

Voor goedkopere en flexibele gascentrales die de dalen in de hernieuwbare elektriciteitsproductie wel goed kunnen opvangen omdat ze snel opstartbaar zijn, ziet Greenpeace nog wel een toekomst in de komende veertig jaar. Met dien verstande dat ze na 2030 geleidelijk zullen overschakelen op biogas, om elektriciteitsproductie quasi 100% hernieuwbaar te maken tegen 2050. Investeren in elektriciteitsopslag vanaf 2030 zorgt ervoor dat het netwerk ook in een 100% hernieuwbaar-scenario stabiel blijft.

Om de hierboven beschreven ambitieuze doelstellingen te halen, wordt in de eerste plaats veel verwacht van windenergie. In 2009 werd alleen in Europa 13 miljard euro geïnvesteerd in nieuwe windturbineparken. De in 2009 geïnstalleerde capaciteit aan windenergie in Europa produceert even veel elektriciteit als 3 tot 4 kerncentrales.

Artikel verschenen op Argus Actueel

Een duurzame wereld tegen 2050: de visie van het WWF

Terwijl Greenpeace zich in The Battle of the Grids beperkte tot elektriciteitsproductie op één continent, breidt WWF de kwestie uit tot de rest van de wereld en alle vormen van brandstof, energie, transport, industrie, technologie en voedselproductie.

Conclusie: de transitie naar (zo goed als) 100% hernieuwbare energie wereldwijd is technisch haalbaar. Ze is bovendien noodzakelijk om de toenemende gevolgen van de klimaatsverandering een halt toe te roepen. De resultaten werden op 3 februari online geplaatst in een 256 pagina’s tellend Engelstalig document met wat WWF zelf een gedurfd en ambitieus scenario noemt. Het studiebureau Ecofys zorgde voor het nodige telwerk en werkte het scenario in detail uit.

Voor wie nog niet overtuigd mocht zijn van de noodzaak om binnen de veertig jaar over te schakelen op een 100% duurzaam systeem van landbouw, industrie, bouw en transport, geeft het rapport de volgende confronterende feiten mee.

Onze fossiele brandstoffen zijn eindig en geraken snel op, bovendien dragen ze bij tot klimaatsverandering en milieurampen. Als de hele wereld evenveel olie zou gebruiken als de gemiddelde inwoner van de VS of Singapore, zijn de olievoorraden binnen 9 jaar uitgeput.

  • 1,4 miljard mensen hebben momenteel geen toegang tot betrouwbare elektriciteitsvoorzieningen.
  • 2,7 miljard mensen is afhankelijk van vaak niet duurzaam geoogste bio-energie zoals brandhout.
  • Nucleair afval blijft nog gedurende 10.000 jaar gevaarlijk. Kernenergie is onethisch, duur en kan geen deel uitmaken van een duurzame oplossing.

De toekomst volgens Ecofys
Ecofys gaat er van uit dat de totale energievraag van de wereld in 2050 met 15% zal zijn teruggelopen in vergelijking met 2005. Dat zulks mogelijk is ondanks de verwachte en ingecalculeerde toename van de bevolking, de industriële productie, het reizen en het vrachttransport, zal afhangen van het succes van doorgedreven energiebesparing en energie-efficiëntie in industrie, bouw en transport, toenemende recyclage, en de omschakeling naar efficiëntere transportmethodes. Waar mogelijk wordt gekozen voor elektrische energie op basis van zonne-, wind-, waterkracht- en geothermische energie. Warmtepompen zorgen voor de verwarming van gebouwen. Smart grids met opslagmogelijkheden zorgen voor voldoende spanning op het net. Biobrandstoffen worden zoveel mogelijk voorbehouden voor het aandrijven van vliegtuigen, vrachtwagens en schepen. Deze biobrandstoffen zijn voornamelijk afkomstig uit de afvalverwerking, maar de noodzaak blijft bestaan om duurzaam onderhouden bossen te kappen en duurzaam geteelde gewassen te verwerken tot biobrandstoffen, waarbij erop wordt toegezien dat dit gebeurt met oog voor het behoud van biodiversiteit. Water- en voedselvoorziening mogen niet gehinderd worden door de productie van duurzame biobrandstoffen.

