Wat als we niet meer hoeven te werken?

De Britse economieprofessor, auteur en partijloos politicus Robert Skidelsky (75) is ervan overtuigd dat we dankzij de automatisering binnen enkele decennia niet (veel) meer zullen moeten werken. Met behulp van een basisinkomen zullen we ons leven op eigen houtje kunnen invullen. Maar wordt dat ook een duurzaam leven?

Onlangs haalde het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen Lord Robert Skidelsky naar Antwerpen voor een lezing, en ARGUS strikte hem voor een interview. De 75-jarige Britse emiritus professor economie is vooral bekend vanwege zijn biografie in drie delen over de invloedrijke economist John Maynard Keynes.

Vorig jaar publiceerde Skidelsky samen met zijn zoon Edward het pamflet Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven. Vader en zoon vertrokken daarvoor opnieuw bij Keynes, meer bepaald bij diens essay uit 1930: Economic possibilities for our granchildren. Vooruitgangsoptimist Keynes voorspelde daarin dat mensen ongeveer een eeuw later – binnen dit en vijftien jaar dus – dankzij productiviteitswinst en automatisering amper vijftien uur per week zouden moeten werken.

De Skidelsky’s stellen vast dat Keynes het voorlopig niet bij het rechte eind had. Ze menen ook te weten waarom. We werken met zijn allen veel harder dan we eigenlijk zouden moeten omdat we daartoe worden aangezet door de consumptiemaatschappij en reclame in het bijzonder. En omdat we gedreven worden door een sterk verlangen naar status, die we denken te kunnen bereiken door in een groot huis te wonen, ongezond veel te eten, met een dikke auto te rijden en verre reizen te ondernemen. Het is nooit genoeg, en tot wat voor soort excessen dat kan leiden, zagen we onder andere in de bankencrisis en aan absurd hoge topmanagers- en topvoetballerslonen.

Robert en Edward Skidelsky hebben het niet zo erg begrepen op de milieubeweging, maar evenmin op de excessen van de consumptiemaatschappij. Zij pleiten voor een derde weg: het goede leven. Leven zonder stress, in vrijheid en in harmonie met de natuur, met veel vrije tijd die we kunnen gebruiken om onszelf te ontwikkelen, van vrienden en cultuur te genieten. Want eigenlijk gelooft Robert Skidelsky dat Keynes binnen een paar decennia alsnog gelijk zal krijgen. De immer voortschrijdende robotisering en automatisering zal ertoe leiden dat heel veel banen overbodig worden. Hoe moeten we dan verder? En hoe valt deze toekomstvisie te rijmen met duurzaamheid?

De vrijetijdseconomie

Misschien moeten we bij het begin beginnen: hoe waarschijnlijk acht u het dat robots en computers ons werk overnemen? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Robert Skidelsky: “Als je robots zegt, denken mensen algauw aan een mensachtig wezen uit blik, maar automatisering gaat voor een groot stuk over software. Het lijkt me bijvoorbeeld perfect mogelijk om het werk van callcentermedewerkers op termijn door slimme software te laten uitvoeren. Zo zijn er talloze voorbeelden. In het verleden zijn we al vaker met automatisering geconfronteerd. Ook toen verloren mensen hun job, maar we bleven nieuwe producten en jobs creëren zodat er altijd genoeg werk was. Die periode zou stilaan op zijn einde kunnen lopen. Ik verwacht dat we in de komende twintig à dertig jaar steeds grotere structurele werkloosheid zullen krijgen vanwege de fenomenale groei in rekenkracht en intelligentie van computersystemen. Ook zogenaamd intellectuele jobs zullen vervangen worden door computers. En dan wordt het interessant.”

Wat gebeurt er als mensen geen werk meer hebben omdat computers en robots hun taken overnemen?

Robert Skidelsky: “Het lijkt me aannemelijk dat we mensen een basisinkomen zullen geven. Maar de meer fundamentele vraag is: hoe zullen mensen hun tijd dan doorbrengen? Als mensen niet meer moeten werken voor een inkomen, moeten ze kiezen wat ze met hun leven gaan doen. De vraag wordt dan: hoeveel geloof heb je in de mens? Pessimisten denken dat mensen zich zullen kapotvervelen en elkaar misschien zelfs uitmoorden. Optimisten geloven dat mensen hogere capaciteiten zullen ontwikkelen, die lange tijd sluimerend aanwezig waren omdat ze hun tijd aan werk moesten besteden.”

Bent u een optimist of een pessimist?

Robert Skidelsky: “Dat varieert. Als ik naar het nieuws kijk, geloof ik niet dat er veel hoop is voor de toekomst van de mens. We lijken met een fabricagefout geboren. Op andere momenten besef ik dat de mens kan bijleren en evolueren. Delen van de wereld zijn er veel beter aan toe dan vroeger, niet alleen materieel maar ook spiritueel. Kijk maar naar Europa, of meer specifiek naar de Scandinavische landen. Het onderwijs is gedemocratiseerd, ongeveer de helft van de bevolking doet hogere studies. Dat verheft mensen.”

Zouden mensen nog wel studeren als ze niet meer moesten werken?

Robert Skidelsky: “De enige reden om te studeren zou dan zijn je geest en je capaciteiten te verruimen – maar geldt dat nu al niet voor heel wat hoger onderwijs? Lager en middelbaar onderwijs zijn behoorlijk utilitair, maar eens aan de universiteit wordt dat toch anders. Nogal wat mensen beginnen aan een opleiding omdat ze hen interesseert, niet met een bepaalde job in gedachten. In een geautomatiseerde toekomst wordt de universiteit een van de fases van active leisure (actieve vrije tijd).”

Grenzen aan de groei

Laten we ervan uitgaan dat uw toekomstvisie uitkomt. Wordt het ook een duurzame toekomst, bijvoorbeeld met een cradle-to-cradle-economie?

Robert Skidelsky: “Het milieu niet belasten met giftige afvalstoffen is hoe dan ook heel belangrijk, zeker in het licht van de bevolkingsgroei. We kampen nu met grote problemen om ons afval kwijt te geraken. Dus de idee van bio-afbreekbaarheid en kringlopen ben ik zeker genegen. Ik zou zeggen: good luck, go ahead! Elke filosofie die ons aanmoedigt om in harmonie met de natuur te leven, moet wel juist zijn. Het goede aan cradle-to-cradle is ook dat het een denkrichting is die niet vertrekt van schaarste en uitputting, maar van overvloed. Dus niet dat Puriteinse groene denken over besparen en beheersen. Ik ben namelijk niet zo’n Puritein.”

Hebben we voor de overgang naar een meer duurzame economie vooral een mentaliteits- en gedragsverandering van de mensen nodig of meer staatsinterventie?

Robert Skidelsky: “Beide, denk ik. Als je de stimuli verandert, verandert het gedrag. De liberale gedachte dat je met een andere aanpak dan de geldende paternalistisch zou zijn en zou ingaan tegen de menselijke vrijheid, is een valse voorstelling van zaken. Er is heel wat paternalisme en manipulatie in de wereld waarin wij leven. Het is gewoon een kwestie van welk soort manipulatie je verkiest. Neem nu reclame zoals we die vandaag kennen, een van de grote triggers in onze maatschappij om steeds maar meer te willen. Je hebt een grote groep mensen nodig die ervan overtuigd geraakt dat de meeste reclame leugenachtig en vals is. Dan zou er een consensus kunnen ontstaan over meer restricties op reclame. Maar je kan het ook doen zonder op vrijheid te beknibbelen, bijvoorbeeld door de financiering van tv-zenders en websites op een andere manier te regelen dan nu het geval is.”

De Club van Rome had het in 1972 al over de grenzen aan de groei. Tegenwoordig is het bon ton om te zeggen dat die grenzen overschreden zijn. Moeten we dan naar een nulgroeieconomie? En kan dat wel, een economie zonder groei van het BBP?

Robert Skidelsky: We live in a target culture, don’t we? We stellen ons als maatschappij altijd bepaalde doelstellingen. Maar de fixatie op het BBP is al bij al een vrij recente evolutie, iets van de jaren vijftig en zestig. Wat niet wil zeggen dat de welstand en de welvaart in de jaren voordien niet verbeterden. We zijn er kennelijk nogal goed in om eeuwigheidswaarde toe te kennen aan vrij recente trends. De gedachte om ze te verlaten, lijkt ondraaglijk. Er valt nochtans heel wat voor te zeggen om het groeidoel te laten vallen en voor andere doelen te opteren. Eén van de belangrijkere doelen lijkt me economische zekerheid. De meeste mensen hebben liever dat hun kapitaal in stand wordt gehouden dan dat het spectaculair groeit, als dat het risico inhoudt het te verliezen. We willen betere gezondheidszorg voor iedereen. We willen een economie waarin mensen in harmonie met de natuur leven en waarin ze genoeg vrije tijd hebben, dat is ook niet erg pro-growth. We moeten ook durven nadenken over de verdeling van welvaart.”

Utopie en dystopie

Het utopia dat u schetst lijkt toch erg ver weg. Volgens Thomas Piketty wordt de ongelijkheid alleen maar groter. Stevenen we op een revolutie af?

Robert Skidelsky: “Het is mogelijk dat er crisissen komen. Maar de overgang van de dystopie naar de utopie is nog nooit zo dichtbij geweest. De utopie staat voor de deur, omdat de technologische mogelijkheden om mensen minder te laten werken nooit groter zijn geweest. Minder werk is een constante in alle utopieën, maar nu kan het realiteit worden. Het interessante is dat samen met de realiseerbare utopie ook een dystopie mogelijk wordt, met een steeds grotere kloof tussen de haves en de have nots. Het is dus een heel interessante periode. Ik weet niet wat er zal gebeuren, we kunnen mensen alleen de goede mogelijkheden tonen en hopen dat ze die kiezen.”

U hebt zich voor uw boek verdiept in de onverzadigbaarheid de mens, de gedachte dat veel niet goed genoeg is. Wat is uw conclusie?

Robert Skidelsky: “Aan het begin van onze research veronderstelden wij dat onverzadigbaarheid een belangrijke drijfveer is van de mens. Ondertussen ben ik daar minder van overtuigd. Het idee van de onverzadigbare mens past in een economische propaganda die wil verdoezelen dat veel van wat we doen gedreven wordt door reclame. Gulzigheid en jaloezie zijn zeker menselijke kenmerken, en we zien er heel wat van rondom ons, maar misschien geven we ze wel te veel gewicht. De menselijke moraal heeft dit soort trekjes altijd veroordeeld en de mensheid is er altijd naar op zoek geweest hoe we deze neigingen, net als de voortplantingsdrift, op een of andere manier aan banden kunnen leggen.”

Bent u eigenlijk toch optimistischer geworden over de toekomst van de mensheid?

Robert Skidelsky: “Niet echt. Mensen zitten nu eenmaal zo in mekaar dat ze gemakkelijk vallen voor politici die hen om de tuin leiden en hen overtuigen om hen te volgen naar het nieuwe Utopia. De belangrijkste karaktertrek van de mens lijkt me zwakheid in plaats van slechtheid. En nu ben ik toe aan een sigaret.”

 Verschenen op Argus Actueel, 16 december 2014

“Duurzaamheid zal goedkoop zijn, of ze zal niet duurzaam zijn”

Volgens VITO-directeur Dirk Fransaer zijn we met ons woningbeleid en de fixatie op energie-efficiëntie helemaal verkeerd bezig. Goedkope duurzame energie uit diepe geothermie is het alternatief waar hij op inzet.

Voor de vierde keer al organiseren VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) en TERI (het Indische The Energy and Resources Institute) hun gezamenlijke i-SUP-conferentie. De instituten bundelen de krachten om opnieuw een groot aantal ondernemers, investeerders, overheden en experts rond de tafel te krijgen en te praten en te leren over duurzame innovatie. Er zal ongetwijfeld veel aandacht gaan naar de komst van Virgin-baasRichard Branson, maar de infosessies over geothermie beloven zo mogelijk nog meer te spetteren. Een vooruitblik met VITO-directeur ir. Dirk Fransaer.

Met Richard Branson halen jullie een wereldberoemd entrepreneur, visionair, avonturier en voorvechter van duurzaam ondernemen in huis. Maar kan je wel een duurzaam ondernemer zijn als baas van een luchtvaartmaatschappij die een slordige 6 miljoen ton CO2 per jaar uitstoot? Dirk Fransaer “Branson is een grote publiekstrekker. Hij sluit inderdaad aan bij het duurzaamheidsaspect en bij waar we met i-SUP2014 naartoe willen, meer bepaald het onderdeel dat gaat over investeren in duurzame oplossingen. Duurzame groei kunnen en moeten we stimuleren door de combinatie van ondernemerschap en duurzame ontwikkeling. Hierbij is CO2 maar één component van duurzaamheid in de context van klimaatverandering. Maar duurzaamheid is veel meer dan het vermijden van klimaatverandering. Richard Branson zal trouwens in discussie treden met astronaut Frank De Winne over de haalbaarheid van duurzame ruimtevluchten.”

Hoe definieert u duurzame ontwikkeling? En welke plaats heeft luchtvaart daarin?  Dirk Fransaer “Ik wil de vraag graag opentrekken naar welk economisch model wij willen en welke rol transport daarin moet spelen. Als duurzame landbouw eng – en volgens mij onterecht – gedefinieerd wordt als lokale landbouw met uitsluitend lokale afzet is het inconsequent om tegelijk van Vlaanderen de transporthub van Europa te maken. Het is onmogelijk om de aardbeien uit Zuid-Afrika tegen te houden wanneer die dank zij massatransport niet veel duurder zijn dan die van de boer van bij ons.”

