Elvire rust nooit

Zeven dagen lang publiceerde De Standaard de reeks Big in Belgium, over Belgische bedrijven en sectoren die de wereldleider in hun niche zijn. Het begon met Elvire, de meest efficiënte en meest productieve krantenpapiermachine ter wereld. De foto’s waren (meestal) van Titus Simoens.

Wanneer afgevaardigd bestuurder Chris De Hollander van Stora Enso Langerbrugge samen met machinebestuurder Patrick Van Der Linden voor de fotograaf poseert op de stomende en sissende krantenpapiermachine lijken ze nietige stipjes, een kapitein en zijn eerste stuurman op een reuzentanker.

Net als bij een schip zien we van de machine enkel de bovenste helft, 8 meter hoog en 125 meter lang. De andere helft bevindt zich een verdieping lager. Aan het ene eind spuit de machine papierpulp met een vochtigheidsgraad van 98% tussen doeken die op rollen draaien met een snelheid van 120 km/u. Exact 7,11 seconden later is de pulp krantenpapier geworden met een vochtigheidsgraad van 8%, klaar om bedrukt te worden. Zowat elk uur wordt een zogenaamde moederrol geproduceerd van 10,4 meter breed, bijna 4 meter diameter en meer dan 100 ton zwaar. En zo gaat dat door, dag en nacht, weekends en feestdagen inbegrepen. Elvire rust nooit. Haar naam heeft ze te danken aan het feit dat ze de vierde papiermachine op de site is – en lijn 4 of L4klinkt algauw als Elvire. Maar u mag ook PM4 zeggen, kort voor papiermachine 4.

De productiefste

PM4 gaat sinds 2003 door het leven als de grootste in haar soort ter wereld. Maar de grootste, dat is ze eigenlijk maar een jaar geweest, tot een Zweeds zusterbedrijf een 5 cm bredere machine in dienst nam. Elvire moet sindsdien genoegen nemen met de titel van snelste en efficiëntste krantenpapiermachine ter wereld, en dat zal ze nog heel lang blijven, zegt Chris De Hollander. ‘Binnen het internationale geheel van Stora Enso zorgt de machine van Langerbrugge voor de constante productie. De minder rendabele of minder goed gelegen machines op andere sites kunnen eventueel harder draaien als de vraag naar papier zou stijgen.’

De papierfabriek is sterk geautomatiseerd. Eén man, de ‘conducteur’, tuurt op een rij computerschermen waarop de processen worden gemonitord. Een andere loopt regelmatig rond in en om PM4 om te checken of de sensoren alles juist registreren. De versneden papierrollen worden door robots getransporteerd, ingepakt en over een lange transportband automatisch naar het depot vervoerd. In de lang vervlogen hoogdagen werkten er nog meer dan 1.000 mensen op de site, nu zijn het er nog 380 in de productie en 60 in de verkoop. Die laatsten zijn trouwens verantwoordelijk voor alle papierverkoop van Stora Enso in Europa ten westen van Duitsland. ‘We proberen met zo weinig mogelijk mensen te produceren, dat klopt’, zegt Chris De Hollander. ‘De papiermarkt krimpt. In 2008 hebben we een knik gekregen. Sindsdien verliest de papierindustrie 5% wereldwijd per jaar. Alle mensen die hier nu nog werken, hebben we nodig om de fabriek te laten draaien.’

Het monster moet gevoed worden, en Stora Enso is erin geslaagd de kringloop van papier te sluiten. Zowel PM4 als PM3, die elders op de 52 ha grote site magazinepapier produceert, vervaardigen papier uitsluitend op basis van gebruikt papier. Uit de 700.000 ton gesorteerd oud papier die hier jaarlijks wordt binnengebracht uit heel België en de buurlanden, haalt het bedrijf nog 150.000 ton afval dat grotendeels in de eigen biomassakrachtcentrales wordt verbrand. Het bedrijf wekt zo 70 procent van zijn eigen stroom op en produceert alle benodigde stoom zelf.

