Elvire rust nooit

Zeven dagen lang publiceerde De Standaard de reeks Big in Belgium, over Belgische bedrijven en sectoren die de wereldleider in hun niche zijn. Het begon met Elvire, de meest efficiënte en meest productieve krantenpapiermachine ter wereld. De foto’s waren (meestal) van Titus Simoens.

Wanneer afgevaardigd bestuurder Chris De Hollander van Stora Enso Langerbrugge samen met machinebestuurder Patrick Van Der Linden voor de fotograaf poseert op de stomende en sissende krantenpapiermachine lijken ze nietige stipjes, een kapitein en zijn eerste stuurman op een reuzentanker.

Net als bij een schip zien we van de machine enkel de bovenste helft, 8 meter hoog en 125 meter lang. De andere helft bevindt zich een verdieping lager. Aan het ene eind spuit de machine papierpulp met een vochtigheidsgraad van 98% tussen doeken die op rollen draaien met een snelheid van 120 km/u. Exact 7,11 seconden later is de pulp krantenpapier geworden met een vochtigheidsgraad van 8%, klaar om bedrukt te worden. Zowat elk uur wordt een zogenaamde moederrol geproduceerd van 10,4 meter breed, bijna 4 meter diameter en meer dan 100 ton zwaar. En zo gaat dat door, dag en nacht, weekends en feestdagen inbegrepen. Elvire rust nooit. Haar naam heeft ze te danken aan het feit dat ze de vierde papiermachine op de site is – en lijn 4 of L4klinkt algauw als Elvire. Maar u mag ook PM4 zeggen, kort voor papiermachine 4.

De productiefste

PM4 gaat sinds 2003 door het leven als de grootste in haar soort ter wereld. Maar de grootste, dat is ze eigenlijk maar een jaar geweest, tot een Zweeds zusterbedrijf een 5 cm bredere machine in dienst nam. Elvire moet sindsdien genoegen nemen met de titel van snelste en efficiëntste krantenpapiermachine ter wereld, en dat zal ze nog heel lang blijven, zegt Chris De Hollander. ‘Binnen het internationale geheel van Stora Enso zorgt de machine van Langerbrugge voor de constante productie. De minder rendabele of minder goed gelegen machines op andere sites kunnen eventueel harder draaien als de vraag naar papier zou stijgen.’

De papierfabriek is sterk geautomatiseerd. Eén man, de ‘conducteur’, tuurt op een rij computerschermen waarop de processen worden gemonitord. Een andere loopt regelmatig rond in en om PM4 om te checken of de sensoren alles juist registreren. De versneden papierrollen worden door robots getransporteerd, ingepakt en over een lange transportband automatisch naar het depot vervoerd. In de lang vervlogen hoogdagen werkten er nog meer dan 1.000 mensen op de site, nu zijn het er nog 380 in de productie en 60 in de verkoop. Die laatsten zijn trouwens verantwoordelijk voor alle papierverkoop van Stora Enso in Europa ten westen van Duitsland. ‘We proberen met zo weinig mogelijk mensen te produceren, dat klopt’, zegt Chris De Hollander. ‘De papiermarkt krimpt. In 2008 hebben we een knik gekregen. Sindsdien verliest de papierindustrie 5% wereldwijd per jaar. Alle mensen die hier nu nog werken, hebben we nodig om de fabriek te laten draaien.’

Het monster moet gevoed worden, en Stora Enso is erin geslaagd de kringloop van papier te sluiten. Zowel PM4 als PM3, die elders op de 52 ha grote site magazinepapier produceert, vervaardigen papier uitsluitend op basis van gebruikt papier. Uit de 700.000 ton gesorteerd oud papier die hier jaarlijks wordt binnengebracht uit heel België en de buurlanden, haalt het bedrijf nog 150.000 ton afval dat grotendeels in de eigen biomassakrachtcentrales wordt verbrand. Het bedrijf wekt zo 70 procent van zijn eigen stroom op en produceert alle benodigde stoom zelf.

België

Wat heeft een Fins-Zweedse papiergroep er in 2003 toe aangezet om een nieuwe krantenpapierlijn samen met een biomassakrachtcentrale net hier te bouwen, goed voor een investering van 500 miljoen euro? En waarom zo’n grote machine?