“VITO hanteert een viertal wereldbeelden, gedefinieerd door internationale organisaties. In één dergelijk wereldbeeld overheerst een geglobaliseerde wereld. In een ander daarentegen wordt een eerder lokaal wereldbeeld aangehangen. In het geglobaliseerd wereldbeeld is er duidelijk een contradictie tussen duurzame lokale landbouw in Vlaanderen en een grootschalig aanbod via geglobaliseerd transport van voedsel. Wereldbeelden, of specifieke toekomstbeelden voor Vlaanderen, dienen consequent te zijn, anders krijg je een amalgaam van aan elkaar tegengestelde oplossingen. Om terug te komen op luchtvaart: neen, CO2 uitstotende luchtvaart is niet duurzaam, maar willen we dan met zijn allen vanaf nu kiezen voor vakantie in eigen land? Ik dacht het niet. De oplossing lijkt me eerder om te werken aan CO2-vrij transport. Wat luchtvaart en scheepvaart betreft staan we hier voor bijzonder grote uitdagingen.”

i-SUP2014 besteedt veel aandacht aan diepe geothermie. Waarom? Dirk Fransaer “Niet alleen VITO is ervan overtuigd dat diepe geothermie een zeer belangrijke bijdrage kan leveren aan ons energievraagstuk. Neem eens een kijkje op Google.org/egs. In een van de Youtube-filmpjes op die site over Enhanced Geothermical Systems rekent dr. Jefferson Tester van het Massachusetts Institute of Technology voor dat als de VS 2% van zijn potentieel aan diepe geothermie zou ontginnen, ze 26.000 jaar lang de primaire energievoorziening kunnen verzekeren – dat is warmte en energie voor alle Amerikaanse gebouwen, fabrieken en transport. Ook bij ons en in feite overal ter wereld is het potentieel enorm als je op 6 km diepte water injecteert in gesteente en de stoom terug opvangt en gebruikt voor verwarming en stroomproductie. De enige vraag is: kan je het op een kostenefficiënte manier ontginnen? Kan je het zo goedkoop maken dat je geen groenestroomcertificaten nodig hebt? Wij denken dat het antwoord zit in het koppelen van de verschillende centrales en een geïntegreerd warmte- en elektriciteitsgebruik.”

Wat staat de ontwikkeling van diepe geothermie in de weg?  Dirk Fransaer “Europa en Vlaanderen willen tegen 2050 evolueren naar een duurzame, koolstofarme maatschappij. Toch stel ik vast dat de regelgeving en het beleid vandaag contraproductief zijn om die doelstelling te bereiken. Het Vlaams parlement heeft recent een resolutie aangenomen waarin zeven Vlaamse decreten zijn opgelijst die moeten gewijzigd worden om diepe geothermie te realiseren. Ook een aantal Europese directieven gaan lijnrecht in tegen de ontwikkeling van diepe geothermie. Wat de EU vandaag promoot is rijkeluisduurzaamheid, enkel haalbaar voor wie veel geld heeft. De EU is de sociale component in duurzaamheid vergeten en is dus per definitie niet duurzaam bezig. Met een boutade: duurzaamheid zal goedkoop zijn, of ze zal niet duurzaam zijn. Een van de schrijnendste voorbeelden van hoe het niet moet is trouwens het woningbeleid van de EU.”

Wat is er mis met het beleid rond bouwen en renoveren en hoe moet het dan wel worden aangepakt?  Dirk Fransaer “De renovatiegraad ligt momenteel op 1%. De strenge normen rond energie-efficiëntie en isolatie maken bouwen en verbouwen veel te duur, met als gevolg dat de bouwsector problemen heeft, de huurmarkt dreigt op te drogen en er een toenemende vraag naar dure, sociale woningen ontstaat. De trias energetica is een wet van Meden en Perzen geworden, maar helaas is het soms niet efficiënt om zo efficiënt mogelijk trachten te zijn. Het is zinloos om woningen te isoleren tot op het niveau dat nu wordt voorzien, inclusief de vereiste maatregelen voor duurzame energiewinning. Er zijn voldoende studies die uitwijzen dat het effect op bestaande woningen een veel te hoge prijs heeft voor het bereikbare resultaat. De vervanging van minder rendabele stookketels tot 2020 genereert 80% van de CO2-reductie die men beoogt met de huidige EPB-regelgeving voor nieuwbouwwoningen en dat voor een aanzienlijk lagere kostprijs. Vaak zijn die vervangingen gewoon veel goedkoper. Toch hoor je daar bijzonder weinig over.”

“Het is eigenlijk verbazend dat men bij de aanschaf van een nieuwe wagen geen verplichting oplegt om een elektrische wagen aan te kopen, terwijl men bij nieuwbouw wel strenge en dure normen oplegt. Met de overschakeling op elektrisch personentransport zou men op tien jaar tijd – de gemiddelde levensduur van een wagen in Vlaanderen – de CO2-uitstoot van Vlaanderen met circa 12% kunnen reduceren. Bovendien is de kostprijs qua verbruik van dergelijke wagens spectaculair lager dan voor klassieke personenwagens.”

Maar beter nog is: stoppen met isoleren en lage-energiewoningen bouwen en overschakelen op diepe geothermie?  Dirk Fransaer “Het huidige systeem faalt: woningen worden steeds duurder en uiteindelijk onbetaalbaar. Veel mensen die hebben belegd in een eigen woning zullen die vanaf 2020 niet meer kunnen verkopen door de steeds strengere energienormen. Dat is zonder meer een massale vernietiging van maatschappelijk kapitaal. Natuurlijk moeten we de CO2-uitstoot terugdringen, maar dan wel op een betaalbare manier. Dat kan met het onbeperkte energie-aanbod van diepe geothermie en aan zonnelicht in de Zuidelijker gebieden. Als we diepe geothermie kunnen ontwikkelen en aanbieden aan een betaalbare prijs, creëren we een warmte-overschot en kan je woningen op een warmtenet aansluiten. Een dergelijk warmtenet kan ook gevoed worden met bestaande industriële restwarmte. Zo sla je twee à drie vliegen in één klap. Energie wordt goedkoop of tenminste niet duurder, zal overvloedig aanwezig zijn en is CO2-neutraal. Dan moet je nog steeds isoleren, maar volstaat een E50-peil. Vóór de oliecrisis van de jaren zeventig was er van isolatie geen sprake, want energie was spotgoedkoop. Sindsdien gaan we ervan uit dat energie steeds duurder zal worden, maar dat zou eigenlijk niet mogen. Het moet de uitdaging van de technologie en de maatschappij zijn om energie betaalbaar te houden of ze terug betaalbaar te maken. Als energie duurder wordt, valt alles stil en dat kunnen we ons niet permitteren. Als optimist moeten we ervan durven uitgaan dat energie even duur zal blijven of goedkoper zal worden. Dan klopt ook de theorie achter efficiëntie en het E-peil niet langer.”

Hoe denkt u de politiek en de ondernemers te overtuigen van deze Copernicaanse energie-omwenteling? Doet VITO wel genoeg om zulke oplossingen naar voor te schuiven en te helpen realiseren?  Dirk Fransaer:  “Er wordt vaak onder het mom van energiepolitiek een andere agenda ontplooid, ofwel door willoos Europa achterna te lopen ofwel door bepaalde thema’s op gekleurde wijze te recupereren. Dat is mogelijk omdat er te weinig maatschappelijke discussie is, of hoogstens in slogans wordt gedacht. De effecten van de geplande en genomen maatregelen worden voldoende doorgerekend, maar er wordt onvoldoende rekening mee gehouden. Ik wil ook de hand in eigen boezem steken en erkennen dat het potentieel van diepe geothermie en restwarmtenetten nog niet ruim genoeg bekend is. Maar we werken eraan, onder andere met i-SUP2014. Al blijft het voorlopig erg moeilijk om investeerders en financiële instellingen te vinden om op 6 km diepte naar aardwarmte te boren. Vreemd eigenlijk, want geld vinden voor de bouw van een windturbine die alleen maar rendabel is als ze groenestroomcertificaten opbrengt, dat lukt dan weer wel.”

i-SUP2014 vindt plaats van 1 tot 3 september 2014 in het Antwerpse Hilton Hotel. De conferentie staat in het teken van industrie en innovatieve duurzame productie. Meer info en inschrijven via de website:http://www.i-SUP.org

Verschenen op Argus Actueel, 7/8/14

Bang van de ring

De jarenlang aanslepende strijd voor betere mobiliteit rond Antwerpen wordt gevoerd met tal van argumenten, waarin gezondheid, overkapping, nieuwe ruimte voor de stad en kostprijs momenteel de belangrijkste zijn. We evalueren de claims die de drie hoofdrolspelers op deze punten maken.

Wat ligt er op tafel?

 

1. BAM/OOSTERWEEL

De Vlaamse regering heeft op vrijdag 14 februari 2014 officieel het BAM-tracé goedgekeurd, ondertussen omgedoopt tot Oosterweelverbinding. Dat plan sluit de Antwerpse ring dicht tegen de stad in het Noorden (zodat verkeer dat van Hasselt en Nederland naar Gent moet, niet door de Kennedytunnel hoeft) en ontlast de ring verder door de intunneling van de R11bis/A102. Het verkeer dat van Breda, Hasselt of Eindhoven naar Brussel moet, kan daarvan gebruik maken en hoeft niet meer langs de ring.

Het BAM-tracé met Lange Wapperbrug, de weggestemde Scheldekruising uit het oorspronkelijke plan, wordt vervangen door een Kanaaltunnel die samen met een tunnel onder de Schelde het Linkeroeverknooppunt van E34 en E17 verbindt met de Noordelijke A12, de E19 en de Oostelijke E34. De nieuwe Noordelijke ring wordt in dit plan gedeeltelijk ondertunneld, overkapt en ingesleufd. Het viaduct van Merksem verdwijnt en wordt vervangen door sleuven en tunnels en een op- en afrittencomplex ter hoogte van het Sportpaleis, de zogenaamde Hollandse knoop. Op bepaalde plekken zijn in het Oosterweeltracé overkappingen mogelijk. In totaal is Oosterweel volgens de plannenmakers goed voor 26 ha extra stadsgebied, al zou dat volgens BAM-woordvoerder Bojan Cerovic volgens de laatste berekeningen al zijn opgelopen tot 50 ha.

2. MECCANO

De actiegroepen stRaten-generaal en Ademloos kiezen met Meccano voor het maximaal weghouden van het doorgaand verkeer van de stadsring en de ondertunneling/overkapping van de huidige Antwerpse ring. De actiegroepen zien de huidige ring als een ring door Antwerpen en pleiten voor een buitenring rond Antwerpen en door de haven. Het doorgaand verkeer wordt omgeleid, niet alleen via de A102 zoals in het Oosterweelplan (waarin dat idee van Meccano werd overgenomen), maar bovendien ook via een Noordtangent in het Havengebied en een Westtangent rond Zwijndrecht. Meccano zou zorgen voor 146 ha nieuw gebied op en rond de overkapte ring en het overkappen van de E17 ter hoogte van Zwijndrecht mogelijk maken. Meccano blijft weg van de groengebieden Noordkasteel en Sint-Annabos, waar geen nieuwe verkeerswisselaars hoeven te komen. Bij Meccano hoort ook de opstart van een volwaardig voorstadsnet voor treinverkeer en het verder uitbouwen van het binnenstedelijk tramnetwerk.

3. RINGLAND

Ringland keert de prioriteiten om. Dit plan kiest voor een stapsgewijze opbouw van de capaciteit met als prioritaire oplossing de overkapping van de huidige ring, de uitbouw van openbaar vervoer, de aanleg van de A102 en als sluitstuk een derde Scheldekruising mocht die dan nog nodig blijken. Ringland pleit voor een strikte scheiding van doorgaand- en bestemmingsverkeer in naast elkaar gelegen aparte tunnels en verlegt de huidige Singel bovenop het tunneldak. Zo ontstaat er meer capaciteit op de huidige ring, kan die grotendeels overkapt worden en komt de huidige Singel verder van de stad te liggen. Door het fijnstof en de geluidsoverlast zo veel mogelijk in de tunnels op te vangen, stijgt de leefbaarheid in en om de stad. De beloofde ruimte die vrijkomt door het intunnelen van de ring gaf dit plan zijn naam. Ringland belooft maar liefst 462 ha nieuwe ruimte eens de ring is overkapt. Dat is even veel als de oppervlakte van de Antwerpse binnenstad.

Ligt alles nu voorgoed vast?

Het is niet omdat de Vlaamse regering voor het BAM-tracé heeft gekozen dat het ook zal worden uitgevoerd. De publieke perceptie dat BAM koste wat het kost Oosterweel wil verdedigen, klopt overigens niet, klinkt het bij woordvoerder Bojan Cerovic. “Wij zijn louter een uitvoerende organisatie, een onderdeel van het departement mobiliteit en openbare werken, die de beslissingen van de Vlaamse regering uitvoert. Wij hebben geen bepaalde voorkeur voor eender welk tracé.” Met andere woorden: de opdracht die er nu ligt, is het verder onderzoeken van het Oosterweeltracé. Als er na de verkiezingen een andere beslissing valt, zet BAM dat werk stop en voert ze uit wat de nieuwe regering besluit.

Sluit het BAM-tracé volledige overkapping uit? Wordt de ring in Meccano en Ringland 100% overkapt?

BAM kan het Oosterweeltracé nooit helemaal overkappen omwille van de vele op- en afritten die volgens de Europese tunnelrichtlijn niet mogen worden ingetunneld. Met het Oosterweeltracé komen er bovendien ter hoogte van Merksem en Deurne twee extra verkeerswisselaars bij op de Antwerpse ring, wat het lokale overkappen van die ring bemoeilijkt. Of bij Meccano en Ringland volledige overkapping mogelijk is, moet nog blijken. Ringland vereenvoudigt en vermindert het aantal op- en afritten voor het Europese verkeer waarop de richtlijnen van toepassing zijn en tracht zo overkapping mogelijk te maken. Meccano stuurt het Europese verkeer in een nieuwe noordwestelijke ring rond de stad, waardoor de huidige ring ondertunneld kan worden. Voor op- en afritten en knooppunten geloven Meccano en Ringland in de mogelijkheden van de Duurzame weg, een serre-achtig concept van overkapping.

Oosterweel

Bojan Cerovic, woordvoerder van BAM, legt uit: “Op- en afritten mogen volgens de Europese tunnelrichtlijn niet overkapt worden, net als andere plekken waar weefbewegingen plaatsvinden. Dat geldt niet alleen voor Oosterweel, maar ook voor andere plannen. Gezien de nabijheid van de haven moeten de autosnelwegen geschikt zijn voor transport van gevaarlijke stoffen (full-ADR). Dat betekent dat er op regelmatige afstanden openingen moeten zijn om desnoods explosiedruk af te leiden.”

