Elvire rust nooit

Zeven dagen lang publiceerde De Standaard de reeks Big in Belgium, over Belgische bedrijven en sectoren die de wereldleider in hun niche zijn. Het begon met Elvire, de meest efficiënte en meest productieve krantenpapiermachine ter wereld. De foto’s waren (meestal) van Titus Simoens.

Wanneer afgevaardigd bestuurder Chris De Hollander van Stora Enso Langerbrugge samen met machinebestuurder Patrick Van Der Linden voor de fotograaf poseert op de stomende en sissende krantenpapiermachine lijken ze nietige stipjes, een kapitein en zijn eerste stuurman op een reuzentanker.

Net als bij een schip zien we van de machine enkel de bovenste helft, 8 meter hoog en 125 meter lang. De andere helft bevindt zich een verdieping lager. Aan het ene eind spuit de machine papierpulp met een vochtigheidsgraad van 98% tussen doeken die op rollen draaien met een snelheid van 120 km/u. Exact 7,11 seconden later is de pulp krantenpapier geworden met een vochtigheidsgraad van 8%, klaar om bedrukt te worden. Zowat elk uur wordt een zogenaamde moederrol geproduceerd van 10,4 meter breed, bijna 4 meter diameter en meer dan 100 ton zwaar. En zo gaat dat door, dag en nacht, weekends en feestdagen inbegrepen. Elvire rust nooit. Haar naam heeft ze te danken aan het feit dat ze de vierde papiermachine op de site is – en lijn 4 of L4klinkt algauw als Elvire. Maar u mag ook PM4 zeggen, kort voor papiermachine 4.

De productiefste

PM4 gaat sinds 2003 door het leven als de grootste in haar soort ter wereld. Maar de grootste, dat is ze eigenlijk maar een jaar geweest, tot een Zweeds zusterbedrijf een 5 cm bredere machine in dienst nam. Elvire moet sindsdien genoegen nemen met de titel van snelste en efficiëntste krantenpapiermachine ter wereld, en dat zal ze nog heel lang blijven, zegt Chris De Hollander. ‘Binnen het internationale geheel van Stora Enso zorgt de machine van Langerbrugge voor de constante productie. De minder rendabele of minder goed gelegen machines op andere sites kunnen eventueel harder draaien als de vraag naar papier zou stijgen.’

De papierfabriek is sterk geautomatiseerd. Eén man, de ‘conducteur’, tuurt op een rij computerschermen waarop de processen worden gemonitord. Een andere loopt regelmatig rond in en om PM4 om te checken of de sensoren alles juist registreren. De versneden papierrollen worden door robots getransporteerd, ingepakt en over een lange transportband automatisch naar het depot vervoerd. In de lang vervlogen hoogdagen werkten er nog meer dan 1.000 mensen op de site, nu zijn het er nog 380 in de productie en 60 in de verkoop. Die laatsten zijn trouwens verantwoordelijk voor alle papierverkoop van Stora Enso in Europa ten westen van Duitsland. ‘We proberen met zo weinig mogelijk mensen te produceren, dat klopt’, zegt Chris De Hollander. ‘De papiermarkt krimpt. In 2008 hebben we een knik gekregen. Sindsdien verliest de papierindustrie 5% wereldwijd per jaar. Alle mensen die hier nu nog werken, hebben we nodig om de fabriek te laten draaien.’

Het monster moet gevoed worden, en Stora Enso is erin geslaagd de kringloop van papier te sluiten. Zowel PM4 als PM3, die elders op de 52 ha grote site magazinepapier produceert, vervaardigen papier uitsluitend op basis van gebruikt papier. Uit de 700.000 ton gesorteerd oud papier die hier jaarlijks wordt binnengebracht uit heel België en de buurlanden, haalt het bedrijf nog 150.000 ton afval dat grotendeels in de eigen biomassakrachtcentrales wordt verbrand. Het bedrijf wekt zo 70 procent van zijn eigen stroom op en produceert alle benodigde stoom zelf.