België

Wat heeft een Fins-Zweedse papiergroep er in 2003 toe aangezet om een nieuwe krantenpapierlijn samen met een biomassakrachtcentrale net hier te bouwen, goed voor een investering van 500 miljoen euro? En waarom zo’n grote machine?

‘In de papierindustrie heb je schaal nodig om concurrentieel te zijn’, legt Chris De Hollander uit. ‘Een machine die half zo breed is, kost 70% van de onze en is dus minder rendabel. Je hebt veel oud papier nodig, want we draaien volledig op recyclage. En je hebt veel afzet dichtbij nodig, want de waarde van krantenpapier is te laag om het over grote afstanden te transporteren.’ De Gentse site, met haar centrale ligging in Europa goed voor input én afzet van papier, kwam als beste uit de analyse. Het bedrijf levert papier aan alle Belgische kranten (met uitzondering van de zalmroze Tijd), aan de meeste Nederlandse en Franse en nog vele andere.

Chinese concurrentie

Een van de problemen waar de papierindustrie mee kampt, is niet de papierproductie in Azië, maar de enorme honger naar papier voor verpakkingsmateriaal van China. Zo kan het gebeuren dat het papierafval van Brugge op een boot naar China belandt, terwijl Stora Enso zijn grondstof in Breda moet gaan zoeken. Dat soort absurde toestanden moet stoppen, zegt De Hollander, die pleit voor duurzamere aanbestedingen voor oud papier en karton in een zo lokaal mogelijke kringloop.

Verschenen in De Standaard, 15/7/14

Scenario’s voor een nieuwe toekomst

Energiegigant Shell kan bogen op een lange traditie van uitgewerkte toekomstscenario’s die verder kijken dan gebruikelijk, mét oog voor de dreigende klimaatsverandering, maar duidelijk vanuit het standpunt van een brandstofproducent. WWF heeft een andere, radicale visie die nog een lichtpuntje laat.

Afhankelijk van de keuzes die beleidsmakers de komende jaren maken, kan de toekomst van de aarde er heel anders uitzien. Wat de keuzes ook zijn, volgens Shell-CEO Peter Voser is het duidelijk wat de hoofdrichting is: schonere energie en meer energie-efficiëntie. De krijtlijnen van de nabije toekomst liggen ook al vast: 9,5 miljard aardbewoners tegen 2060, de verdere bloei van de groeimarkten, waardoor miljoenen mensen evolueren van arm naar middenklasse en mogelijk een verdubbeling van de energievraag over de komende vijftig jaar.

De Shell-futurologen zijn er van overtuigd dat de uitstoot van CO2 rond het jaar 2100 zo goed als tot nul zal zijn teruggevallen. Ze rekenen daarvoor onder andere op Carbon Capture & Storage (CCS), want we blijven volgens elk Shell-scenario veel gas, olie of steenkool verstoken.

Mountains vs. Oceans

Minder CO2 uitstoten kan volgens Shell bevorderd worden door de volgende maatregelen te promoten. De ontwikkeling van compacte en energie-efficiënte steden, met name in Azië en andere snel urbaniserende gebieden. Grotere energie-efficiënte voor transport en gebouwen. Een switch naar aardgas als belangrijke brandstof voor krachtcentrales en transport. Een CO2-tax die wordt aangewend om de ontwikkeling van CCS te versnellen. Naast deze algemene aanbevelingen onderscheidt Shell twee verschillende scenario’s waartussen moet worden gekozen: Mountains versus Oceans.