Zoals het er nu naar uitziet, zou overkappen van het Oosterweeltracé betekenen dat stukken zonder weefbewegingen kunnen worden overkapt. Op andere plekken, met op- en afritten en weefbewegingen, zou Oosterweel proberen aan de tunnelrichtlijn te ontsnappen door stukken van maximaal 500 m ring te overkappen met daartussen op regelmatige afstanden openingen. Een overkapping onder de 500 m geldt immers niet als een tunnel voor Europa.

Meccano en Ringland

Ringland en Meccano lossen de beperkingen die de Tunnelrichtlijn met zich mee brengt op door doorgaand verkeer in aparte tunnels onder te brengen. Bij Ringland lopen die tunnels over het tracé van de huidige ring. Meccano grijpt dieper in de verkeersstromen in en verandert het statuut van de bestaande wegen. Alle internationaal (vracht)verkeer en minstens het ADR-verkeer, moet verplicht over de west- en oosttangent (A102) en via de Scheldekruisingen Liefkenshoek of Meccano rijden. De huidige ring krijgt het statuut van nationale snelweg en plaatselijk zelfs lokale expressweg met vrachtverbod (van Berchem tot in Merksem). Zo worden vrachtwagens bij Meccano gedwongen om ondertunnelde routes verder van de stadskern te kiezen.

“Dit wordt eigenlijk een ring door de haven, waarbij nog heel wat knooppunten moeten worden heringericht,” merkt Bojan Cerovic op. “En daarvan is de kostprijs nog niet berekend.”

Wat gebeurt er met het fijnstof als de Ring (gedeeltelijk) overkapt wordt? Hoe performant zijn tunnelluchtfilters?

Het Nederlandse UCTechnologies heeft een systeem ontwikkeld, het HD Clean Tunnel System, waarmee het tot 90% van het fijnstof uit tunnellucht kan capteren. Bovendien doet het systeem ook aan warmterecuperatie. Daardoor zou het luchtzuiveringssysteem zichzelf volgens UCTechnologies op vijf jaar terugbetalen. Dit geldt natuurlijk alleen voor het fijnstof dat in de tunnels geproduceerd wordt. Simpel gezegd: hoe meer verkeer in afgesloten tunnels, des te minder fijnstof. Al moet ook dat in perspectief worden geplaatst. Alhoewel grote verkeersaders belangrijke broeihaarden van fijnstof zijn, vormen ze niet de enige oorzaak ervan. De lucht in Vlaanderen bevat tussen de 5% en de 30% fijn stof afkomstig van Vlaams verkeer – in Antwerpen gaat het bij druk verkeer en slechte weersomstandigheden zelfs om meer dan 30%. Ook de industrie is echter verantwoordelijk voor 30% van het fijnstof, net als de landbouw. Een deel van het verkeer rond Antwerpen in tunnels onderbrengen, daarvan het fijnstof filteren, heeft dus slechts betrekking op een fractie van een deel van 30% van het fijnstof. Wat daarom niet wil zeggen dat het de moeite niet loont om deze schadelijke deeltjes af te vangen.

Welk tracé is het minst schadelijk voor de volksgezondheid?

Voor Ringland, dat zich in de conceptfase bevindt, kunnen we daar moeilijk uitspraken over doen, maar er zijn zeker gunstige gevolgen verbonden aan het in tunnels onderbrengen van doorgaand verkeer. Het milieu-effectenrapport (MER) stelt dat Meccano het best scoort qua hinder en gezondheid. Er worden in vergelijking met Oosterweel vooral negatieve licht- en geluidseffecten vermeden ter hoogte van Linkeroever, Zwijndrecht, Luchtbal, Merksem en Deurne-Noord. Wat die laatste vijf wijken betreft, geldt dat overigens ook voor de variant Oosterweel-Noord.

De actiegroep stRaten-generaal, de initiatiefnemer achter Meccano, blijft er van overtuigd dat Meccano in feite nog veel beter scoort dan Oosterweel, omdat de vergelijking met verschillende parameters is gebeurd. Zo werd in het MER Oosterweel mét variabele tol vergeleken met Meccano zonder variabele tol en werden de maximaal toegelaten volksgezondheidswaarden aangepast in het voordeel van Oosterweel.

Bojan Cerovic noemt dat een achterhaald verhaal: “Op verzoek van minister Crevits is dit verschil nog eens nagerekend en het blijkt verwaarloosbaar.”

“Toch niet”, preciseert Manu Claeys van stRaten-Generaal. “Het klopt dat de mobiliteitseffecten van Meccano met variabele tol ondertussen zijn doorgerekend, maar niet de effecten op de luchtkwaliteit en de geluidsimpact.”

Wat mag dat kosten?

Volgens officiële berekeningen bedraagt de kostprijs van Oosterweel en A102/R11 bis 4,6 miljard euro en Meccano met A102/R11 bis zo’n 4,9 miljard.

Het totaal van 1,9 miljard euro dat Ringland en Meccano naar voor schuiven voor de overkapping van de ring, wuift Cerovic weg. “Het bedrag van 40 miljoen euro per 250 meter houdt geen rekening met kosten voor meer dan een minimale gronddekking en overspanning, de tunneltechnische installaties zoals verlichting, ventilatie, noodvoorzieningen… Bijkomende kosten, zoals het afbreken van het viaduct van de ring en vervangen door sleuven, complexere situaties rond op- en afrittencomplexen, locatiegebonden omstandigheden (zoals bodemverontreiniging of transportleidingen, vastgoedkosten), financieringskosten en dergelijke, zijn niet in die prijs opgenomen.”

Sven Augusteyns van Ringland noemt het vanzelfsprekend dat elk project een goede evenwicht moet vinden tussen kosten en baten. “Laten we dat dan ook verder onderzoeken. Met Ringland zijn er grote winsten te maken op gebied van stadsontwikkeling, mobiliteit en volksgezondheid, maar is het evident dat er ook kosten zijn. Wij hebben een concreet voorstel om uit de impasse te geraken en willen daarom een volwaardige berekening van het Ringland-voorstel in het kader van het lopende MER A102/R11bis. Daarin moet Ringland doorgerekend worden als volwaardig alternatief en als mogelijke combinatie met de verschillende tracés. Enkel zo kan je komen tot de best mogelijke combinatie van tracé en overkapping.”

“Vervolgens vragen we om een onafhankelijke stuurgroep op te richten met als opdracht een synthese te maken van alle bestaande voorstellen en een advies te formuleren over een toekomstplan voor Antwerpen dat rekening houdt met mobiliteit, leefbaarheid en stadsontwikkeling.” Manu Claeys sluit zich bij dit voorstel van Ringland aan, net als Wim Van Hees van de actiegroep Ademloos.

Conclusie

Op 10 oktober 1996 hield toenmalig Antwerps provinciegouverneur Camille Paulus een vurig pleidooi voor een sluiting van de Antwerpse ring. Bijna achttien jaar later blijkt het nog altijd erg moeilijk om de verschillende plannen rationeel en objectief tegen elkaar af te wegen. Twee dingen staan vast: in geen van de voorliggende plannen is de ondertunneling zo drastisch als in de hoofden van heel wat Antwerpenaars. En elk voorstel lijkt nog tekortkomingen te hebben. Ringland prikkelt de geesten, maar is nog te weinig onderzocht op haalbaarheid en betaalbaarheid. BAM/Oosterweel blijft een deel van het internationaal vrachtverkeer door drukbewoonde gebieden sturen. Meccano past daar een mouw aan, maar valt iets duurder uit. Nader onderzoek is nodig om de haalbaarheid en betaalbaarheid van Ringland te bestuderen en te zien of de claims over de reductie van fijnstof en geluidsoverlast hout snijden. De neiging om na al die jaren impasse eindelijk iets te doen geeft de sterk gecontesteerde Oosterweelverbinding nog enige wind in de zeilen. Maar om echt breed gedragen te worden door de Antwerpenaars en belastingbetalers in het algemeen, zou het zonde zijn om de droom van minder fijnstof en minder geluidsoverlast in combinatie met grote groene stadsontwikkeling die Ringland en Meccano bieden, niet nader te onderzoeken.

Verschenen in Argus Actueel, 21 mei 2014

Hoe moet het verder met de Vlaamse landbouw?

Elke week zetten circa 24 Vlaamse landbouwbedrijven hun activiteiten stop – en dat al tien jaar lang. De beweging Wervel spreekt over “de ondergang van een landbouwmodel”. Boerenbond pakt binnenkort uit met een nieuwe toekomstvisie op duurzame landbouw in Vlaanderen. Wij brengen alvast de krachtlijnen.

De landbouwcrisis beperkt zich niet tot Vlaanderen alleen. Terwijl er in 2000 nog 61.926 landbouwbedrijven actief waren in België, waren dat er in 2012 nog slechts 38.559 en ondertussen nog een 36.800. Het landbouwareaal nam niet evenredig af: stoppende boerderijen worden doorgaans overgenomen door grotere collega’s. Maar schaalvergroting leidt niet tot een merkbare verbetering in het gemiddelde inkomen van de landbouwers – integendeel. Wanneer boeren stoppen vinden ze maar moeilijk opvolgers omdat hun beroep financieel en sociaal weinig aantrekkelijk is. Heel wat boeren krijgen amper loon naar werken, ze vereenzamen en zien de schulden zich opstapelen. Volgens het jaarverslag 2013 van Boerenbond bedroeg het gemiddelde inkomen van een voltijds werkende boer vorig jaar 23.304 euro, minder dan 2.000 euro per maand dus. Door de stijgende kosten gaat het inkomen van de Vlaamse boer er de laatste jaren steeds verder op achteruit.

Prei met verlies

Wervel vzw, een werkgroep die ijvert voor een rechtvaardige en verantwoorde landbouw, pakt uit met een schrijnendvoorbeeld van een boer die zijn prei met verlies moet verkopen. Volgens Wervel geen alleenstaand geval. De productie van een bussel prei kost deze boer 0,44 euro per kilo, maar hij ontvangt er slechts 0,20 euro voor, terwijl de consument in de supermarkt 1,70 euro betaalt. Hoe zijn zulke uitwassen mogelijk? Campagnecoördinator en bio-ingenieur Veerle Devaere licht toe: “Omdat de Vlaamse boeren vaak dezelfde producten telen, die uiterlijk hetzelfde lijken, maar verschillen door teelttechniek en bodem, kunnen ze door de grootdistributie tegen mekaar uitgespeeld worden. De doorgedreven specialisatie van boeren vergt aanzienlijke investeringen en brengt grote risico’s met zich mee. Boeren staan bovendien in een zwakke positie: ze zijn sterk afhankelijk van het weer, dat bepaalt of ze een goede of slechte oogst hebben. Ze verkopen niet rechtstreeks aan de consument, maar aan tussenschakels zoals veilingen of supermarktketens. Omdat boeren verse producten leveren, kunnen ze niet wachten op betere prijzen. Ze hebben geen macht over de prijszetting.” Uit de probleemanalyse die Wervel maakt, blijkt meteen ook welke oplossingen ze naar voren schuiven: een boer moet zijn teelten diversifiëren, een meer rechtstreekse relatie met de consument ontwikkelen en trachten de eigen producten meer identiteit of een meerwaarde te bezorgen. Dat kan bijvoorbeeld via een eigen methode, opteren voor een streekproduct of zorg voor de natuur. “Vlaanderen is zo sterk verstedelijkt dat het niet doenbaar is om in te zetten op echt grootschalige landbouw”, zegt Veerle Devaere. “Grootschalige landbouw is ook in onze buurlanden de oorzaak van de stopzetting van boerenbedrijven. Boeren kunnen zich niet meer van elkaar onderscheiden, ze creëren geen meerwaarde meer.”

Consumenten

Veerle Devaere ziet tal van mogelijkheden voor rechtstreekse verkoop aan de consument, maar beseft ook dat die aanpak niet voor elke boer is weggelegd. “Goede prijsafspraken met ketens via een coöperatie kunnen boeren helpen om een eerlijke prijs te krijgen voor hun producten. Een diversiteit aan boeren is belangrijk om een rijk en gezond aanbod aan voedsel te garanderen.” Wervel wil consumenten bewuster maken van de situatie van boeren en van de rol van de grootdistributie. “Wanneer consumenten bewust lokaal consumeren en supermarkten onder druk zetten om boeren een eerlijke prijs te betalen – een prijs die niet alleen de kosten dekt maar de boer ook een inkomen bezorgt – dan is er sprake van een toekomst voor een landbouw met boeren. Zelfs in de supermarkt.” Andere manieren om tot een beter inkomen voor landbouwers te zorgen, zijn samenwerkingen tussen consument en boer. Via Community Supported Agriculture (CSA) weet de boer zich verzekerd van een inkomen, want consumenten betalen voor een jaar lang landbouwproducten nog voor de boer ze zaait of kweekt. Viavoedselteams, groenten- en fruitpakketten en andere korte-keteninitiatieven leveren sommige boeren nu al rechtstreeks aan individuen en buurtverenigingen. In een zelfplukboerderij doen consumenten een deel van het werk. Andere boeren stellen hun serres of hun kennis ter beschikking van consumenten die de handen uit de mouwen willen steken. Zo ondervinden ze aan den lijve hoeveel tijd en zorg een boer aan voedsel besteedt. In haar campagne ‘Boer zkt loon‘ gaat Wervel op zoek naar consumenten met LEF (Lokaal, Ecologisch en Fair). “We willen mensen aanmoedigen om te kiezen voor een lokale voedselproducent en daar de meerwaarde te proeven die deze boer hen biedt met plukverse groenten en fruit of andere producten zoals graan, zuivel en vlees. Door met LEF te kiezen, krijgt de boer een eerlijk aandeel, kan hij zijn eigen boontjes weer doppen en bouwen we ‘Fairtrade’ ook lokaal bij ons uit.”