België

Wat heeft een Fins-Zweedse papiergroep er in 2003 toe aangezet om een nieuwe krantenpapierlijn samen met een biomassakrachtcentrale net hier te bouwen, goed voor een investering van 500 miljoen euro? En waarom zo’n grote machine?

‘In de papierindustrie heb je schaal nodig om concurrentieel te zijn’, legt Chris De Hollander uit. ‘Een machine die half zo breed is, kost 70% van de onze en is dus minder rendabel. Je hebt veel oud papier nodig, want we draaien volledig op recyclage. En je hebt veel afzet dichtbij nodig, want de waarde van krantenpapier is te laag om het over grote afstanden te transporteren.’ De Gentse site, met haar centrale ligging in Europa goed voor input én afzet van papier, kwam als beste uit de analyse. Het bedrijf levert papier aan alle Belgische kranten (met uitzondering van de zalmroze Tijd), aan de meeste Nederlandse en Franse en nog vele andere.

Chinese concurrentie

Een van de problemen waar de papierindustrie mee kampt, is niet de papierproductie in Azië, maar de enorme honger naar papier voor verpakkingsmateriaal van China. Zo kan het gebeuren dat het papierafval van Brugge op een boot naar China belandt, terwijl Stora Enso zijn grondstof in Breda moet gaan zoeken. Dat soort absurde toestanden moet stoppen, zegt De Hollander, die pleit voor duurzamere aanbestedingen voor oud papier en karton in een zo lokaal mogelijke kringloop.

Verschenen in De Standaard, 15/7/14

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Proper vliegen op afval

Vliegen met biobrandstof die de voedselprijzen niet de hoogte in jaagt, komt binnenkort weer een stap dichterbij.

Biofuels van de eerste generatie gaven biobrandstof een slechte naam omdat ze op basis van voedingsgewassen werden gemaakt, zoals soja, koolzaad en maïs. De biobrandstofindustrie vond zichzelf ondertussen opnieuw uit en stortte zich op afval en gewassen die niet met de voedselproductie in conflict komen. Een comité dat de standaarden voor luchtvaartbrandstof bepaalt, gaf onlangs groen licht voor het gebruik van een 50/50 mix van traditionele kerosine met brandstof afkomstig van organisch afval en niet-voedingsvezels, zoals algen en houtsnippers. De voorlopige goedkeuring van de brandstofmix geeft groen licht aan Lufthansa voor testvluchten met biobrandstoffen geproduceerd op basis van jatropha, vlasdodder en dierlijke mest.

Een markt van 95 miljard
De markt voor vliegtuigbrandstof vertegenwoordigt meer dan 95 miljard euro per jaar. Deze gigantische markt wordt weldra het speelterrein van biobrandstofproducenten als AmyrisCodexisGevo en Solazyme enAbengoa. Ook multinationals als Honeywell proberen hun deel van de biobrandstofkoek veilig te stellen. Ondertussen werken verschillende bedrijven aan het opzetten van biobrandstofproductie-eenheden over de hele wereld. Vliegtuigbouwers als Airbus en Boeing, dat een witboek over biobrandstof publiceerde, geven aan dat biobrandstof geen groen schaamlapje is maar een blijver. Luchtvaartmaatschappijen denken daarbij uiteraard aan hun imago, maar toch ook vooral aan hun portemonnee. Vanaf januari 2012 voorziet de Europese Commissie emissiehandel voor vliegtuigexploitanten, waardoor ze worden aangemoedigd om minder conventionele fuel te gebruiken.

SN Brussels
Bij SN Brussels Airlines heet het dat ‘er nog geen concrete plannen zijn met biofuels, maar we volgen de zaak van zeer nabij op. Met name door onze alliantie met Lufthansa blijven we perfect op de hoogte van de resultaten van hun testvluchten met biofuels. Of en wanneer SN Brussels biofuels zal gebruiken, daarvoor is het nu nog te vroeg.’ SN Brussels wijst er op dat in het kader van haar programma b.green nu al de uitstoot van duizenden tonnen CO2 wordt vermeden, door indien mogelijk met kleinere toestellen te vliegen, door op allerlei manieren het gewicht van de toestellen en hun inhoud te beperken, door de piloten fuel-efficiënt te laten vliegen en door via het SESAR-project de toestellen zo zuinig mogelijk te laten aanvliegen op Brussel.