Het Mountains-scenario gaat uit van een bescheiden economische groei en een sterke overheid. Dit scenario rekent op een forse en snelle groei van kernenergie, dat tegen 2060 goed moet zijn voor 30% van de elektriciteitsproductie wereldwijd. Aardgas vormt de ruggengraat van de wereldwijde energievoorziening. Gascentrales vervangen heel wat steenkoolcentrales en gas wordt belangrijk in transport. Het olieverbruik bereikt zijn hoogtepunt rond 2035. Rond het einde van de eeuw rijden auto’s en vrachtwagens vooral elektrisch en op waterstof. CCS is algemeen in voege en mede daardoor stoot de elektriciteitssector geen CO2 meer uit vanaf ongeveer 2060. Alhoewel dit scenario erin slaagt om de uitstoot van broeikasgassen te doen afnemen vanaf 2030, volstaat het niet om de opwarming van het klimaat onder de 2 °C te houden. Een afknapper. Maar het kan nog erger.

In het Oceans-scenario van Shell heeft de overheid minder armslag, vooral de markt en de burgers zijn aan zet. De publieke opinie zorgt in vergelijking met het Mountains-scenario voor een minder spectaculaire groei van kernenergie en minder (schalie)gaswinning buiten de VS. Steenkool blijft een populaire brandstof in krachtcentrales tot halverwege de eeuw. Ook CCS komt maar langzaam van de grond. De elektriciteitssector wordt pas rond 2060 CO2-neutraal. Passagierstransport op de weg draait rond 2050 nog voor 70% op petroleumproducten. De uitstoot aan broeikasgassen ligt nog 25% hoger dan in het Mountains-scenario. Door de hoge olieprijzen wordt er wel zwaar ingezet op energie-efficiëntie, de zoektocht naar onconventionele oliebronnen versnelt en biobrandstoffen worden belangrijker. Tegen 2070 zijn PV-panelen de belangrijkste energiebron. Windenergie heeft het moeilijker door tegenstand onder de bevolking. Shells toekomstvisie is somber: wat we ook doen, onder de twee graden klimaatsverandering geraken we in geen geval.

De visie van WWF

Het kan gelukkig ook anders als we nu ingrijpen. Vorig jaar al lanceerde WWF The Energy Report, een uitgewerkt globaal energieplan dat uitlegt hoe de volledige planeet tegen 2050 van energie uit hernieuwbare energiebronnen kan worden voorzien. Daartoe moet in eerste instantie het energieverbruik drastisch worden teruggedrongen. De tweede stap is het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie, in volgorde van duurzaamheid: zon, wind, water, geothermie. Biomassa kan enkel onder strikte voorwaarden. Onlangs pakte WWF uit met een nieuw rapport, Putting the EU on Track for 100% Renewable Energy, een verfijning op Europese schaal van het globale streven naar 100% CO2-neutraal tegen 2050. Volgens de milieuorganisatie kan de EU tegen 2030 zijn energieverbruik met 38% reduceren en 40% van de overblijvende energie genereren uit hernieuwbare bronnen. Zo zou de uitstoot aan broeikasgassen met de helft worden teruggedrongen in vergelijking met 1990. Volgens Jan Vandermosten van WWF België zouden deze maatregelen maar liefst 5 miljoen jobs kunnen creëren. Voorwaarde is wel dat Europa een coherent en ambitieus maatregelenpakket voorziet en uitvoert voor de periode post-2020.

Als het aan ons lag, kozen we voor het WWF-scenario.

Verschenen in Argus Actueel, 28/02/13

Rendementen waarbij Microsoft verbleekt

Gunter Pauli, lid van de Club van Rome en voormalig ceo van Ecover, is de grote inspirator van ‘De blauwe economie’, een model waarin ecologie, innovatie en economie hand in hand gaan. Gunter Pauli’s boek The Blue Economy verschijnt nu ook in het Nederlands.

Wat is uw belangrijkste bron van inkomsten?

‘Toen ik in 1994 uit België vertrok, heb ik al mijn bezittingen verkocht en dat geld ondergebracht in de stichting Zeri (Zero Emissions Research Initiative). Ook de auteursrechten van de boeken die ik schrijf, komen ten goede aan de stichting. VanThe Blue Economy zijn ondertussen al 1miljoen exemplaren verkocht in 34talen. Van de fabels waarin ik de blauwe economie aan kinderen uitleg zijn al 17miljoen exemplaren van de hand gegaan. Ik krijg een vaste maandelijkse vergoeding enthat’s it. Als stichting zijn we niet uit op financieel gewin. Dat hoeft ook niet. Zo lang ik goed blijf schrijven, is onze inkomstenstroom verzekerd.’