Ketenoverleg

Boerenbond, de beroepsorganisatie van de land- en tuinbouwers, ontwikkelt tal van initiatieven om boeren beter te wapenen tegen de (over)macht van de distributie en om hen te helpen een hoger inkomen te realiseren. HetInnovatiesteunpunt leert boeren onder andere efficiënter te werken, hogere rendementen te halen met minder input, werk te maken van hoeveverkoop en in te spelen op andere actuele trends. Via het Ketenoverleg is de landbouwersorganisatie sinds 2010 in dialoog met de grootdistributie en de voedingsindustrie zodat boeren een faire prijs voor hun producten krijgen. Er is op minder dan vier jaar tijd al heel wat gerealiseerd. Alle supermarktketens actief in België, met uitzondering van Aldi, ondertekenden de gedragscode van het ketenoverleg. Bijna honderd bedrijven die samen goed zijn voor 75% van de voedingsindustrie, deden hetzelfde. “Elke schakel in de keten engageert zich om te handelen in een context van duurzame ontwikkeling, met oog voor economische duurzaamheid”, stelt Marc Rosiers, verantwoordelijk voor Ketenoverleg bij Boerenbond. Deze afspraken op sectorniveau moeten zorgen voor een versterking van de macht van de boeren op het gebied van producentenprijzen. In samenwerking met de FOD Economie worden er bijvoorbeeld maandelijkse brutomarges voor de rundvleessector opgesteld, die prijsonderhandelingen in een objectieve sfeer laten plaatsvinden. Zulke initiatieven geven de meer dan 36.000 boeren een grotere hefboom in de onderhandelingen met de zestien bedrijven in de grootdistributie en het honderdtal in de voedingsindustrie. Behoort het schrijnende voorbeeld van de verlieslatende preiboer van hierboven dan weldra voorgoed tot het verleden? “Voor een individuele boer kunnen wij niet onderhandelen, maar als zo’n situatie jaar na jaar en maandenlang voor een hele sector geldt, zullen we zeker heronderhandelen over een correcte producentenprijs. Boerenbond streeft naar een marktgebeuren waar zoveel mogelijk leefbare landbouwbedrijven aan kunnen participeren”, legt Marc Rosiers uit. Het belangrijkste wat boeren kunnen doen, is zich verenigen in producentenorganisaties en coöperaties. “En zelfs dan is het moeilijk om macht te verwerven in de markt”, stipt Rosiers aan. “Ondanks een omzet van bijna een half miljard euro is de veiling BelOrta (de samensmelting van de Mechelse en Borgloonse Veilingen, red.) slechts goed voor 3% van de Europese markt.”

Moeder, waarom exporteren wij?

Het Ketenoverleg geldt alleen binnen België, terwijl de Belgische landbouw sterk exportgericht is. Veilingen zetten 80% af in het buitenland, de varkenssector exporteert 60% van zijn productie. Zou het niet verstandiger zijn als de Belgische landbouw zich vooral op de thuismarkt zou richten? “Zeker niet. Als we niet meer zouden inzetten op export, dan zullen we pas een waar slagveld aan faillissementen zien. Dan moeten we op slag de helft van de bedrijven sluiten. Boerenbond blijft onze historische netto-exportpositie, gebaseerd op kwaliteitsdifferentiatie, verdedigen. Wij blijven geloven dat Vlaanderen in Europa een niche kan zijn. In bulk om de bulk geloven we niet, maar historisch is Vlaanderen altijd sterk geweest in niet-grondgebonden, intensieve landbouw. Er zijn overigens maar vier regio’s met een gelijkaardig netto-export-profiel in Europa: Nederland, Denemarken, Bretagne en Rijnland-Westfalen.” Marc Rosiers is ervan overtuigd dat de Belgische landbouw nationaal en internationaal het verschil kan maken met gecertificeerde kwaliteit en een nadruk op duurzaamheid. “Tegenwoordig is duurzaamheid nog te vaak vooral een marketingverhaal. Wij zijn volop bezig om van meetbare duurzaamheid een vast onderdeel te maken in onze lastenboeken. Hierbij brengen we zowel economische, ecologische als maatschappelijke aspecten in rekening. In de plantaardige productie zetten we bijvoorbeeld in op integrated pest management: een reductie van gewasbeschermingsmiddelen. In de dierlijke productie stimuleren we de vrijwillige vermindering van het antibioticagebruik en aspecten van dierenwelzijn, zoals oppervlaktenormen voor stallen en het niet onverdoofd castreren van biggen. Ik denk ook aan vormen van precisielandbouw, het niet gebruiken van bepaalde meststoffen…”

Duurzame landbouw

Die groter wordende nadruk op duurzaamheid past in een breder geheel. Op 27 mei presenteert Boerenbond zijn nieuwe visie: Inzetten op duurzame groei. Peter Van Bossuyt, verantwoordelijk voor de redactie van de visienota, licht voor ARGUS al een tip van de sluier op. “Boerenbond wil het beroep van landbouwer terug aantrekkelijker maken door onder andere in te zetten op diversificatie, het ontwikkelen van een betere relatie met de consument en door de boer actiever in te zetten voor natuurbeheer.” Diversificatie betekent dat er in de toekomst meerdere landbouwmodellen naast mekaar zullen bestaan, zegt Van Bossuyt. “Het is een én-én-verhaal. Enerzijds blijven we geloven in groeibedrijven die mikken op schaalvoordeel en op duurzame intensivering. Anderzijds kijken we naar meer kleinschalige bedrijven die inspelen op hun leefomgeving. Daarin past het huidige streven naar stadslandbouw, al vullen wij die term anders in dan anderen. Tussen de twee genoemde modellen liggen trouwens nog veel varianten.” Met “stadslandbouw” heeft Peter Van Bossuyt het niet over moestuintjes in de stad, maar doelt hij op het potentieel van ongeveer een derde van de Vlaamse landbouwbedrijven die zich in en om verstedelijkte gebieden bevinden. “We zullen daarbij inzetten op de korte keten en erover waken dat die economisch rendabel is.” De groeibedrijven zullen mikken op “meer met minder”: meer output met minder input. Van Bossuyt licht toe: “Deze groeibedrijven zullen meer melk, groenten of vlees produceren met minder gebruik van grondstoffen per eenheid geproduceerd product. Er is zeker nog ruimte voor verbetering: zo kunnen we in de veeteelt de uitstoot van broeikasgassen nog verder verminderen, bijvoorbeeld door een betere voederconversie. In de akkerbouw willen we ernaar streven om de milieudruk te verkleinen door nog meer doelgericht meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. We willen onze eiwitten ook meer lokaal telen waardoor de import in sojavorm uit Zuid-Amerika wordt afgebouwd.” Van Bossuyt benadrukt daarnaast dat het niet allemaal slecht nieuws is wat de klok slaat in de Vlaamse landbouw. “Het klopt dat er heel wat uitstroom is uit het vak door boeren die hun bedrijf stopzetten. Maar er is ook wel instroom, bijvoorbeeld van mensen die in landbouwbedrijven te werk zijn gesteld en zelf gaan boeren, of die er op een kleinschalige manier aan beginnen, bijvoorbeeld met een CSA-boerderij. Het gaat niet over grote aantallen, maar het zijn wel mensen die we kansen moeten geven in de land- en tuinbouw en waarvoor een wettelijk kader moet worden geschapen.”

LATTE-principe

De Vlaamse landbouw zal volgens Van Bossuyt slechts overleven als ze zich onderscheidt en topkwaliteit levert. “Wij willen ons richten op de 300 miljoen consumenten die binnen een straal van 500 km leven. We willen ons onderscheiden met innovativiteit en kwaliteit, niet met bulk. We kiezen voluit voor het LATTE-principe (Lokaal, Authentiek, Traceerbaar, Trouwhartig en Ethisch, waarbij ‘Trouwhartig’ staat voor kwalitatief en duurzaam, red.). Produceren voor consumenten in verder gelegen regio’s sluiten we daarbij niet uit, maar ook dat zal alleen maar lukken door in te zetten op kwaliteit. Meer dan tien jaar geleden waren we al blij dat er Belgische peren in Rusland werden verkocht. Nu moeten we er de Poolse peren verslaan met onze betere kwaliteit.” Veerle Devaere van Wervel vindt dat een op export gerichte landbouw zoals die in Vlaanderen bezwaarlijk het etiket ‘duurzaam’ kan dragen. “Het is niet duurzaam om vers voedsel dat veel water bevat te exporteren over lange afstanden en zo te concurreren met boeren in het buitenland.”

 

 

 Verschenen op Argus Actueel, 21 mei 2014

Schone en slimme stadsdistributie werkt

Behoren dieseldampen van winkels beleverende trucks in de stadskern weldra tot het verleden? In Hasselt tonen ze nu al hoe het anders en beter kan. De laatste kilometers om goederen in winkels te krijgen vormen een van de grote pijnpunten van de conventionele distributie. Te grote trucks die relatief kleine pakketjes in nauwe winkelstraten moeten bezorgen worden door niemand geapprecieeerd, niet door de consument, niet door bewoners en al evenmin door handelaars en stadsbesturen. Steeds strakker wordende venstertijden zijn een van de oplossingen. Zo mogen in Hasselt winkels niet beleverd worden tussen 11 en 17u en evenmin tussen 20 en 6u. Een nadeel is dat vrachtwagens daardoor de files voor 11 en na 17u mogelijk langer maken.

Het kan ook anders, zoals CityDepot bewijst. Het bedrijf groepeert de goederen in een centraal depot aan de rand van de stad en levert de pakketten gebundeld bij de handelaars met een kleine vrachtwagen, of met elektrische of hybride bestelwagens en cargo bikes. Bovendien biedt CityDepot aanvullende diensten aan, zoals het controleren en stockeren van goederen.

Zo’n 130 Hasseltse handelaren zijn al lid van CityDepot . “Voor mij biedt het niets dan voordelen”, zegt Philippe Massa van Disneywinkel De Magische Poort. “Wij werken met zo’n tachtig leveranciers uit binnen- en buitenland en die leveren nu allemaal rechtstreeks aan CityDepot. CityDepot groepeert alles voor ons en houdt de goederen zelfs even in stock als we met plaatsgebrek kampen. Bovendien nemen ze ons verpakkingskarton- en plastic in één moeite terug mee. Ik ben van in het begin bij het initiatief aangesloten en merk nu al minder trucks in het straatbeeld, dus dat betekent voor iedereen aangenamer winkelen.”

E-truck

De stadsdistributeur nam zopas zijn eerste volledig elektrische 18-tonner in gebruik, een imposant maar geruis- en emissieloos werkend bakbeest dat meer dan 8 ton vracht kan vervoeren en een actieradius heeft van circa 150 km, ruim genoeg voor stadsdistributie. “Eigenlijk had ik hem graag een maatje kleiner gehad”, zegt Marc Schepers, bestuurder van CityDepot. “Met deze truck zullen we enkel pallets uitleveren tussen de grote en de kleine ring van Hasselt en de stadsrand en slechts heel uitzonderlijk in het stadscentrum.”

De organisatie draait twee jaar na de opstart al breakeven en kijkt uit naar andere steden. Het geheim van het succes van CityDepot zit hem volgens Schepers in de samenwerking met stadsbesturen, met lokale handelaren, met distributeurs en weldra ook met consumenten. “Voor een grote distributeur is de rekening snel gemaakt. Het is economisch gewoon niet interessant om met een grote truck de kleinhandel te bevoorraden. Als je zendingen daarentegen voor één stad kunt groeperen en ze in een centraal depot afleveren, waarna ze voor een lage kost verder worden verdeeld in de stad, is de rekening snel gemaakt. Een van onze klanten stuurde vroeger een truck met twaalf gedeeltelijk geladen pallets de binnenstad in. Nu groepeert hij die zendingen op 8 pallets in een grotere truck die na ons buiten de binnenstad gelegen distributiecentrum in Hasselt ook nog Venlo aandoet. Tel uit je winst: een truck minder op de weg, een chauffeur minder, geen tijdsverlies. De prijs die wij vragen voor lokale distributie hebben de grote transportbedrijven er graag voor over.”

Binnenvaart

Na het succes in Hasselt volgen in de loop van dit en de komende jaren nog een aantal Belgische steden. Zelfs een aantal buitenlandse stadsbesturen toont al interesse. In Brugge en Gent zou het systeem nog dit jaar operationeel kunnen zijn. In Roeselaere wordt de businesscase uitgerekend. Charleroi bouwde al een stadsdistributiecentrum met Europees geld en zoekt een exploitant. Andere steden waar mogelijk op termijn een CityDepot komt zijn Antwerpen, Luik en Oostende.

In Hasselt dromen ze ondertussen al van een nieuw depot met aansluiting op de binnenvaart. “We mikken op gepalletiseerde aanvoer van goederen via binnenschepen”, legt Marc Schepers uit. “Dus geen containers maar bijvoorbeeld wel afgewerke bouwmaterialen of andere goederen op pallets voor Hasselt en omgeving.”

De distributiebedrijven helpen om de laatste kilometers naar de kleinhandel te overbruggen is slechts één zijde van de medaille. CityDepot maakt zich ook al op voor de andere kant: Business To Consumer (BTC), waarbij de goederen vanuit de winkel of vanuit het stadsdepot rechtstreeks aan de consument worden geleverd of aan een tussenpersoon. Schepers heeft het over meerwaardediensten voor winkeliers als hands free shoppen: het pakje wordt aan huis geleverd, het kan opgehaald worden bij CityDepot, aan het einde van de dag bij de handelaar of in een verdeelpunt in de Hasseltse rand.

Ook in Nederland schieten initiatieven rond groene stadsdistributie als paddestoelen uit de grond. Green City Distribution belevert elektrisch in Amsterdam, Deventer, Utrecht en Zutphen en op aardgas in Tilburg. Combipakt verzorgt de belevering van de Nijmeegse binnenstad. Het moment dat mensen zorgeloos kunnen winkelen in de stad zonder blootstelling aan de dieseldampen van de distributie lijkt niet langer een utopie.

Verschenen in Argus Actueel op 27/3/2014

De wedergeboorte van tapijt

De tapijtsector in ons land verkeert al jaren in crisis. Desso vormt daarop een uitzondering, dankzij zijn Cradle to Cradle-processen en doorgedreven robotisering.