 

Gepubliceerd in Argus Actueel

‘De aarde is een interactieve bol’

Poolreiziger Dixie Dansercoer verzorgt op 18 mei de inleiding op de documentaire Silent Snow. De film vertelt hoe pesticiden afkomstig uit de hele wereld zich opstapelen in het hoge Noorden en er het ijs vervuilen en het voedsel van de Inuït vergiftigen. Bijna vijftig jaar nadat het boek Silent Spring in 1962 de verwoestende gevolgen van pesticiden op het milieu aanklaagde, blijkt de mens dus nog altijd in hetzelfde bedje ziek.

Dixie Dansercoer is goed geplaatst om een film in te leiden die aandacht vraagt voor de gevolgen van wat wij doen op de fragiele polen. In 1997-1998 stak hij samen met Alain Hubert als eerste het continent Antarctica over op ski’s (3.932 km in 99 dagen). In 2007 slaagde Dansercoer, opnieuw samen met Hubert, voor het eerst in de geschiedenis in een oversteek van de Arctische oceaan op ski’s van Siberië naar Groenland (1.800 km in 106 dagen).
Merkte je op de Noordpool iets van de onzichtbare vervuiling waar de film het over heeft?
‘Absoluut. We zijn veel in contact geweest met de Inuït en de andere mensen die in Groenland, Canada en Alaska met de vervuiling worden geconfronteerd. Het is er een bekend feit en er bestaat ook wetenschappelijk onderzoek dat de aanwezigheid van pesticiden in het Noordpoolgebied bevestigt.’
Komen ook andere giftige producten en afvalstoffen op de Noordpool terecht?
‘Vervuiling is een wereldgegeven dat niet alleen plaatsvindt in je achtertuin als je een bus CFK’s leegspuit. Vervuiling gaat de wereld rond. De aarde is een interactieve bol: als we hier ons afval niet beperken en sorteren, heeft dat elders gevolgen. Het grote gevaar bestaat erin dat we altijd alleen maar in ons eigen cirkeltje kijken. Mijn taak bestaat erin de mensen verder te laten kijken en ze te doen beseffen dat ze de globe bedreigen als ze het milieu slecht behandelen.’
Wat zijn de grootste problemen die de poolgebieden treffen?
‘Er is duidelijk minder meerjarig ijs, dat zie je als poolreiziger omdat je oog krijgt voor de subtiliteiten van de verschillende soorten ijs. Dat betekent minder dik ijs, meer open water, minder ijsblokken die de tekenen dragen dat ze de warme zomer hebben overleefd. Anderzijds waren de condities dit jaar dan weer optimaal en konden we perfect vorderen. Ik hoed me ervoor om zelf grote uitspraken te doen over wat er precies aan de hand is. Ik ga liever voort op nauwkeurig verricht wetenschappelijk werk. Daaruit blijkt onweerlegbaar het afslanken van de Arctische oceaan. Maar door het enorme ozongat dat zich momenteel boven de Noordpool bevindt, vindt er een sterke afkoeling plaats van de Noordelijke IJszee, waardoor er momenteel weinig open water is en een goed ijstapijt.’
Je volgende expeditie, Antarctic Ice (november 2011-februari 2012) staat in het teken van milieubewustzijn. Hoe is dat gegroeid?
‘Door de jaren heen heb ik een forum gekregen om de mensen toe te spreken en ze in een bepaalde richting te doen bewegen. Ik doe dat op een heel zachte manier omdat ik besef dat de aanpak van het opgeheven vingertje niet werkt. De mensen hebben al een overdosis doemscenario’s moeten slikken, dat pakt niet meer. Ik ben voor een open communicatieplatform waarbij mensen voor zichzelf moeten uitmaken of ze iets aan de situatie willen veranderen. Dat kan door sterke getuigenissen en door de wetenschap erbij te halen om de onweerlegbaarheid te benadrukken. Zo kan je zonder paniek te creëren de mensen vriendelijk vragen om iets te doen voor het milieu.’