Wat is het hogere doel: een betere wereld creëren?

‘Er kan een betere wereld komen door meer ondernemerschap en innovatie. Ook bij Ecover draaide het om innovatie. Ik heb dertig jaar mijn schouders gezet onder de groene economie, maar het probleem is dat die ervan uitgaat dat wat goed is voor de mens, ook duurder moet zijn. De groene economie heeft heel goede producten opgeleverd, maar ze zijn alleen maar betaalbaar voor wie over het nodige geld beschikt. De groene economie kan dus alleen mainstream worden door meer belastingen te heffen of via subsidies. Als we dat patroon niet doorbreken, zullen we nooit duurzaamheid bereiken. In de blauwe economie gaan we ervan uit dat wat echt goed is voor de mens, ook goedkoper kan zijn.’

Wanneer zal de blauwe economie een feit zijn? U sprak in 2010 van 100 miljoen banen op tien jaar.

‘Na twee jaar hebben wij weet van ongeveer duizend bedrijfjes die werden opgezet op basis van de open source-info die wij verspreiden. Het gaat te traag en met te weinig schwung. Maar we zijn nog maar pas begonnen en starten nu een grote campagne via de vertaling van de innovaties in fabeltjes voor kinderen. Zo hopen we veel jongeren te inspireren.’

Bent u een belegger?

‘Ik beleg niet, ik adviseer anderen over beleggen. Ik wil een absolute onafhankelijkheid bewaren tegenover de technologieën en zakenmodellen die ik voorstel. Als ik er een of ander financieel voordeel zou uithalen, dan kan ik niet langer vrij advies leveren.’

Welke blauwe economie-aandelen zou u aan beleggers aanraden?

‘Op dit ogenblik kijk ik vooral naar de bedrijven waar je beter niet in investeert. Bedrijven die het potentieel gewoon negeren. Ik denk bijvoorbeeld aan Medtronic, Johnson & Johnson en Boston Scientific die heel wat verdienen met de groeiende vraag naar pacemakers, terwijl de komst van de nanotechnologie dit soort pacemakers overbodig maakt. Die aandelen kan je beter nu van de hand doen. Ook batterijmakers als Varta en Panasonic verwijder je beter uit je portefeuille vanwege de op komst zijnde innovaties die batterijen vervangen. Olie-aandelen doen het nu nog goed, maar je kan ze beter dumpen voor ze hun op termijn onvermijdelijke daling inzetten.’

Wat voor rendementen kunnen we verwachten in de blauwe economie?

‘Toen ik in 1984 de kans kreeg om mee te werken aan het regenereren van het regenwoud van Gaviotas in Colombia, dat al tweehonderd jaar geleden vernietigd was, verklaarde iedereen me gek. Maar vandaag, 28jaar later, staat het bos er, is de biodiversiteit er van 17 naar 256 gestegen, is er volledige tewerkstelling in de regio en gratis drinkwater. Last but not least: de waarde van de grond steeg er van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha. Dat is een beter rendement dan het Microsoft-aandeel in 25jaar heeft gegenereerd. Deze investering komt vandaag volledig ten goede aan de gemeenschap van Gaviotas. Het schenkt me een grote voldoening dat je met herbebossing en water als een gemeenschappelijk goed een van de meest succesvolle bedrijven in de moderne geschiedenis kunt overtreffen.’

Welke investering betreurt u?