Pierre Van Trimpont heeft een lange staat van dienst in de textielindustrie, onder andere bij Associated Weavers en Sioen. In 2007 verwierf hij een belang in Desso en ging er als coo aan de slag. Momenteel is hij advisor to the board op het gebied van nieuwe technologieën. De Nederlands-Belgische tapijtgroep heeft in ons land 370 mensen in dienst, wereldwijd 880 en realiseert een omzet van 222 miljoen euro (2012).

Wat verklaart het succes? Pierre Van Trimpont: ‘In de eerste plaats het feit dat we ons niet kapot concurreren in de sector van het kamerbreed tapijt, maar een nichespeler zijn die hoogtechnologisch tapijt maakt voor gespecialiseerde sectoren: ultralicht voor de luchtvaart, speciaal gecertificeerd voor de cruise-scheepvaart, fijn stof absorberend voor hypo-allergene toepassingen, hybride gras voor topsportarena’s. Ons Light Reflection Master-tapijt weerspiegelt het licht en zorgt voor een besparing van 10% in het energieverbruik voor verlichting. Als specialist zijn we rendabel. Als we mainstream proberen te zijn, krijgen we klappen, zoals ons met kunstgras is overkomen.’

De lus sluiten

Innovatie is voor Desso de jongste jaren synoniem voor Cradle to Cradle (C2C). Vandaag wordt afvalwater al strenger dan de norm gezuiverd, 4% van de energie wordt met eigen zonnepanelen opgewekt en voor de rest van de elektriciteit wordt groene stroom aangekocht. Het garen en een deel van de rug van de tapijttegels zijn al volledig recycleerbaar. C2C is niet iets dat Desso alleen maar doet uit bekommernis voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Pierre Van Trimpont: ‘Onze klanten dragen duurzaamheid hoog in het vaandel. Ons C2C Silver-certificaat geeft ons een competitief voordeel. Met Cradle to Cradle lopen we voor de bal, maar we kunnen niet eindeloos grondstoffen blijven weggooien. We moeten de lus nu sluiten. C2C dwingt ons onze producten en productieprocessen te herdenken.’

Als doctor in chemical engineering bevindt Van Trimpont zich op vertrouwd terrein. ‘Polyamide 6, een soort nylon, is volledig ontbindbaar in zijn monomeren. Je kunt van zo’n oude polyamide chemisch een volledig nieuwe maken. Desso produceert nu al tapijt op basis van het Econyl-garen van Aquafil, 100% gerecycleerd uit oud tapijt en ander industrieel afval op basis van polyamide 6.’

De recyclage van tapijttegels is nog niet economisch rendabel, onder andere door de grote concurrentie van de verbrandingsovens en de beperkte hoeveelheid oud tapijt die Desso uit de markt haalt.

Strategic Account Manager Erik De Bisschop: ‘Ovam en de politiek dragen hierin een grote verantwoordelijkheid. Wij hanteren concurrentiële verwerkingsprijzen om tapijt te recycleren, terwijl de kostprijs hoger ligt. In Vlaanderen betaal je ongeveer 130 euro per ton om afval te verbranden, in Wallonië 110 euro, maar in Brussel wordt soms gebradeerd tot 85 euro per ton. Die afvalstroom moet koste wat het kost gestopt worden, want niemand is erbij gebaat. Ik zeg altijd: je mag met petroleum alles doen, behalve het verbranden.’

C2C drijft Desso ook naar een nieuw businessmodel: tapijt verhuren in plaats van verkopen.

De Bisschop: ‘Samen met onze partner Composil hebben we de oplossing gevonden. Zij verhuren tapijt aan hun klanten, onderhouden het en bezorgen het ons uiteindelijk terug. De klant heeft perfect onderhouden tapijt waar hij maandelijks een klein bedrag voor betaalt in plaats van het aan te kopen. Het kost hem alles samen zelfs minder. En wij krijgen uitstekend recycleerbaar tapijt binnen.’

Desso innoveert ook door robotisering, een project dat 4,6 miljoen euro kostte. Twee robots laden de bobijnen voor de tuft- en weefmachines in grote rekken, waarna robotwagentjes ze naar de machines vervoeren. De robots vervangen repetitief werk, terwijl de machines minder lang stil liggen.

Robots

‘Waarom is de tapijtindustrie nog aanwezig in België en de confectie niet meer?’, doceert Van Trimpont. ‘We zijn als productieland vergroot in volume en de op een na grootste producent ter wereld geworden, na de Verenigde Staten. In dezelfde vlucht hebben we massaal geautomatiseerd om de loonkostencomponent steeds verder te laten dalen. De robots worden steeds intelligenter, onze processen worden energie-armer en we zijn binnenkort veel minder afhankelijk van buitenlandse grondstoffen.’

Betekent robotisering niet automatisch minder werkgelegenheid? ‘Robotisering kan in onze branche niet leiden tot meer tewerkstelling. Wij slagen er wel in om onze mensen te houden omdat we verder blijven groeien en omdat we onze mensen voortdurend herscholen. De enige uitzondering hierop was de reorganisatie van de kunstgrasafdeling.’

Wat brengt de verdere toekomst? Van Trimpont: ‘We zullen minder water gebruiken en onze processen steeds droger maken. We zullen de energie die in schaapswol of in polyamide is gestoken, zoveel mogelijk bewaren. Vroeger waren we efficiënt, nu worden we holistisch. We streven naar het samsara van de boeddhisten en de hindoes: de wedergeboorte zonder eind.’

www.desso.com

Verschenen in De Standaard, 9 maart 2013

Alle huizen energieneutraal

Prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit Rotterdam), de peetvader van het transitiemanagement, koestert plannen om alle Nederlandse huizen energieneutraal te maken zonder hulp van de overheid of de banken.

Dezer dagen zet Jan Rotmans zijn schouders onder een initiatief dat de Nederlandse huizen energieneutraal wil maken, gefinancierd door crowdfunding. Vijftien jaar geleden lag hij aan de basis van het transitiedenken. Zevenentwintig jaar geleden waarschuwde de nu 51-jarige wetenschapper voor de gevolgen van de klimaatverandering. Wat ons brengt bij de eerste vraag.

Hoe voelt het om gelijk te krijgen?
Jan Rotmans: “Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant is het verschil met vijfentwintig jaar geleden heel groot. Er is al heel veel goeds gebeurd. Er zijn veel meer mensen met milieu en klimaat bezig dan toen. Tegelijk worden we ingehaald door de werkelijkheid. Eigenlijk is het nog erger gesteld dan we destijds konden vermoeden. De klimaatverandering verloopt sneller dan we ze kunnen bijbenen.”

Wordt u daar moedeloos van?
Jan Rotmans: “Moedeloos of cynisch word ik daar niet van, dat ligt niet in mijn aard. Om met passie mijn boodschap te kunnen brengen, moet je intrinsiek positief ingesteld zijn. Ik stel vast dat de hele samenleving aan het verduurzamen is, maar ik besef dat dat een langzaam proces is. Het kost decennia, maar als je er middenin zit, lijkt het veel sneller te gaan dan als je er vanop een afstand naar kijkt.”

Het blijft moeilijk om mensen in het Westen te bewegen tot milieubewuster leven, terwijl ze weten dat voor elke duurzame mens bij ons er een nieuwe middenklasser in het Oosten opstaat, die ook een auto, een koelkast en een jaarlijkse vliegreis wil.
Jan Rotmans: “Dat is ons grote schrikbeeld, maar ook dat heeft twee kanten. Wereldwijd ontstaat er een nieuwe, groene economie, een circulaire bio-economie zonder CO2-uitstoot. Ook in de ontwikkelingslanden wordt daarin al geïnvesteerd. Tegelijk willen die landen dezelfde welvaartsontwikkeling als wij en daar hebben ze natuurlijk ook recht op. We kunnen ze dat niet ontzeggen.”

Wat betekent dat in de praktijk?
Jan Rotmans: “In China en India zie je zowel de fossiele, zwarte economie als de groene economie aan het werk. De zwarte economie zorgt ervoor dat de huidige generaties zich kunnen ontwikkelen. De groene economie zorgt ervoor dat ook de komende generaties dat voor mekaar krijgen. Eerder dit jaar was ik in China, waar ze binnen tien jaar nog één miljard auto’s verwachten. Je rijdt er over lege autosnelwegen, de hele infrastructuur ligt er al klaar. Toch is de vooruitgang daar niet te vergelijken met de evolutie die wij sinds de jaren vijftig hebben doorgemaakt, want China is nu al bezig met elektrische auto’s. Hopelijk kunnen ze een aantal stappen overslaan en tien keer sneller tot elektrische auto’s komen.”

Wat kunnen de Belgen op het gebied van duurzaam wonen en bouwen leren van Nederland?
Jan Rotmans: “In Nederland gaat ongeveer 35% van het totale energieverbruik naar gebouwen en dat zal in België wellicht niet heel anders zijn. Het is de moeite om dat aan te pakken. Technisch is het mogelijk om woningen energieneutraal te maken met behulp van isolatie, zonneboilers en zonnepanelen. De vraag is hoe we het georganiseerd krijgen. In Nederland volgen we daarvoor twee wegen. Van de 9 miljoen woningen is ongeveer 2,5 miljoen in handen van coöperaties en 6,5 miljoen zijn particulier eigendom. In de coöperaties wonen vaak armere mensen in heel energieverspillende woningen. Als je die huizen energieneutraal kunt maken, heb je twee keer winst: je helpt het milieu en je vermijdt energie-armoede.”

Hoe maakt u het voor huiseigenaars mogelijk om hun woning energieneutraal te maken?
Jan Rotmans: “We zijn bezig met een initiatief om woningen energieneutraal te maken, een initiatief dat we volgend jaar willen lanceren. Wij zorgen ervoor dat je huis energieneutraal wordt, door het huis te isoleren en te investeren in de opwekking van hernieuwbare energie. De kosten die dat allemaal met zich meebrengt, betaal je in tien jaar terug. Het is best wel een simpele rekensom. De noodzakelijke investeringen trachten we te financieren met crowdfunding, al zijn we ook in gesprek met financiële instellingen. Ik kan me echter voorstellen dat we het helemaal zonder banken kunnen redden en trouwens ook zonder overheidsinmenging. Met alle respect voor de goede bedoelingen van de overheid, maar het gaat toch altijd traag als zij zich ermee moeit. Het is trouwens een initiatief dat ook in andere landen perfect toepasbaar is, we hopen heel wat navolging te krijgen.”

Verschenen in Argus Actueel, 14/12/12

‘Vereenvoudigen maakt de dingen moeilijker’

Plan C, het Vlaams Transitienetwerk voor Duurzaam Materialenbeheer, organiseert op 29 november een netwerkdag. Een vooruitblik met keynote speaker Hans Vermaak over hoe transitie in zijn werk gaat en wat de mogelijke valkuilen zijn.

De afgelopen zes jaar is Plan C uitgegroeid van een informeel transitienetwerk rond duurzaam materialenbeheer tot een zelfstandige vzw. De organisatie die verandering hoog in het vaandel draagt, is daarmee zelf ook grondig verveld tot een nieuwe gedaante. Het is tijd om stil te staan en vooruit te blikken. Dat gebeurt tijdens een netwerkdag op 29 november a.s.

ARGUS sprak met auteur, docent, onderzoeker en ‘veranderkundige’ Hans Vermaak, die op die dag de interactieve keynote speech voor zijn rekening zal nemen. Vermaaks roots liggen in de milieubeweging, maar in de loop der jaren zette hij zijn kennis en expertise rond veranderen ook in voor onder meer ontwikkelingssamenwerking, de zorgsector en de bedrijfswereld.

Als we willen trachten de klimaatcrisis en de grondstoffenschaarste tegen te gaan, staat de wereld voor ingrijpende veranderingen. Hoe kijkt u daar als veranderkundige tegenaan?
Hans Vermaak: 
“Algemeen kan je stellen dat hoe groter de diepgang van een verandering is, de planbaarheid en de maakbaarheid verhoudingsgewijs steeds kleiner worden. Bovendien staat de diepgang van deze verandering op gespannen voet met de omvang van de verandering. Bij een grootschalig probleem hebben we de neiging om een standaardaanpak over de hele situatie uit te rollen. Maar dat volstaat in dit geval volstrekt niet, omdat je eerst allerlei dingen moet uitpuzzelen en ontdekken. Uitpuzzelen gebeurt per definitie in het klein: experimenteren vindt altijd plaats op mensenmaat. Vernieuwing is bovendien altijd controversieel, tegen de regels. Het establishment heeft het er altijd moeilijk mee. Vernieuwing geschiedt steeds onder vijandige condities.”

Verandering roept altijd weerstand op. Hier hebben we het over een andere manier van leven, werken, ondernemen, produceren, consumeren en transporteren.
Hans Vermaak: “Het lastige met ‘weerstand’ is dat het een containerterm is. Soms wordt het woord gebruikt omdat mensen iets niet begrijpen. Dat is bij het milieuvraagstuk echt niet het probleem: iedereen weet onderhand best wel wat er aan de hand is. Nog meer communicatie om mensen aan te sporen om het goede te doen, zal echt niet helpen. Weerstand kan ook te maken hebben met onmacht: iedereen wil misschien wel het goede doen, maar niemand krijgt het in zijn eentje voor elkaar. Dat is nu net de essentie van de problematiek en daar is ook iets op te vinden. Maar dan niet op de klassieke manier. Complexe veranderingen zijn multi-actor en multi-factor. Het milieuvraagstuk is een vraagstuk van iedereen en niemand. De beste weg uit zo’n problematiek kennen we allemaal. We maken het elke dag in relaties thuis mee. Niemand gaat in zijn eentje over relaties. Die zijn ook niet maakbaar, uitrolbaar of planbaar, maar wel onderhandelbaar en experimenteerbaar. We kunnen er bovendien lessen uit trekken. Het is zelfs het meest interessante wat er bestaat. Een gezin beginnen is vragen om problemen en toch beginnen veel mensen er aan. Het voordeel van het milieuvraagstuk is dat het tot de verbeelding spreekt. Het gaat ergens over – in tegenstelling tot de afhandeling van de financiële crisis. Voor het milieuvraagstuk kan je van onderaf, met participatie van velen, op de lange termijn iets voor mekaar krijgen: via transitiemanagement.”