‘In de papierindustrie heb je schaal nodig om concurrentieel te zijn’, legt Chris De Hollander uit. ‘Een machine die half zo breed is, kost 70% van de onze en is dus minder rendabel. Je hebt veel oud papier nodig, want we draaien volledig op recyclage. En je hebt veel afzet dichtbij nodig, want de waarde van krantenpapier is te laag om het over grote afstanden te transporteren.’ De Gentse site, met haar centrale ligging in Europa goed voor input én afzet van papier, kwam als beste uit de analyse. Het bedrijf levert papier aan alle Belgische kranten (met uitzondering van de zalmroze Tijd), aan de meeste Nederlandse en Franse en nog vele andere.

Chinese concurrentie

Een van de problemen waar de papierindustrie mee kampt, is niet de papierproductie in Azië, maar de enorme honger naar papier voor verpakkingsmateriaal van China. Zo kan het gebeuren dat het papierafval van Brugge op een boot naar China belandt, terwijl Stora Enso zijn grondstof in Breda moet gaan zoeken. Dat soort absurde toestanden moet stoppen, zegt De Hollander, die pleit voor duurzamere aanbestedingen voor oud papier en karton in een zo lokaal mogelijke kringloop.

Verschenen in De Standaard, 15/7/14

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Hoop op een wereld zonder pesticiden

De Nederlandse documentairemaker Jan van den Berg komt op 18 mei naar Antwerpen voor de Belgische première van Silent Snow, waarin een jonge Inuït-vrouw op zoek gaat naar de oorzaak van de vervuiling van haar geboortestreek.

 

‘Als je film klaar is, worden we dan allemaal geacht zelfmoord te plegen?’, vroeg de buurman van Jan van den Berg toen die hem vertelde over hoe pesticidegebruik aan de ene kant van de wereld dodelijke gevolgen heeft elders. Zelfmoord is niet aan de orde. De ervaren regisseur en antropoloog slaagde erin de problematiek van de persistente organische pesticiden (kortweg ‘pops’) in een menselijke en vaak ook grappige film te verwerken. Van den Berg is ervan overtuigd dat zijn film de wereld een beetje kan veranderen.

 

Hoe kwam u op het idee Silent Snow te maken?

‘Ik werd aangesproken door de Nederlandse pop-hunter Jan Betlem, maar zag het helemaal niet zitten om een film over gif te maken. Al die ellende, daar zit geen documentaire in, dacht ik. Toen kwam de aankondiging van het International Polar Year en het bericht dat er hoge waarden van pesticiden in het bloed van Inuït waren gevonden. In Amsterdam liep ik een Inuït tegen het lijf, Ole Jørgen Hammeken, een wereldreiziger en poolkenner. Hij zei dat ik naar Uummanaq moest, een stad in Groenland, die hij als de mooiste plek van de wereld omschreef. Als je er eenmaal geweest bent, moet je er altijd terugkeren. En hij had gelijk. Ik ben er ondertussen al vier keer geweest.’

De mooiste plek ter wereld blijkt ernstig vervuild. Weten de inwoners dat?

‘Ja, maar er wordt haast niet over gepraat. Heel vreemd. Zelfs in de schoolboeken staat dat het niet goed is voor jonge vrouwen om het vet van zeehonden en walvissen te eten, maar verder wordt daar niet op ingegaan. Het dieet van de Inuït is van oudsher afgestemd op dat vet, nodig om daar te overleven. Ze zeiden tegen me: “Het is vreemd dat we ons moeten behelpen met geïmporteerd voedsel, afkomstig uit de gebieden die onze regio vervuilen.” Merkwaardig is nog dat de Groenlanders gelaten aanvaarden dat er elders in de wereld DDT wordt gespoten om malaria te bestrijden. En net als wij praten ze liever niet over slecht nieuws. Wat kan je er tenslotte aan veranderen als je in Groenland woont en je wordt vergiftigd door de rest van de wereld?’

Is daar wetenschappelijk bewijs voor?