‘Het bouwen van de ecologische fabriek van Ecover, die weliswaar baanbrekend was, maar afhankelijk van palmolievetzuren. Ik realiseerde mij aanvankelijk niet dat ik verantwoordelijk was voor de vernietiging van het regenwoud in Indonesië en de verstoring van de habitat van de orang-oetan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Het was moeilijk te aanvaarden dat de tijd en het geld dat ik in Ecover investeerde, voor niets was. Maar dat gaf me de kracht om een nieuw zakenmodel te ontwikkelen dat vandaag gekristalliseerd is in het concept van de blauwe economie.’

BESTE INVESTERING

‘Het herbebossen van de savanne in Gaviotas. Goed voor een toename van biodiversiteit met een factor15 en een stijging van de grondwaarde van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha.’

www.gunterpauli.com

‘Een echte oplossing voor Fukushima bestaat niet’

Anders dan de doorsnee documentairemaker of journalist heeft de Franstalige Belg Alain De Halleux met zijn diploma van nucleair chemicus een extra wapen op zak als het op het analyseren van kernenergie en kernrampen aankomt. De Halleux beschikt dan ook over een stevige wetenschappelijke achtergrond. Zijn verontwaardiging over hoe we met kernenergie omspringen, wordt er alleen maar groter door.

Toen Alain de Halleux zijn diploma van nucleair chemicus op zak had, besloot hij dat zijn toekomst in de kunstwereld lag. “Ik had nucleaire chemie gestudeerd om de wereld te begrijpen, maar besefte dat kunst me meer kon leren”, zegt hij daarover. Toen kon hij nog niet vermoeden dat zijn achtergrond van pas zou komen bij twee spraakmakende tv-documentaires over de nucleaire industrie: RAS nucléaire, rien à signaler (2009), over de jumpers die gevaarlijk werk leveren in de nucleaire industrie en Tchernobyl 4 ever (2011), een documentaire die hij een kwarteeuw na de ramp ter plaatse maakte.

Wat is u het meest opgevallen in Tsjernobyl?
Alain de Halleux: Mogen het ook tien dingen zijn? (lacht) De eerste keer dat ik er kwam, was het zomer. Toen heb ik het mysterie gevoeld van de zone [het gebied in een straal van 30 km rond de reactor, red.]. Radio-activiteit is onzichtbaar en de natuur is er zo mooi – maar je weet dat er iets niet klopt. Je durft niets aan te raken, je voelt je ongemakkelijk. De tweede keer was het winter, de schoonheid van de plek was subliem. Het had gesneeuwd en dat beschermt de bezoekers een beetje. Ik voelde me almost safe. De derde keer was het terug zomer, een droge en winderige periode. Toen was het gevaarlijk. Ik stond in de zone toen een vrachtwagen stof liet opwaaien en dat heb ik ingeademd. Ik heb meteen een douche genomen. Toen was ik echt bang, ik dacht dat ik besmet was. Gelukkig bleek er na een medisch onderzoek niets aan de hand. Dat wil zeggen: cesium kan men detecteren in de mens, plutonium niet. Tsjernobyl bezoeken blijft een beetje Russische roulette spelen.