De eerste dertig jaar moet er fiks geïnvesteerd worden in deze nieuwe energiehuishouding. Vanaf 2040 zijn de baten groter dan de kosten. En tegen 2050 besparen we door toegenomen efficiëntie en het uitschakelen van fossiele brandstofkosten jaarlijks 4 triljoen euro. Mochten de petroleumprijzen nog sneller stijgen dan verwacht, en als we de factoren klimaatsverandering en menselijke gezondheid zouden verrekenen, zijn de baten nog groter en bovendien eerder te verwachten.

Een paar tot de verbeelding sprekende cijfers op een rij:

  • Met een CSP-zonneënergie-installatie op een oppervlakte van 0,3% van de Sahara kan je heel Europa van energie voorzien
  • Met een miljoen onshore en 100.000 offshore windturbines meer dan vandaag, kunnen we tegen 2050 in een kwart van de wereldbehoefte aan elektriciteit voorzien.
  • 0,1% van de energie in de oceanen volstaat om in de energiebehoeften van 15 miljard mensen te voorzien.
  • Geothermische energie kan tien maal meer energie leveren dan er vandaag wereldwijd wordt geproduceerd.
  • Vandaag geven we 230 miljard dollar per jaar uit aan verlichting. Met moderne technologie zouden we tot 60% kunnen besparen.

Zuinig duurt het langst
Wat moet er concreet gebeuren? Om te beginnen moet alles wat we doen zuinig en efficiënt zijn. Efficiëntieminima moeten wettelijk worden verplicht en gecontroleerd voor alles wat energie verbruikt. Bij het ontwerpen van producten moet een Cradle to Cradle-aanpak centraal staan. Ontwikkelingslanden moeten met de hulp van de andere landen het inefficiënte gebruik van biomassa een halt toeroepen. Er moet zwaar geïnvesteerd worden in openbaar vervoer, aangedreven met hernieuwbare energie. Reizen per vliegtuig moeten zoveel mogelijk vervangen worden door reizen per supersnelle trein. Openbaar vervoer en treintransport moeten goedkoper worden dan privé-vervoer en wegtransport over elke afstand.

Kortom, elke mens, elk bedrijf, elke organisatie moet waar mogelijk energie besparen en zijn steentje bijdragen. Dat betekent ook dat we in de rijke landen minder vlees zullen moeten leren consumeren en minder eten weggooien. En we kunnen beter vandaag dan morgen werk maken van een mentaliteitsverandering, de noodzakelijke investeringen, grondige innovatie en radicale oplossingen, om de wereld te redden voor 2050.

Een nieuw financieel systeem
Ook al zal op de lange termijn onze planeet, onze gezondheid en zelfs onze portefeuille beter worden van de transitie naar een 100% duurzame energie en economie, toch wordt het bijzonder moeilijk om tijdig de nodige fondsen te verzamelen. Dat komt, stelt WWF, omdat ons huidige financiële systeem niet geschikt is voor een langetermijnvisie. Investeerders verwachten een return binnen een paar jaar.

Zo lang het goedkoper is om een kolen- of gascentrale te bouwen dan om te investeren in hernieuwbare energie, kunnen de nieuwe ontwikkelingen niet volledig aan de vrije markt worden overgelaten, luidt het in het rapport. WWF denkt daarom aan PPS-constructies.

Daarnaast moeten producenten van hernieuwbare energie ook zeker zijn van inkomsten, bijvoorbeeld via een systeem van groenestroomcertificaten. Bovendien moeten de subsidies voor conventionele energie eindelijk aan banden worden gelegd. Volgens de OECD gaat er nog altijd 700 miljard dollar per jaar aan overheidssubsidies naar fossiele brandstoffen, waarvan twee derde in ontwikkelingslanden.

Tenslotte moeten we ervan doordrongen geraken dat de groene economie miljoenen jobs zal opleveren. China investeert over tien jaar gespreid 580 miljard euro in een programma voor hernieuwbare energie dat 15 miljoen banen zal opleveren. De groene energiesector in Duitsland stelt nu al 300.000 mensen te werk.

Wetende dat de meesten onder ons nog de geboorte van een 100% hernieuwbaar energiesysteem gestalte zullen zien krijgen, zijn het bijzonder spannende tijden.

Artikel verschenen op Argus Actueel