‘Zeer zeker. We zijn volop bezig een website te bouwen vol verwijzingen naar onderzoeksresultaten. Je zal via de website ook kunnen checken welk bedrijf deugt en welk niet. In de film wou ik geen bedrijven aanvallen, want misschien handelen ze volgend jaar wel beter. Op de website vind je de actuele informatie, ook over zaken als pesticidenvrije katoen.’

Hoe komen die pesticiden in Groenland terecht?

‘Het blijkt dat alle oceaanstromingen en winden de neiging hebben om naar het noorden te gaan. Het getransporteerde gif daalt er neer als sneeuw, en komt via kleine visjes en steeds grotere vissen in het vet van andere dieren terecht en vergiftigt zo de hele voedselketen, met de mens aan de top.’

Worden er dan nog zoveel pesticiden geproduceerd en gebruikt?

‘Waanzinnig veel. En dat ondanks de publicatie van Silent Spring in 1962, dat op de gevaren van DDT wees, en tal van Stockholm-conventies die het gebruik van pesticiden aan banden hebben gelegd. Maar als een fabriek in één land wordt gesloten, begint er één in een ander land te produceren.’

Dat klinkt als een hopeloze strijd. Of is er toch wat aan te doen?

‘Toch wel. Op de voorstelling van de film in Genève stond een Indische arts op, die met emotie in zijn stem zei: “Ik zal vanaf nu mijn leven wijden aan het sluiten van deze fabriek en het stoppen van deze misstanden.” Je moet trouwens niet denken dat de Indiërs de grootste vervuilers zijn. Costa Rica staat op één in de wereld wat pesticidengebruik betreft, Colombia op twee, en nummer drie is Nederland. In de Nederlandse bollenteelt wordt zeer veel Imidacloprid gebruikt, met verschrikkelijke gevolgen voor de bijenteelt.’

Moeten pesticiden volgens u helemaal worden afgeschaft?

‘Ik ben heel erg van het cradle to cradle-principe, waarbij je alleen maar die producten gebruikt die weer opgenomen kunnen worden door het milieu. En dat is niet het geval voor de persistente organische pesticiden, ook wel bekend als de dirty dozen, alhoewel een actuelere naam dirty nineteen zou zijn, want het zijn er alweer meer geworden. Het zijn extreem giftige verbindingen die tot in lengte van dagen onafbreekbaar zijn. Het is allemaal nog een beetje slecht georganiseerd in de wereld, want de chemische lobby heeft wel handenvol geld om pesticiden te promoten, terwijl er heel wat alternatieven beschikbaar zijn waarover je veel minder hoort. DDT spuiten om malaria te bestrijden, dat is ontzettend achterhaald. De muggen worden er immuun voor, muskietennetten zijn veel efficiënter. In de Indische katoensector ligt het pesticidengebruik zeer hoog, maar het onderzoek dat daarrond gebeurt, wordt gefinancierd door de chemische industrie. Negatieve berichten worden op die manier uitgesloten.’

Ziet u nog een sprankeltje hoop, wetende dat de mens vijftig jaar na Silent Spring nog altijd zijn lesje niet heeft geleerd?

‘Ik geloof sterk in het effect van de screenings van de film. De reacties zijn heel hevig. Mensen putten hoop uit de film, en het was een ontzettende klus om dat te bewerkstelligen. Overal waar we komen, hoor ik een positief verhaal. Mensen worden zich steeds meer bewust van het belang van zorgvuldig omgaan met hun omgeving. Ik ben door de eerste screenings erg gelukkig dat ik erin geslaagd ben geen boodschap van wanhoop, maar één van hoop te verspreiden.’

Verschenen in Argus Actueel, 10 mei 2011

Van materiaalschaarste naar duurzaam materialenbeheer

Vlaanderen is koploper in duurzaam materialenbeheer en wil dat in de toekomst ook blijven. Een nieuw partnerschap tussen de academische wereld, de industrie en de overheid moet daar voor zorgen.

 

Europa is het continent met de minste eigen grondstoffen en energievoorraden. Onze regio is in vergelijking met andere continenten extreem afhankelijk van de import van buitenlandse fossiele brandstoffen en zeldzame aardmetalen. De concentratie van kritische grondstoffen is alles behalve eerlijk verdeeld over de wereld. China heeft de meeste zeldzame aardmetalen in handen, de Russen delven edele metalen, Congo zit op belangrijke kobaltvoorraden en niobium komt vooral voor in Canada en Brazilië.