Uit uw documentaire blijkt dat er veel is dat we niet weten over Tsjernobyl. Hoe verklaart u dat?
Alain de Halleux: De laatste zin van de documentaire luidt: “De mens heeft een kort geheugen, maar een atoom leeft heel lang.” Dat vat het wel een beetje samen. Niemand vond het nodig om nog een film over Tsjernobyl te maken. Maar niemand weet precies wat er is gebeurd, en zeker niet wat er zich daar nu afspeelt. Het gangbare beeld is dat van een ruïne, verlaten door de mens in afwachting dat de radio-activiteit vermindert. Maar al een kwarteeuw werken daar duizenden mensen om de toestand onder controle te houden. Nog zoiets: na de ramp groeide er een consensus voor een kernuitstap in Europa, maar men heeft niets ondernomen om kernenergie te vervangen. Gaandeweg waren we blijkbaar vergeten hoe gevaarlijk kernenergie is.
Wat is het ergste dat er nu nog in Tsjernobyl nog kan gebeuren?
Alain de Halleux: Een moeilijke vraag. Om te beginnen bestaat er geen enkele wetenschappelijke methode om te bepalen hoeveel kernbrandstof er nog aanwezig is onder de sarcofaag [het betonnen omhulsel dat de voormalige reactor 4 bedekt, red]. Men weet niet precies hoeveel kernbrandstof er opgebrand is. De radio-activiteit ter plaatse meten, volstaat ook niet. De realiteit is onbekend, en zo wordt Tsjernobyl een spiegel van wie er naar kijkt. Volgens Greenpeace is de meeste kernbrandstof opgebrand en de radio-activiteit verspreid over Europa, volgens regeringsbronnen is er nog wel veel kernbrandstof aanwezig. De waarheid is dat we niet weten hoeveel fuel er nog is, en evenmin in welke toestand die zich bevindt.
Vijfentwintig jaar lang hebben we gehoord dat Tsjernobyl eenmalig en uitzonderlijk was. De ramp in Fukushima Daiichi heeft het tegendeel bewezen. Moeten we ons in België ook zorgen maken?
Alain de Halleux: Zeker en vast. In mijn film Rien à signaler wordt duidelijk dat we ons in de eerste plaats zorgen moeten maken over de mensen die in de kerncentrales werken. Niet alleen aardbevingen kunnen rampen veroorzaken, maar ook mensen die onder te hoge druk staan. Tegenwoordig geeft men de werknemers in de nucleaire sector zelfs niet de tijd of de middelen om hun werk goed te doen. In elk geval is de manier waarop deze sector wordt gerund niet de best mogelijke manier.
In uw film vertelt een werknemer van een kerncentrale dat het allemaal veel erger is geworden sinds Suez de kerncentrales runt. “We evolueren van een nulrisico naar een berekend risico,” zegt hij onomwonden.
Alain de Halleux: Wat mij het meest verbaast is dat de politiek niet ingrijpt. Los van alles wat je denkt of weet over kernenergie is het zoals met elke techniek: je kan het op een goede of een slechte manier gebruiken. Maar kernenergie botst met de economische logica. Als GDF/Suez, de groep achter Electrabel, zou besluiten Doel 1 of Tihange 1 stil te leggen omdat het gevaarlijke reactoren zijn, wordt het bedrijf afgestraft door de aandeelhouders en zou het geld verliezen. Suez kan zulke beslissingen niet nemen en is dus verplicht zijn operaties voort te zetten en iedereen ervan te overtuigen dat alles prima gaat. Kernenergie kan niet veilig functioneren in een concurrentieel economisch systeem.
Zou u meer vertrouwen hebben in kerncentrales die niet door een commercieel bedrijf maar door een overheidsdienst worden uitgebaat?
Alain de Halleux: Ik denk dat het risico in dat laatste geval zou afnemen. Zo zou je ook een echt politiek debat kunnen voeren over welke energie we voor onze kinderen willen. We zouden opnieuw van de veiligheid de eerste prioriteit kunnen maken. Als een reactor te oud is, zouden we makkelijker kunnen beslissen om hem stil te leggen in het kader van het algemeen belang. Nu is het zo dat onze centrales in handen zijn van de Fransen, die niet de minste langetermijnvisie hebben op energie. Als de centrales eigendom waren van de overheid, zouden we de winsten kunnen gebruiken om te investeren in hernieuwbare energie en om de mensen die in de centrales werken beter te betalen.
Maar tot nader order vloeien de grote winsten van oude kerncentrales naar Electrabel, zegt de CREG.
Alain de Halleux: Men zegt altijd maar “C’est le nucléaire ou la chandelle” [kernenergie of kaarsen, red]. Mijn standpunt is: als we vandaag niet van kernenergie afstappen, zullen onze kinderen het inderdaad met kaarsen moeten doen. Waar liggen de plannen die bewijzen dat Doel 1 nooit het estuarium van de Schelde zal vervuilen, of Tihange 1 de Maas? Ik wil ze zien! Ik ben kwaad dat geen enkele politicus zich daarmee bezig houdt.
Hoe staat u tegenover het argument dat kernenergie een wapen kan zijn tegen klimaatsverandering?
Alain de Halleux: De kernlobby verwijt haar tegenstanders dat ze Fukushima emotioneel uitbuiten, maar zij hebben uiteraard geen emotioneel misbruik gemaakt van de angst voor de klimaatsverandering. (lacht) Bovendien klopt hun argument niet. Kernenergie levert wereldwijd ongeveer 15% van de energie en is dus te klein om iets te betekenen op het gebied van klimaatsverandering.
Kunnen we in Fukushima lessen trekken over wat er in Tsjernobyl is gebeurd?
Alain de Halleux: Ik heb al her en der horen beweren dat men in Fukushima dezelfde oplossing zou overwegen als in Tsjernobyl, en dat baart me zorgen. Want de oplossingen van Tsjernobyl zijn niet toepasbaar in Fukushima. De sarcofaag in Tsjernobyl is door duizenden mensen gebouwd op hoog-radioactief materiaal, en dat is allemaal nogal slordig en snel gebeurd. Zo’n sarcofaag zou nooit een zware aardbeving doorstaan. In Fukushima moet je vier reactoren onder handen nemen, vier sarcofagen die aan aardbevingen van negen op de schaal van Richter moeten weerstaan. Dat is onmogelijk.
Wat kan er dan wel worden gedaan?
Alain de Halleux: Een andere oplossing is de brandstof weg te halen, maar dat is onhaalbaar. Zodra je die uit het water haalt, geraakt iedereen er rond radio-actief besmet. De splijtstofstaven zijn beschadigd, er ligt overal afval… Ik ben geen ingenieur, maar ik kan me geen langetermijnoplossing voor Fukushima voorstellen. Helaas hoor ik ook van experten geen visie voor de toekomst. Ik vermoed dus dat Fukushima gewoon jarenlang op het gemakje zijn radio-activiteit in de atmosfeer zal blijven verspreiden. Dat we te horen zullen krijgen dat de hoeveelheid cesium in de lucht de afgelopen zomer is verdubbeld, zoals we ook berichten horen over het fijn stof in Brussel. We zullen er wel gewoon aan worden. Verschrikkelijk toch?

