Oliewinning bedreigt Virunga

De Congolese regering gaf toestemming voor olie-exploratie in een beschermd natuurgebied, alhoewel haar eigen wetten dat verbieden.

Het 7.900 km2 grote Nationaal Park Virunga in de Democratische Republiek Congo is de parel aan de kroon van de Afrikaanse wildparken. Virunga is het oudste Afrikaanse nationaal park, in 1925 opgericht door de Belgische kolonisator onder de naam Albert Nationaal Park en in 1979 door de Unesco uitgeroepen tot Werelderfgoed. De biodiversiteit is er fenomenaal: vijftig procent van alle planten- en diersoorten die leven in sub-Sahara Afrika komen voor in dit gebied, dat net iets kleiner is dan de provincies West- en Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant samen en dat in hoogte varieert tussen de 680 en 5109 meter. Van alle nationale parken in Afrika biedt Virunga, mede dankzij de hoogteverschillen, de meest diverse habitats: steppe, savanne, lavavlakten, moerassen, laagland, Afromontane wouden, Afro-alpine vegetatie, de massieven van Virunga en Rwenzori, met hun ijsvelden en de twee meest actieve vulkanen van Afrika. Virunga park is bovendien de plek die 200 van de 720 overblijvende hooglandgorilla’s ter wereld als hun thuis beschouwen.

Bedreigd paradijs

Dit Aards Paradijs wordt ernstig in zijn voortbestaan bedreigd door de steeds toenemende bevolkingsdruk, burgeroorlogen, het gebrek aan law and order, stropers, corruptie, illegale houtkap en houtskoolproductie. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, dreigt nu ook oliewinning een onherstelbare impact te hebben op mens en milieu. Het leek nochtans beter te gaan met Virunga de laatste jaren. De nieuwe directeur, Emmanuel De Merode, kiest voor ecotoerisme en zet in op veiligheid. Dertig procent van de recette van het park vloeit terug naar openbare werken die ten goede komen aan de bevolking die in en om het park woont. WWF heeft een succesvol project lopen, waarbij duurzame houtskool en efficiënte oventjes een aantrekkelijk alternatief bieden voor illegale houtkap. Maar ondertussen werd door de Congolese regering een concessie verleend aan de Britse maatschappij SOCO International om naar olie te speuren in het hart van het beschermde natuurpark. Aanvankelijk zijn alleen verkenningen per vliegtuig gepland, later ook seismische testen. Voor beide ondernemingen heeft SOCO de officiële Congolese toelatingen op zak.

Natuurbeschermingsorganisaties zoals WWF trekken aan de alarmbel. Marc Languy, Conservation Director for Central Africa, stelt: ‘Na jaren van gewapende conflicten, is het hartverscheurend om te zien hoe een oliemaatschappij de mensen en de dieren van het park door winstbejag in gevaar brengt. Oliewinning zal het park niet alleen schade toebrengen via boringen en vervuiling. Ook de bijbehorende toestroom van mensen brengt een risico met zich mee voor verdere conflicten die een vernietigende invloed kunnen hebben op de levens van de lokale gemeenschappen en de bedreigde soorten in het park.’

De toestemming voor exploratie is redelijk Kafkaiaans als je weet dat de Congolese kaderwet op de natuurbescherming olie-exploratie en -ontginning illegaal verklaart, stipt de Congolese natuurbeschermer René Ngongo aan. De UNESCO en verschillende Belgische volksvertegenwoordigers hebben al met klem geprotesteerd tegen de gang van zaken. En ook de lokale bevolking blijft niet bij de pakken neerzitten en lanceerde op 24 maart een oproep aan de regering, de internationale gemeenschap en SOCO om het contract te herzien en de wet toe te passen.