Transitiedenken tracht via een sterke betrokkenheid van mensen een verandering in de maatschappij te bewerkstelligen, door samen te zitten, toekomstvisies uit te stippelen, te experimenteren met nieuwe manieren van produceren en consumeren.
Hans Vermaak: “Inderdaad. Er is een vast rijtje eigenschappen die alle vormen van transitie gemeen hebben: het gaat over alle instellingen en partijen heen. Mensen werken samen met andere mensen die heel verschillend denken en die verschillen heb je nodig. Het experiment is de motor en daaruit wordt kennis gepuurd, het is dus een lerend-experimenterend model. De experimenten op zich zijn kleinschalig, maar je maakt omvang door ze op steeds meer plekken te laten gebeuren. Er is ook altijd sprake van eigenaarschap bij direct betrokkenen en facilitering vanuit een soort kernclub om die betrokkenen in hun kracht te brengen. Ook een politieke verankering is essentieel: als je die niet hebt, kan dat je proces breken, maar politieke verankering kan het proces niet maken. Politiek is in dit opzicht breder dan politieke partijen of stromingen: het gaat om vertegenwoordiging van en rugdekking door allerlei belangengroepen, waaronder politieke partijen, de industrie en zo voorts. Maar ongeacht die rugdekking moet de verandering onverkort van onderaf komen. Pas later kan je van boven de volgers een duw in de rug geven. Want zonder de mogelijkheid om dan bepaalde praktijken of wetten aan te passen, is het erg moeilijk om verandering door te zetten.”

Verandering geschiedt nooit onder ideale condities, zegt u. De verandering naar een duurzame samenleving is breed en complex. Hoe slaag je erin om ervoor te zorgen dat mensen toch Plezier beleven aan taaie vraagstukken, om de titel van uw laatste boek te gebruiken?
Hans Vermaak:
 “De taaiheid ontstaat nooit door het vraagstuk zelf, maar door het verkeerd omgaan ermee. Iets wordt pas taai als je het te simpel aanpakt. Vereenvoudigen maakt het moeilijker. Het is net zoals het opvoeden van kinderen. Je kan je tweede kind niet opvoeden door de opvoeding van het eerste te copy-pasten. Hetzelfde geldt voor milieuvraagstukken. We moeten ons hoeden voor de neiging om het te simpel aan te pakken.”

Dreigt complexiteit mensen niet af te schrikken of tot fatalisme aan te zetten? Hoe houd je voldoende mensen betrokken bij de problematiek?
Hans Vermaak: 
“Er zijn verschillende kringen van betrokkenheid. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier betrokken te zijn. Op zich is het uitstekend dat mensen afhaken: niet iedereen wordt warm van hetzelfde vraagstuk. Maar als je er warm van wordt, dan heb je er ook de finesse en aandacht voor over. Als we die mensen hun werk laten doen, boeken ze successsen en die werken aanstekelijk. Ze zullen daarmee uiteindelijk wel genoeg volgers kweken om in hun sporen te treden. Je hebt verschillende kringen en arena’s nodig en die zijn niet allemaal gebaat bij veel belangstelling. Het werk van de experimenteerders wordt daar alleen maar moeilijker door. Na de arena van de experimenteerders komt de arena van de onderzoekers, vakidioten die lessen trekken uit de experimenten en hun inzichten omzetten in taal. Zij communiceren naar het bredere netwerk, waar dan op zijn beurt mensen kansen zien en contacten leggen. Daaruit ontstaan dan weer nieuwe experimenten die opgezet worden onder het maaiveld. Zo zie je drie arena’s elkaar versterken: die van het experiment, van het onderzoek en van het netwerk.”

Een bijkomend probleem in verband met milieu en klimaat is de urgentie: de theoretisch nog af te wenden dreiging van een temperatuurstijging met meer dan 2° C.
Hans Vermaak: “Urgentie heeft de neiging om de roep naar magische oplossingen te vergroten – en dat zijn nu net de meest teleurstellende. Toen ik me dertig jaar geleden intensief met de milieuproblematiek bezighield, vond ik het ook al enorm urgent. Ik kon me niet voorstellen dat het kwartje niet viel: het was vijf voor twaalf en de grote bedrijven wilden er niets mee te maken hebben. Kijk: het vraagt toch de tijd die het vraagt om de experimenten tot een goed einde te brengen. Een deel van de schade zullen we gewoon moeten dragen.”

Ik kom nog even terug op uw idee over weerstand. Volgens mij is er nog altijd erg veel weerstand tegen het vooruitzicht om minder vlees te eten of de auto minder te gebruiken.
Hans Vermaak: “Ik blijf erbij dat dat niet het grootste probleem is. Onze culinaire traditie is voor een belangrijk deel gebaseerd op vlees eten. Je stampt een nieuwe culinaire traditie niet in een paar maanden of jaren uit de grond. Dertig jaar geleden ben ik ook een jaar of twee vegetariër geweest en dat was geen genieten. Tegenwoordig is er veel meer keuze dan de soja en boekweit van toen. Sterrenrestaurants bieden volwaardige vegetarische menu’s aan. Mensen vinden het niet gek om af en toe eens vlees te laten. Duurzame kweek van vis zit in de lift. Op een gegeven moment kom je aan twintig procent biologisch en duurzaam geteeld vegetarisch voedsel en een gegroeide aantrekkelijkheid van gezond eten. Pas dan kan je de rest van de vraag en het aanbod een duw geven. Dan verandert wetgeving, komen er financiële prikkels en geeft de politiek rugdekking. Maar dat kan pas als de moeilijke dingen als een nieuwe culinaire traditie, andere grondstofstromen en de duurzame kweek van producten een feit zijn. De achterblijvers meekrijgen, dat is heus zo moeilijk niet: in vergelijking bijna een kwestie van een pennenstreek. Het voortraject met de innovatie, dat is het moeilijke. En dat moet toch eerst. Je komt er niet door te beginnen met dwang van boven: dat is politieke zelfmoord.”

Ondertussen hebben ook heel wat kleine en grote bedrijven duurzaam ondernemen diep in hun werking laten doordringen. Wat denkt u daarvan?
Hans Vermaak: 
“Vanuit mijn vak blijf ik kritisch kijken naar instituties: die hollen altijd achter de feiten aan. Er gebeuren wel goede dingen, maar het is altijd de achterhoede. De voorhoede, dat zijn individuen binnen instituties die iets doen dat eigenlijk niet mag. Dat zal altijd zo blijven en daar is niets mis mee.”

Wat zijn de grote valkuilen waarvoor Plan C in de komende periode moet uitkijken?
Hans Vermaak: 
“Een van de spannende dingen van transitie is metaalmoeheid. Voor je het weet, ben je een tijdje bezig en is het vuur van de eerste periode gedoofd. Voor je het weet ben je een instituut en gaat dat een eigen leven leiden. Soms moet je het institutionele loslaten, met nieuwe mensen beginnen en en een nieuwe naam bedenken. Daarnaast is de achilleshiel bij transitiemanagement vaak niet het experimenteren of het netwerk, maar de vakgemeenschap die de lessen en concepten genereert. Die heb je nodig om het generiek te maken, om het te kunnen spreiden. Die kundigen moeten een onderzoekershart hebben. Voorts moet je er altijd voor waken om niet steeds in dezelfde groef te belanden, maar om trouw te blijven aan het lerende karakter van elke echte transitie: een vorm van onderzoek-in-actie. Het populariseren daarvan blijft een belangrijk aspect, maar niet het belangrijkste.”

Verschenen in Argus Actueel, 31/10/12

Het nieuwe goud, en hoe het te recycleren

De universiteiten van Leuven en Gent, het Nederlandse TNO en Umicore slaan de handen in elkaar om oplossingen uit te werken voor het nijpende tekort aan grondstoffen, meer specifiek de Rare Earths of zeldzame aarden en andere materialen die van vitaal belang zijn voor de economie.

De meest kritieke grondstoffen

De voorbije jaren definieerde de EU veertien minerale materialen als ‘kritieke grondstoffen.’ Zij kregen die koosnaam omdat hun uitzonderlijke schaarste recht evenredig is met hun uitzonderlijke economische waarde. Het zijn stuk voor stuk materialen die van cruciaal belang zijn voor het oplossen van de energieproblematiek, de transitie naar een groene economie en onmisbaar in heel wat hedendaagse (miniatuur)technologie. Dankzij magneten met zeldzame aarden zijn onze gsm’s vandaag zo performant en compact. Zeldzame aarden zijn nodig voor de werking van windturbines, elektrische auto’s en energiebesparende lampen. Zelfs de meest efficiënte recyclage- en scheidingstechnieken volstaan echter niet om de groeiende vraag te dekken naar de vijf meest kritiekezeldzame aarden: neodymium, europium, terbium, dysprosium en yttrium.

Behalve in onontgonnen voorraden op Groenland en in Zweden bezit Europa geen eigen kritieke grondstoffen. Toch springen we bijzonder nonchalant met deze schaarse en levensnoodzakelijke materialen om. Van nogal wat kritieke materialen ligt het recyclagegehalte onder de 1%: dat is omdat er alleen materiaal gerecycled wordt tijdens het productieproces.

Dat Europa zich ernstig zorgen maakt over de toenemende schaarste van deze cruciale grondstoffen, heeft er ook mee te maken dat China het belang ervan al langer heeft ingezien. 40% van de reserves liggen op Chinees grondgebied, maar door een doorgedreven strategie heeft de Volksrepubliek inmiddels 90% van de verwerking en productie ervan in handen. En de Chinezen doen hard hun best om controle te krijgen over de hele keten van de zeldzame aarden, net zoals ze dat voor veel andere kritieke metalen trachten te doen.

Dit complexe probleem onder controle krijgen, stelt de wetenschap, de overheden en de industrie voor een aantal fantastische uitdagingen. Op 14 september ll. organiseerde de KU Leuven een druk bijgewoond symposium over kritieke grondstoffen met sprekers als dr. ir. Peter Tom Jones van het departement metaalkunde, tevens manager van het kennisplatform RARE3 (Research Platform for the Advanced Recycling and Reuse of Rare Earths, KU Leuven), professor Koen Binnemans (KU Leuven), wereldexpert op het gebied van zeldzame aarden, prof. em. Willy Verstraete (UGent), één van de grondleggers van de Vlaamse (witte) biotechnologie, geoloog Emile Elewaut van het vermaarde Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en dr. Christian Hagelüken, hoofd van de Precious Metals Refining Unit van Umicore.

‘Alle materialen zijn kritiek’

Door de exponentiële groei van de economie en de technologie in de laatste decennia, door de honger naar grondstoffen van de groeilanden en door het hiermee samenhangend toenemend mondiaal verbruik van natuurlijke hulpbronnen, zijn eigenlijk alle materialen kritiek, stelt Emile Elewaut (TNO): “De laatste twintig jaar zijn we mondiaal 40% meer natuurlijke hulpbronnen gaan gebruiken.” Christian Hagelüken van Umicore haalde er een grafiek bij die aantoonde dat er de laatste dertig jaren meer technologiemetalen uit de mijnen zijn gehaald dan in de hele geschiedenis van de mensheid. Ook de detailcijfers over ons hedendaags materialenverbruik zijn verbluffend. “In 2011 kwam 20% van het ontgonnen palladium en kobalt in gsm’s en computers terecht. Toch vertegenwoordigt de waarde van de recycleerbare materialen per gsm maar 1 euro,” stelt Hagelüken. Er is nog een enorm potentieel aan grondstoffen in recent door de mens vervaardigde producten aanwezig. Maar we zullen onze producten anders moeten ontwerpen als we die grondstoffen er later makkelijker willen uit recycleren. Maar recycleren alleen zal niet volstaan om de honger naar grondstoffen te stillen.

Emile Elewaut blijft desondanks optimistisch over de toekomst, met name voor kennisregio’s als België en Nederland, die uitzonderlijk arm zijn aan grondstoffen en dus zo goed als volledig afhankelijk van de invoer. “We hebben een wereldfaam op het gebied van recyclage en verwerking, een toppositie inzake inzameling en herwinning van grondstoffen en een uitgebreid industrieel- en kennisnetwerk.” Die vaststellingen droegen bij tot de vorming van een nieuw samenwerkingsverband dat tijdens het symposium boven de doopvont werd gehouden: het Urban Mining Platform in het kader van het toekomstige Europees Kennis- en Innovatiecentrum (KIC) Raw Materials, dat wordt opgericht in de schoot van het European Institute of Innovation and Technology (EIT). Raw Materials zal een van de toekomstige KIC’s worden, waarvoor de EU – zoals het er nu naar uitziet – in totaal een bedrag van 2,8 miljard euro zal voorzien voor de periode 2014-2020.

Urban mining

Over één ding waren de sprekers het roerend eens op de persconferentie voorafgaand aan het symposium: we kunnen ons niet uit het probleem weg recyclen. Volgens een recente studie die het Duitse Öko-Institut ondernam, ligt het maximale recyclagepotentieel van zeldzame aarden niet hoger dan 10 à 20% van de nieuwe vraag naar zeldzame aarden. Doorgedreven urban mining (het recyclen van grondstoffen uit afgewerkte producten) zal dus moeten worden aangevuld met substitutie (het vervangen van de zeldzame grondstoffen door alternatieven) en daarnaast ook met bijkomende, bij voorkeur duurzame ontginning van zeldzame grondstoffen. Allemaal oplossingen die op hun beurt nieuwe problemen en uitdagingen met zich meebrengen. (…)

Meer over urban mining, duurzame mijnen en subsitutie van materialen in het Argus-artikel.

Rendementen waarbij Microsoft verbleekt

Gunter Pauli, lid van de Club van Rome en voormalig ceo van Ecover, is de grote inspirator van ‘De blauwe economie’, een model waarin ecologie, innovatie en economie hand in hand gaan. Gunter Pauli’s boek The Blue Economy verschijnt nu ook in het Nederlands.