Het is mooi dat je mensen hoopt te inspireren, maar is het niet zorgwekkend dat bijna vijftig jaar na Silent Spring het probleem van pesticiden nog altijd bestaat? Hoe zou dat komen?

‘Het zit in onze genen om lui te zijn. We zijn beesten die liever de bessen naast ons zien groeien dan dat we op jacht zouden gaan. De mens zit niet langer in de fase van overleven, maar moet bewogen worden om met zijn intellect de wereld te behoeden voor een aftakeling van het milieu. Dat vergt energie en de mens is een luiaard. Zelf hou ik meer van produceren dan van consumeren, maar niet iedereen zit zo in mekaar.’

Wat zijn volgens jou de belangrijkste stappen die elk individu kan zetten?

‘Het is een verhaal van kleinschalig denken. We kunnen niet allemaal Barack Obama of een topwetenschapper zijn. Maar we moeten beseffen dat elke steen die we verleggen een impact heeft. En als je je daarvan bewust bent en je durft erover spreken, dan gaat het viraal. Je mag niet te groot gaan denken, dat heb ik voor mezelf ook al uitgemaakt. Dan word je toch maar met je neus op de feiten gedrukt en daar word je alleen maar weemoedig van. Ik doe het dus in mijn dagelijkse leven maar zoals op het ijs: stapje voor stapje creëer je de beste kansen om je expeditie tot een goed einde te brengen.’
Hoe probeer je zelf de impact van je expedities op het milieu te beperken?
‘Ik denk dat ik zonder blozen kan zeggen dat we een schoolvoorbeeld zijn van minimale impact. Tijdens een expeditie van honderd dagen genereren wij niet meer dan 1,02 kilo afval. Dat is wat overblijft van de verpakking van onze voedselrantsoenen: een bio-afbreekbare, thermo-retractabele folie die we boven een vlammetje laten krimpen tot een bolletje en mee naar huis brengen. Nu, als ik dat eerlijkheidshalve vergelijk met wat ik thuis produceer aan afval, dat is zelfs met de beste wil van de wereld verschrikkelijk. Honderd dagen huishoudelijk afval op een hoop, je zou er beschaamd van worden.’

Ben je een optimist? Denk je dat het nog deze eeuw terug goed komt met de polen, het milieu en het klimaat?
‘De tekenen zijn er al. We krijgen ook heel positieve berichten te horen. Er zwemmen terug vissen in de Schelde, ik zeg maar iets. Ik zou graag nog veel meer positieve berichten zien, maar we lezen nog altijd liever berichten over mensen die elkaar het leven zuur maken dan over een vogeltje dat is teruggekeerd naar onze contreien.’

Wat mogen we op 18 mei van jou verwachten?
‘Ik wil die sterke documentaire even in een groter kader plaatsen door iets te vertellen over mijn voorbije en komende expedities. Maar wat ik vooral wil, is de aanwezigen aanmoedigen om te ageren.’

Verschenen op Argus Actueel

 

Van materiaalschaarste naar duurzaam materialenbeheer

Vlaanderen is koploper in duurzaam materialenbeheer en wil dat in de toekomst ook blijven. Een nieuw partnerschap tussen de academische wereld, de industrie en de overheid moet daar voor zorgen.

 

Europa is het continent met de minste eigen grondstoffen en energievoorraden. Onze regio is in vergelijking met andere continenten extreem afhankelijk van de import van buitenlandse fossiele brandstoffen en zeldzame aardmetalen. De concentratie van kritische grondstoffen is alles behalve eerlijk verdeeld over de wereld. China heeft de meeste zeldzame aardmetalen in handen, de Russen delven edele metalen, Congo zit op belangrijke kobaltvoorraden en niobium komt vooral voor in Canada en Brazilië.