SOCO reageert

De Britse olie-exploratie- en productiemaatschappij waarrond het allemaal draait, tracht inmiddels de internationale en lokale gemeenschap gerust te stellen. Onder het kopje ‘Corporate Responsability’ belooft het bedrijf plechtig om nooit te opereren in extreem waardevolle gebieden, zoals de beschermde zone van de Virunga Vulkanen, de Mikeno-sector waar de gorilla’s verblijven en het regenwoud van de Virunga Mountains. Wat betreft de mogelijke oliewinning in andere beschermde gebieden, is SOCO er naar eigen zeggen van overtuigd dat die deels ten goede zullen komen aan de bevolking, zullen bijdragen tot stabiliteit in de regio, de verbetering van de plaatselijke levensstandaard en het milieu. De UNESCO van zijn kant drukt nogmaals zijn ‘grote bezorgdheid’ uit en herinnert eraan dat ‘olie- en mijnexploratie en -exploitatie specifiek verboden zijn in de beschermde delen van de Democratische Republiek Congo via de wet van 1969 en de mijn- en natuurbeschermingswet van 2002.’ Het belooft nog een spannende strijd te worden tussen unieke natuur en zakelijke belangen.

Verschenen in Argus Actueel, 12/4/12

Requiem voor een overleden diersoort

ARGUS interviewde regisseur-scenarist-acteur Dimitri Leue en ontdekte waarom u deze voorstelling niet mag missen, en Dodo klein eigenlijk ook niet.

Een voorstelling over een uitgestorven vogelsoort, hoe kom je erbij?
Dimitri Leue: ‘Het is een logische stap in mijn proces. In 2007 heb ik Don Kyoto gemaakt, waarbij ik mezelf martelde door van voorstelling naar voorstelling te rijden met een bakfiets van 135 kilo. Bij het spelen van Don Kyoto martelde ik trouwens ook het publiek, met het gezoem van de fiets waarmee ik mijn eigen licht produceerde tijdens de voorstelling. De mensen moesten echt pieren om me te kunnen zien. Bij Tegen de Lamp (2009) werden we iets publieksvriendelijker door onze stroom vóór de voorstelling te produceren. Het onderwerp was nog steeds ecologie, met veel tips om beter te leven van Low Impact Man erbij.’

Mogen we nu ook weer veel tips verwachten?
Dimitri Leue: ‘Helemaal niet, integendeel zelfs. Door die twee voorstellingen heb ik geleerd dat theaterbezoekers het vaak helemaal niet leuk vinden om met weetjes gebombardeerd te worden. Het schrikt veel mensen af. Dodo Klein en Dodo Groot zijn terug gewone theatervoorstellingen met alles erop en eraan, waarbij biodiversiteit een onderwerp is op de achtergrond. Ik geloof dat het beter is als mensen door een voorstelling aangezet worden om zelf op zoek te gaan naar oplossingen, dan dat ik hen vertel wat ze moeten doen.’
Waarom precies de dodo?
Dimitri Leue: ‘Omdat het de eerste diersoort is die zo duidelijk door toedoen van de mens is uitgestorven. In 1598 zijn de Nederlanders op Mauritius aangekomen. In 1681 was er geen enkele dodo meer in leven. Niet omdat de Nederlanders ze allemaal letterlijk hadden opgegeten, maar onder andere ook omdat ze honden, varkens en ratten aan boord hadden die ontsnapten en dodo-eieren aten, terwijl de dodo er maar één per jaar legde. Hoe dan ook, zonder de komst van de mens leefde de dodo nog.’
Soorten evolueren en verdwijnen, dat is altijd zo geweest, zeggen sommigen. Het is the Survival of the Fittest. Maken we ons nu niet te veel zorgen?
Dimitri Leue: ‘Met een Survival of the Fittest-logica zou je zieke en oude mensen aan hun lot moeten overlaten, terwijl we hen proberen te genezen en zo oud mogelijk te laten worden. Omdat we de mensheid belangrijk vinden. Maar is het ook niet de moeite om de ijsbeer en de poolvos in stand te houden? Bovendien maken alle dieren en planten deel uit van een groter ecosysteem, waarin het evenwicht verstoord kan worden door het verdwijnen van één soort. Ook heel kleine dieren kunnen zeer belangrijk zijn. Er zijn al boomsoorten uitgestorven omdat ze afhankelijk waren van één verdwenen diersoort. Als dieren door toedoen van de mens verdwijnen, vind ik dat wij de verantwoordelijkheid hebben om dat op te lossen.’