Wat is uw belangrijkste bron van inkomsten?

‘Toen ik in 1994 uit België vertrok, heb ik al mijn bezittingen verkocht en dat geld ondergebracht in de stichting Zeri (Zero Emissions Research Initiative). Ook de auteursrechten van de boeken die ik schrijf, komen ten goede aan de stichting. VanThe Blue Economy zijn ondertussen al 1miljoen exemplaren verkocht in 34talen. Van de fabels waarin ik de blauwe economie aan kinderen uitleg zijn al 17miljoen exemplaren van de hand gegaan. Ik krijg een vaste maandelijkse vergoeding enthat’s it. Als stichting zijn we niet uit op financieel gewin. Dat hoeft ook niet. Zo lang ik goed blijf schrijven, is onze inkomstenstroom verzekerd.’

Wat is het hogere doel: een betere wereld creëren?

‘Er kan een betere wereld komen door meer ondernemerschap en innovatie. Ook bij Ecover draaide het om innovatie. Ik heb dertig jaar mijn schouders gezet onder de groene economie, maar het probleem is dat die ervan uitgaat dat wat goed is voor de mens, ook duurder moet zijn. De groene economie heeft heel goede producten opgeleverd, maar ze zijn alleen maar betaalbaar voor wie over het nodige geld beschikt. De groene economie kan dus alleen mainstream worden door meer belastingen te heffen of via subsidies. Als we dat patroon niet doorbreken, zullen we nooit duurzaamheid bereiken. In de blauwe economie gaan we ervan uit dat wat echt goed is voor de mens, ook goedkoper kan zijn.’

Wanneer zal de blauwe economie een feit zijn? U sprak in 2010 van 100 miljoen banen op tien jaar.

‘Na twee jaar hebben wij weet van ongeveer duizend bedrijfjes die werden opgezet op basis van de open source-info die wij verspreiden. Het gaat te traag en met te weinig schwung. Maar we zijn nog maar pas begonnen en starten nu een grote campagne via de vertaling van de innovaties in fabeltjes voor kinderen. Zo hopen we veel jongeren te inspireren.’

Bent u een belegger?

‘Ik beleg niet, ik adviseer anderen over beleggen. Ik wil een absolute onafhankelijkheid bewaren tegenover de technologieën en zakenmodellen die ik voorstel. Als ik er een of ander financieel voordeel zou uithalen, dan kan ik niet langer vrij advies leveren.’

Welke blauwe economie-aandelen zou u aan beleggers aanraden?

‘Op dit ogenblik kijk ik vooral naar de bedrijven waar je beter niet in investeert. Bedrijven die het potentieel gewoon negeren. Ik denk bijvoorbeeld aan Medtronic, Johnson & Johnson en Boston Scientific die heel wat verdienen met de groeiende vraag naar pacemakers, terwijl de komst van de nanotechnologie dit soort pacemakers overbodig maakt. Die aandelen kan je beter nu van de hand doen. Ook batterijmakers als Varta en Panasonic verwijder je beter uit je portefeuille vanwege de op komst zijnde innovaties die batterijen vervangen. Olie-aandelen doen het nu nog goed, maar je kan ze beter dumpen voor ze hun op termijn onvermijdelijke daling inzetten.’

Wat voor rendementen kunnen we verwachten in de blauwe economie?

‘Toen ik in 1984 de kans kreeg om mee te werken aan het regenereren van het regenwoud van Gaviotas in Colombia, dat al tweehonderd jaar geleden vernietigd was, verklaarde iedereen me gek. Maar vandaag, 28jaar later, staat het bos er, is de biodiversiteit er van 17 naar 256 gestegen, is er volledige tewerkstelling in de regio en gratis drinkwater. Last but not least: de waarde van de grond steeg er van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha. Dat is een beter rendement dan het Microsoft-aandeel in 25jaar heeft gegenereerd. Deze investering komt vandaag volledig ten goede aan de gemeenschap van Gaviotas. Het schenkt me een grote voldoening dat je met herbebossing en water als een gemeenschappelijk goed een van de meest succesvolle bedrijven in de moderne geschiedenis kunt overtreffen.’

Welke investering betreurt u?

‘Het bouwen van de ecologische fabriek van Ecover, die weliswaar baanbrekend was, maar afhankelijk van palmolievetzuren. Ik realiseerde mij aanvankelijk niet dat ik verantwoordelijk was voor de vernietiging van het regenwoud in Indonesië en de verstoring van de habitat van de orang-oetan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Het was moeilijk te aanvaarden dat de tijd en het geld dat ik in Ecover investeerde, voor niets was. Maar dat gaf me de kracht om een nieuw zakenmodel te ontwikkelen dat vandaag gekristalliseerd is in het concept van de blauwe economie.’

BESTE INVESTERING

‘Het herbebossen van de savanne in Gaviotas. Goed voor een toename van biodiversiteit met een factor15 en een stijging van de grondwaarde van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha.’

www.gunterpauli.com

Oliewinning bedreigt Virunga

De Congolese regering gaf toestemming voor olie-exploratie in een beschermd natuurgebied, alhoewel haar eigen wetten dat verbieden.

Het 7.900 km2 grote Nationaal Park Virunga in de Democratische Republiek Congo is de parel aan de kroon van de Afrikaanse wildparken. Virunga is het oudste Afrikaanse nationaal park, in 1925 opgericht door de Belgische kolonisator onder de naam Albert Nationaal Park en in 1979 door de Unesco uitgeroepen tot Werelderfgoed. De biodiversiteit is er fenomenaal: vijftig procent van alle planten- en diersoorten die leven in sub-Sahara Afrika komen voor in dit gebied, dat net iets kleiner is dan de provincies West- en Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant samen en dat in hoogte varieert tussen de 680 en 5109 meter. Van alle nationale parken in Afrika biedt Virunga, mede dankzij de hoogteverschillen, de meest diverse habitats: steppe, savanne, lavavlakten, moerassen, laagland, Afromontane wouden, Afro-alpine vegetatie, de massieven van Virunga en Rwenzori, met hun ijsvelden en de twee meest actieve vulkanen van Afrika. Virunga park is bovendien de plek die 200 van de 720 overblijvende hooglandgorilla’s ter wereld als hun thuis beschouwen.

Bedreigd paradijs

Dit Aards Paradijs wordt ernstig in zijn voortbestaan bedreigd door de steeds toenemende bevolkingsdruk, burgeroorlogen, het gebrek aan law and order, stropers, corruptie, illegale houtkap en houtskoolproductie. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, dreigt nu ook oliewinning een onherstelbare impact te hebben op mens en milieu. Het leek nochtans beter te gaan met Virunga de laatste jaren. De nieuwe directeur, Emmanuel De Merode, kiest voor ecotoerisme en zet in op veiligheid. Dertig procent van de recette van het park vloeit terug naar openbare werken die ten goede komen aan de bevolking die in en om het park woont. WWF heeft een succesvol project lopen, waarbij duurzame houtskool en efficiënte oventjes een aantrekkelijk alternatief bieden voor illegale houtkap. Maar ondertussen werd door de Congolese regering een concessie verleend aan de Britse maatschappij SOCO International om naar olie te speuren in het hart van het beschermde natuurpark. Aanvankelijk zijn alleen verkenningen per vliegtuig gepland, later ook seismische testen. Voor beide ondernemingen heeft SOCO de officiële Congolese toelatingen op zak.

Natuurbeschermingsorganisaties zoals WWF trekken aan de alarmbel. Marc Languy, Conservation Director for Central Africa, stelt: ‘Na jaren van gewapende conflicten, is het hartverscheurend om te zien hoe een oliemaatschappij de mensen en de dieren van het park door winstbejag in gevaar brengt. Oliewinning zal het park niet alleen schade toebrengen via boringen en vervuiling. Ook de bijbehorende toestroom van mensen brengt een risico met zich mee voor verdere conflicten die een vernietigende invloed kunnen hebben op de levens van de lokale gemeenschappen en de bedreigde soorten in het park.’

De toestemming voor exploratie is redelijk Kafkaiaans als je weet dat de Congolese kaderwet op de natuurbescherming olie-exploratie en -ontginning illegaal verklaart, stipt de Congolese natuurbeschermer René Ngongo aan. De UNESCO en verschillende Belgische volksvertegenwoordigers hebben al met klem geprotesteerd tegen de gang van zaken. En ook de lokale bevolking blijft niet bij de pakken neerzitten en lanceerde op 24 maart een oproep aan de regering, de internationale gemeenschap en SOCO om het contract te herzien en de wet toe te passen.

SOCO reageert

De Britse olie-exploratie- en productiemaatschappij waarrond het allemaal draait, tracht inmiddels de internationale en lokale gemeenschap gerust te stellen. Onder het kopje ‘Corporate Responsability’ belooft het bedrijf plechtig om nooit te opereren in extreem waardevolle gebieden, zoals de beschermde zone van de Virunga Vulkanen, de Mikeno-sector waar de gorilla’s verblijven en het regenwoud van de Virunga Mountains. Wat betreft de mogelijke oliewinning in andere beschermde gebieden, is SOCO er naar eigen zeggen van overtuigd dat die deels ten goede zullen komen aan de bevolking, zullen bijdragen tot stabiliteit in de regio, de verbetering van de plaatselijke levensstandaard en het milieu. De UNESCO van zijn kant drukt nogmaals zijn ‘grote bezorgdheid’ uit en herinnert eraan dat ‘olie- en mijnexploratie en -exploitatie specifiek verboden zijn in de beschermde delen van de Democratische Republiek Congo via de wet van 1969 en de mijn- en natuurbeschermingswet van 2002.’ Het belooft nog een spannende strijd te worden tussen unieke natuur en zakelijke belangen.

Verschenen in Argus Actueel, 12/4/12

Durban: historische doorbraak of een gemiste kans?

De reacties op de klimaattop in Durban lopen sterk uiteen. Wat is er nu eigenlijk verwezenlijkt en wat brengt de toekomst? We vroegen het aan twee experts die in Durban de klimaatconferentie bijwoonden.

De Zuid-Afrikaanse minister Maite Nkoana-Mashabane had het in haar slotwoord in Durban over een historisch akkoord. Het valt te vrezen dat de geschiedenisboeken haar gelijk zullen geven. ‘Het grootste doemscenario dat inhield dat de onderhandelingen zouden afspringen, is vermeden,’ zegt Karla Schoeters van VITO. ‘Maar anderzijds volstaan de huidige afspraken niet om de opwarming van het klimaat onder de 2° C te houden, terwijl 2° eigenlijk ook al te veel is.’

Dit zijn de belangrijkste afspraken van de top van Durban:

– Er is uitzicht op een mogelijk tweede doelstellingsperiode onder het Kyoto-protocol. Het probleem van de overtollig toegekende rechten, de duur van de doelstellingsperiode en de hoogte van de doelstellingen moeten tegen volgend jaar beslecht worden. Canada, Rusland en Japan stappen niet mee in Kyoto bis. China, India en de VS blijven als vanouds buitenstaanders. De VS en de meeste groeilanden (waaronder China) engageren zich tot 2020 dus enkel op vrijwillige basis (niet-bindend) tot emissiedaling.
– Er is een afspraak om een ‘Mondiaal akkoord’ te sluiten waarin alle landen gelijk zullen zijn voor de wet, ook de ontwikkelingslanden. Dit verdrag zou tegen 2015 rond moeten zijn en in 2020 in voege treden en zou een opvolger kunnen worden van het Kyoto-protocol.
– Het Groen Klimaatfonds treedt vanaf 2020 in werking, met een waarde van 100 miljard dollar per jaar om de ontwikkelingslanden te helpen bij milieuvriendelijke groei. Het moet hen tevens helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatsverandering. Maar er is nog geen duidelijkheid over waar dat geld vandaan moet komen.

Het meest wezenlijke wat Durban heeft gedaan, is de klimaatbesprekingen aan de gang houden, maar de belangrijkste punten worden hete-aardappelgewijs voor ons uit geschoven naar 2020 en de afspraken blijven uitblinken in vaagheid. Dat staat haaks op de dringende noodzaak om nu krachtige maatregelen te nemen om de opwarming van het klimaat een halt toe te roepen.

Het gat van vijf gigaton
Voor de aanvang van Durban trok het United Nations Environment Programma aan de alarmbel. Volgens het UNEP wordt het sowieso al moeilijk om de temperatuurstijging van de aarde onder de 2° C te houden. Zelfs als de afspraken van Kopenhagen volledig worden nageleefd, zou de wereldwijde uitstoot in 2020 49 gigaton CO2-equivalent bedragen, terwijl de uitstoot niet boven de 44 gigaton zou mogen uitkomen om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken. In een business as usual-scenario kan de uitstoot tot 53 gigaton oplopen. Nu er pas bindende afspraken komen voor alle landen vanaf 2020, ‘zitten we definitief op het pad naar een temperatuurstijging van meer dan 3 graden’, liet Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) in De Standaard optekenen, daarbij niet gehinderd door de eerder minimalistische klimaatdoelstellingen die de Vlaamse overheid er zelf op na houdt. Woorden zijn makkelijker dan daden, dat is alvast een van de lessen van Durban.

Belgen in Durban
Argus Actueel vroeg aan twee experts die in Durban (een deel van) de klimaatconferentie bijwoonden wat de conferentie heeft opgeleverd en hoe het nu verder moet. Karla Schoeters is programmacoördinator energie- en klimaatbeleid bij VITO. Thomas Bernheim werkt bij het Directoraat-Generaal Klimaatactie van de EU, waar hij zich bezighoudt met internationale emissierechten, lucht- en scheepvaart.