Bovendien staat de recyclage van deze stoffen overal op een zeer laag pitje, terwijl een net deze stoffen van cruciaal belang zijn in de transitie naar een groene economie. Zo is kobalt een essentieel onderdeel in de productie van lithium-ion-batterijen, inidum noodzakelijk voor dunne PV-cellen, platinum voor brandstofcellen en niobium voor supergeleiders. Zonder zeldzame aardmetalen (zoals neodymium, terbium etc.), lithium, kobalt en germanium kunnen er geen hybride en elektrische auto’s rondrijden en komt de productie van zonnepanelen en windturbines in het gedrang.

In het licht van deze vaststellingen heeft de Europese Commissie de resource efficiency uitgeroepen tot een van de kerntaken van het oude continent. De uitwerking van een Effective (Critical) Raw Material Strategy staat ondertussen al in de steigers. De uitdaging bestaat erin efficiënt met grondstoffen om te springen terwijl je als continent nauwelijks of geen controle hebt over het opdelven en produceren ervan.

Vlaanderen als koploper
De opwarming van de aarde en het ontbreken van eigen vitale grondstoffen laten Europa en Vlaanderen geen andere keuze dan de kampioen te worden van de koolstofarme kringloopeconomie, besluit ir. dr. Peter Tom Jones van de K.U.Leuven, de grote pleitbezorger van SMM (Sustainable Materials Management of duurzaam materiaalbeheer). “Wat Vlaanderen niet heeft qua grondstoffen, heeft het des te meer qua kennis en expertise inzake duurzaam materialenbeheer”, klinkt het bij de ingenieur. Jones noemt de transitie naar een koolstofarme kringloopeconomie een uitdaging zonder voorgaande.

Op energetisch vlak moeten Vlaanderen en de EU de transitie maken naar energieonafhankelijkheid. Door de transitie naar duurzaam materialenbeheer, het sluiten van de kringlopen, kunnen we evolueren naar materialenonafhankelijkheid. Peter Tom Jones pleit voor een innovatieve recyclage-economie, waarin Europa zijn grondstoffen herwint uit afvalstromen in plaats van uit mijnen in de rest van de wereld. Dat is mogelijk via concepten als ‘urban mining’ (winning van grondstoffen uit afgedankte laptops, computers, gsm’s, auto’s) en ‘enhanced landfill mining’ (de geïntegreerde valorisatie van oude stortplaatsen voor materiaal en energie).

Een bijkomend pluspunt is daarbij dat deze vorm van recyclage bijdraagt tot een reductie van het energieverbruik en de CO2-emissies. Zo vereist de productie van aluminium uit schroot maar liefst 95% minder energie dan het vervaardigen van aluminium uit bauxieterts. Een dergelijke transitie is wellicht niet mogelijk zonder een grondige verandering in het financieel systeem, met hogere lasten op het gebruik van primaire grondstoffen zoals energie en materialen enerzijds en anderzijds incentives voor secundaire grondstoffen en hernieuwbare energie.

CR3
Voor de verdere realisatie van SMM in de praktijk richt de K.U.Leuven een interdisciplinair team op, met specialisten uit uiteenlopende disciplines en met organisaties binnen en buiten de universiteit. Inmiddels zegden al veertig bedrijven hun medewerking toe aan een kennisplatform. Een en ander wordt gecoördineerd vanuit CR3, het Centre for Resource Recovery and Recycling, een van oorsprong Amerikaans onderzoekscentrum, waarvan de K.U.Leuven de Europese tak nu voor zijn rekening neemt. Partners van het eerste uur zijn o.a. OVAMGroup Machiels en Umicore. Niet toevallig, want OVAM heeft zelf al de transitie achter de rug van afvalstoffenmaatschappij naar materiaalbeheerder, Umicore is een wereldleider in recyclingtechnologie en ‘urban mining’ en Group Machiels ambieert ‘enhanced landfill mining’ in de praktijk op de Remo-stortplaats in Houthalen-Helchteren.

 

Gepupliceerd in Argus Actueel, 27/4/11