Bovendien staat de recyclage van deze stoffen overal op een zeer laag pitje, terwijl een net deze stoffen van cruciaal belang zijn in de transitie naar een groene economie. Zo is kobalt een essentieel onderdeel in de productie van lithium-ion-batterijen, inidum noodzakelijk voor dunne PV-cellen, platinum voor brandstofcellen en niobium voor supergeleiders. Zonder zeldzame aardmetalen (zoals neodymium, terbium etc.), lithium, kobalt en germanium kunnen er geen hybride en elektrische auto’s rondrijden en komt de productie van zonnepanelen en windturbines in het gedrang.

In het licht van deze vaststellingen heeft de Europese Commissie de resource efficiency uitgeroepen tot een van de kerntaken van het oude continent. De uitwerking van een Effective (Critical) Raw Material Strategy staat ondertussen al in de steigers. De uitdaging bestaat erin efficiënt met grondstoffen om te springen terwijl je als continent nauwelijks of geen controle hebt over het opdelven en produceren ervan.

Vlaanderen als koploper
De opwarming van de aarde en het ontbreken van eigen vitale grondstoffen laten Europa en Vlaanderen geen andere keuze dan de kampioen te worden van de koolstofarme kringloopeconomie, besluit ir. dr. Peter Tom Jones van de K.U.Leuven, de grote pleitbezorger van SMM (Sustainable Materials Management of duurzaam materiaalbeheer). “Wat Vlaanderen niet heeft qua grondstoffen, heeft het des te meer qua kennis en expertise inzake duurzaam materialenbeheer”, klinkt het bij de ingenieur. Jones noemt de transitie naar een koolstofarme kringloopeconomie een uitdaging zonder voorgaande.

Op energetisch vlak moeten Vlaanderen en de EU de transitie maken naar energieonafhankelijkheid. Door de transitie naar duurzaam materialenbeheer, het sluiten van de kringlopen, kunnen we evolueren naar materialenonafhankelijkheid. Peter Tom Jones pleit voor een innovatieve recyclage-economie, waarin Europa zijn grondstoffen herwint uit afvalstromen in plaats van uit mijnen in de rest van de wereld. Dat is mogelijk via concepten als ‘urban mining’ (winning van grondstoffen uit afgedankte laptops, computers, gsm’s, auto’s) en ‘enhanced landfill mining’ (de geïntegreerde valorisatie van oude stortplaatsen voor materiaal en energie).

Een bijkomend pluspunt is daarbij dat deze vorm van recyclage bijdraagt tot een reductie van het energieverbruik en de CO2-emissies. Zo vereist de productie van aluminium uit schroot maar liefst 95% minder energie dan het vervaardigen van aluminium uit bauxieterts. Een dergelijke transitie is wellicht niet mogelijk zonder een grondige verandering in het financieel systeem, met hogere lasten op het gebruik van primaire grondstoffen zoals energie en materialen enerzijds en anderzijds incentives voor secundaire grondstoffen en hernieuwbare energie.

CR3
Voor de verdere realisatie van SMM in de praktijk richt de K.U.Leuven een interdisciplinair team op, met specialisten uit uiteenlopende disciplines en met organisaties binnen en buiten de universiteit. Inmiddels zegden al veertig bedrijven hun medewerking toe aan een kennisplatform. Een en ander wordt gecoördineerd vanuit CR3, het Centre for Resource Recovery and Recycling, een van oorsprong Amerikaans onderzoekscentrum, waarvan de K.U.Leuven de Europese tak nu voor zijn rekening neemt. Partners van het eerste uur zijn o.a. OVAMGroup Machiels en Umicore. Niet toevallig, want OVAM heeft zelf al de transitie achter de rug van afvalstoffenmaatschappij naar materiaalbeheerder, Umicore is een wereldleider in recyclingtechnologie en ‘urban mining’ en Group Machiels ambieert ‘enhanced landfill mining’ in de praktijk op de Remo-stortplaats in Houthalen-Helchteren.

 

Gepupliceerd in Argus Actueel, 27/4/11