Hoe evalueert u de resultaten van Durban?
Karla Schoeters: ‘Ik maak een onderscheid tussen de resultaten en het proces. Het positieve is dat alle partijen het erover eens zijn dat het VN-proces naar emissiereductie moet worden voortgezet. Anderzijds zit ik met een wrang gevoel. De landen hadden nu iets moeten beslissen, maar ze zijn er niet uitgeraakt. De kans dat we onder de twee graden termperatuurstijging kunnen blijven, is vanuit wetenschappelijk standpunt bekeken zo goed als onhaalbaar geworden. We zullen eerder naar drie graden en de bijbehorende effecten gaan. Maar als de onderhandelingen waren afgesprongen, zoals het er een tijdje heeft naar uitgezien, waren we nog veel verder van huis.’
Thomas Bernheim: ‘Durban vertoont één belangrijk verschil met vorige klimaatconferenties: er is nu een roadmap afgesproken die zou moeten leiden tot voor alle landen bindende akkoorden die in 2020 in voege zullen treden. Je kan stellen dat dat veel te laat is, maar dat betekent niet dat er voor 2020 niets zal gebeuren.’
Waarom is het zo moeilijk om overheden te overtuigen van de wetenschappelijk bewezen urgentie om nú iets te doen aan de CO2-uitstoot?
Karla Schoeters: ‘Dat zijn nu eenmaal de politieke beperkingen van het moment. De kortetermijn domineert over het langetermijngegeven. Het is ook nog altijd een kwestie van ieder voor zich. Wat me stoort is dat het uiteindelijk ook niet meer gaat over een reductie van de emissies, maar steeds meer over geld. Welke transfers van Noord naar Zuid kunnen er komen om adaptatie, technologie-overdracht en mitigatie te initiëren? De doelstelling van Kyoto was de reductie van broeikasgassen en het financiële aspect was daarbij een hulpmiddel. Nu lijkt geld een doel op zich geworden.’
Thomas Bernheim: ‘Er is een verschil tussen wat de wetenschap ons aanbeveelt en wat politiek haalbaar is. We stonden voor Durban veel verder van een akkoord dan erna. In dat opzicht is Durban zeker positief. Maar China kijkt de kat uit de boom, zeker zo lang het Amerikaanse Congres dwarsligt, waar je nog heel wat klimaatsceptici vindt.’
Wat zal er volgens u op emissiegebied nog gebeuren tussen nu en 2020?
Karla Schoeters: ‘Laten we niet vergeten dat er toch al heel wat maatregelen worden genomen, niet alleen bij ons maar ook in de ontwikkelingslanden. China introduceert wel degelijk mitigerende maatregelen. We moeten blijven werken aan het bewustzijn dat de groene economie een enorme toegevoegde waarde heeft en een positieve economische impact. Wellicht zullen er eerder initiatieven ontstaan vanuit een lokale push dan vanuit VN-standpunt. De markten hebben nu ook het signaal gekregen dat emissiereductie op de agenda blijft staan en dat bedrijven niet kunnen wachten tot 2020 om de nodige stappen te zetten.’
Thomas Bernheim: ‘Het is niet omdat er nog geen internationale bindende afspraken bestaan dat er ondertussen niets gebeurt. In Australië is er zopas een systeem van emissiehandel aangenomen dat de emissies zal doen dalen, zij het onvoldoende. De EU zet door om tegen 2020 een emissiereductie van 20% te realiseren, in combinatie met een aandeel hernieuwbare energie van 20%. Het interne debat om verder te gaan dan deze doelstellingen zal opnieuw opflakkeren. De Chinezen bouwen hernieuwbare energie sterk uit. China zal de komende jaren bovendien een systeem van emissiehandel creëren in vier provincies en twee stedelijke agglomeraties. Mijn inschatting is dat China en andere landen pas internationaal bindende doelstellingen zullen aanvaarden wanneer ze er intern klaar voor zijn.’
Ligt hier een opportuniteit voor Europa om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van groene economie en groene groei?
Thomas Bernheim: ‘Europa heeft het voordeel dat het al een wetgeving heeft en de doelstellingen heeft gehaald. Het probleem is dat door de economische crisis de carbonprijs zo laag is dat er geen dynamische innovatie in technologie plaatsvindt en dat bijvoorbeeld in België subsidies worden afgebouwd die de langetermijndoelstelling ondersteunden.’

Gepubliceerd in Argus Actueel, 13/12/2011

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Portefeuille Jan Lamers

‘Geen compassie met aandeelhouders’

Socioloog en economist Jan Lamers stond twintig jaar lang aan het hoofd van Tijd NV, de uitgever van wat toen nog de Financieel-Economische Tijd heette. Vandaag woont hij in Frankrijk en engageert hij zich onder andere als bestuurder in Triodos Bank.

 

U komt uit een nest van zelfstandigen. Heeft dat uw houding tegenover geld en werk bepaald?

‘Op het gebied van werk wel: het arbeidsethos, niet goed kunnen nietsdoen, dat zit er diep in. Wat geld betreft, heb ik wel veel geld verdiend voor de ondernemingen waar ik voor werkte, maar met mijn eigen geld ben altijd te weinig bezig geweest. Het was nooit mijn bedoeling om rijk te worden. Geld verdienen is altijd een uitvloeisel geweest van wat ik graag deed. Daarom heb ik ook zoveel leuke dingen kunnen doen.’

Op welke gerealiseerde meerwaarden bent u het meest trots?

‘Dat ik de FET heb opgekrikt van een krant met een jaarlijkse omzet van 100 miljoen frank tot een krantenbedrijf met een waarde van 2,6 miljard frank – de prijs die HAL Invest, de groep achter Het Financieele Dagblad, bereid was te betalen. Al is Tijd dan door te lang talmen enkele jaren later voor minder dan de helft verkocht. Iets als het website-ontwikkelingsbedrijf Net it Be was ook ongelooflijk: daar hebben we met Tijd NV 10 miljoen frank ingestoken, om het vier jaar later voor 250 miljoen BF aan Alcatel te verkopen.’

Was u in uw periode bij Tijd een actief belegger?

‘Niet echt. Ik vond het zonde van de tijd die je erin moet steken. In aandelen investeren en met de emotionele golven van de beurs meedeinen is niets voor mij. Ik gaf de voorkeur aan sparen, liefst in een gestructureerde vorm, waarbij het geld automatisch opzij wordt gezet: pensioensparen, fiscaal sparen, groepsverzekering. Met mijn aandelen van Tijd heb ik trouwens in verhouding wel gouden zaken gedaan, jammer genoeg niet in absolute bedragen.’

U bent nu bestuurder bij Triodos bank. Is ethisch beleggen meer uw ding?

‘Ik ben nog altijd geen grote belegger. Bij Triodos ben ik vanuit het antroposofisch gedachtengoed terechtgekomen. Ik heb zeer veel moeite met het totale gebrek aan transparantie bij de traditionele banken, die nog altijd opereren onder de slogan “We’re only in it for the money,” om het met Frank Zappa te zeggen. Sociale, ethische en milieu-implicaties doen niet ter zake, tenzij bij de marketingpraatjes. Alleen het financieel rendement telt. Bij Triodos is dat anders. Wij streven niet alleen naar Profit, ook zorgen voor Planet en People hoort expliciet tot onze doelstellingen. We gaan ervan uit dat als geld de wereld slechter kan maken, geld de wereld ook beter kan maken.’

Als alle banken zouden werken als Triodos, was er dan geen bankencrisis geweest?

‘Natuurlijk niet. Wij hanteren een directe, transparante link tussen spaarders en investeerders. Dan kan je natuurlijk nooit een return on equity van 18% halen, maar hoogstens 5% à 7%. Dat volstaat voor de traditionele bankjongens niet. Daarom hebben ze met steeds intransparantere producten een speculatieve financiële wereld gecreëerd die totaal los staat van de economische realiteit. Hebzucht is de enige drijfveer daarachter. Met gedupeerde aandeelhouders heb ik dan ook geen enkele compassie. Wat ik niet begrijp, is dat een zich sociaal noemende organisatie als het ACW in die logica meegaat en zich mogelijk voor 2,5 miljard heeft laten vangen door Dexia.’

Een bank als Triodos blijft ondanks zijn gestage groei wel erg klein.

‘In vergelijking met de grote banken zijn wij kabouters. Sommigen hadden gedacht dat de bankencrisis de mensen tot inzicht zou brengen, maar dat is erg naïef. 2008 was een rampenjaar, maar de banken gaan sindsdien vrolijk verder op hun oude weg. Het verbaast me nog elke dag hoe onnozel en braaf de mensen zijn. Alleen met de garanties voor Dexia is elke Belg nu mogelijk tot 6.000 euro kwijt, en toch is er niemand die op straat komt.’

Waar geeft u het meeste geld aan uit? Aan uw huis in Frankrijk?

‘Ik woon net over de grens in de Franse Ardennen, maar het leven is er goedkoper dan in België. Ik kan er me probleemloos een tuin van een halve hectare permitteren. Op amper 150 km van Leuven vind je er een heel andere wereld. Nee, persoonlijk geef ik nog altijd het meeste geld uit aan informatie: boeken, kranten en tijdschriften, internet vast en mobiel.’

 

SLECHTSTE INVESTERING

‘Mijn studies sociologie. Tegelijk heb ik toen het meeste geleerd, maar zeker niet aan de unief. Ik ging nooit naar de les, maar ik maakte films, was actief in de Cultuurraad, was kampleider op jongerenkampen. Gelukkig had ik aan twee maand genoeg om door de examens te geraken.’

 

BESTE INVESTERING

‘Relatief bekeken heb ik meeste geld verdiend aan de aandelen die ik als werknemer van Tijd NV kon kopen bij elke kapitaalsverhoging. Dat vond ik wel een zinnige vorm van beleggen in aandelen, omdat ik die business ook zelf in de hand had.’

 

Verschenen in De Standaard, 10/10/11

Portefeuille Ingrid Ceusters

Ingrid Ceusters nam na het overlijden van haar man in 2007 de leiding over van het door hem opgerichte vastgoedbedrijf, gespecialiseerd in verhuur, verkoop en beheer van commercieel vastgoed. Met Shopping Center Management Services is ze actief in de ontwikkeling, exploitatie en het beheer van shopping centers.

 

Is beleggen in immobiliën volgens u een goede investering?

‘De term “immobiliën” is slecht gekozen. Vastgoed is de beste investering op lange termijn, op voorwaarde dat je het op een dynamische manier beheert. Onze privé-woning was een heel goede investering. Het is een aangenaam herenhuis in de stad, gekocht in volle stadsvlucht, tijdens de crisis van de jaren tachtig. Iedereen verklaarde ons gek, maar nu is iedereen op zoek naar een gelijkaardig pand om de kinderen met de bakfiets naar school te brengen. Op termijn kan het misschien een kangoeroewoning worden.’

Mogen we aannemen dat investeren in vastgoed bij u op één staat?

‘Toch niet. Ik investeer vooral in opleidingen, hoofdzakelijk voor mijn kinderen. Talen zijn enorm belangrijk. Onze kinderen hebben hun kandidaturen in Namen gedaan, daarna hebben ze in Duitsland gestudeerd. De oudste is vervolgens naar de VS getrokken om aan Duke University te studeren en de jongste doet zijn MBA in Shanghai. Het zijn ervaringen die hun wereld openen. Dat kost geld, maar ik investeer er graag in. Ik hou er ook van als mijn medewerkers cursussen en opleidingen volgen en weten wat er gebeurt in de wereld.’

Op welk rendement mikt u met uw vastgoedbeleggingen?

‘Ik ben meer geïnteresseerd in de meerwaarde op lange termijn dan op het kortetermijnrendement. Je moet je leven in de eerste plaats uitbouwen door de arbeid, vind ik. En alles wat er bijkomt, doe je tenslotte voor meer comfort of voor het nageslacht. Ik kies voor handelspanden, al is dat minder gunstig voor de fiscaliteit. In het residentieel vastgoed ben je als eigenaar te slecht beschermd, vind ik.’

Opmerkelijk is dat uw immobedrijf geen panden bezit, maar ze alleen beheert en verhuurt.

‘Je kan niet tegelijk rechter en partij zijn, dat is mijn dogma. Je moet een buffer vormen tussen de eigenaars – in ons geval vaak grote buitenlandse institutionele beleggers – en de huurders, en dat op een heel transparante, goed gestructureerde en neutrale manier. Een vastgoedbedrijf dat zelf panden in eigendom heeft, zal in tijden van crisis eerder geneigd te zijn het eigen vastgoed aan te bieden en daarop extra kortingen te geven.’

Is er al sprake van een heropleving op de kantoormarkt?

‘Nee, de kantoormarkt ligt erg moeilijk en zal ook moeilijk blijven, zeker in Brussel. Alleen in stationslocaties zit een geweldige toekomst. Omwille van het mobiliteitsprobleem zie je daar alle grote take-ups. De volgende stap zijn de groene gebouwen. Alleen is het de vraag wie de prijs van de vergroening zal dragen met zo’n kleine marktvraag. Er komen weinig nieuwe bedrijven bij, onze fiscaliteit is niet aanlokkelijk en grote centra als Londen, Parijs en Amsterdam zijn zeer nabij.’

Is er nog ruimte voor groei in de shoppingcenterwereld?

‘Zeker. Onze steden zullen de leisure centers blijven, de plekken waar het aangenaam is om te shoppen en een weekend door te brengen. Met onze demografie zullen ook fun shopping en run shopping in baanwinkels een steeds hogere vlucht kennen.’

Blijft immo Hugo Ceusters weg van residentieel vastgoed?

‘Zeer tot mijn spijt wel, al zou ik dat op mijn oude dag wel graag doen. De residentiële markt functioneeert volgens een heel ander tijdschema, met veel avond- en weekendwerk, en een andere deontologie. Je werkt niet alleen op rendabiliteit, maar ook op emotionaliteit. Uit menselijke interesse en uit liefde voor mooie huizen zou ik ooit graag residentieel vastgoed aanbieden, maar dan via een aparte entiteit.’

 

BESTE INVESTERING

‘Opleidingen. Voor mijn kinderen, mezelf en mijn medewerkers. Het is een enorme upgrading voor iedereen, en het is niet erg als het rendement niet meteen zichtbaar is.’

 

SLECHTSTE INVESTERING

‘Tegen beter weten in heb ik me destijds een beetje gewaagd aan Lernout & Hauspie, omdat ik de spraaktechnologie zo fantastisch vond. Het ging om een klein bedrag, maar ik was alles kwijt.’

 

Verschenen in De Standaard op 16 mei 2011