 

Van materiaalschaarste naar duurzaam materialenbeheer

Vlaanderen is koploper in duurzaam materialenbeheer en wil dat in de toekomst ook blijven. Een nieuw partnerschap tussen de academische wereld, de industrie en de overheid moet daar voor zorgen.

 

Europa is het continent met de minste eigen grondstoffen en energievoorraden. Onze regio is in vergelijking met andere continenten extreem afhankelijk van de import van buitenlandse fossiele brandstoffen en zeldzame aardmetalen. De concentratie van kritische grondstoffen is alles behalve eerlijk verdeeld over de wereld. China heeft de meeste zeldzame aardmetalen in handen, de Russen delven edele metalen, Congo zit op belangrijke kobaltvoorraden en niobium komt vooral voor in Canada en Brazilië.

Bovendien staat de recyclage van deze stoffen overal op een zeer laag pitje, terwijl een net deze stoffen van cruciaal belang zijn in de transitie naar een groene economie. Zo is kobalt een essentieel onderdeel in de productie van lithium-ion-batterijen, inidum noodzakelijk voor dunne PV-cellen, platinum voor brandstofcellen en niobium voor supergeleiders. Zonder zeldzame aardmetalen (zoals neodymium, terbium etc.), lithium, kobalt en germanium kunnen er geen hybride en elektrische auto’s rondrijden en komt de productie van zonnepanelen en windturbines in het gedrang.

In het licht van deze vaststellingen heeft de Europese Commissie de resource efficiency uitgeroepen tot een van de kerntaken van het oude continent. De uitwerking van een Effective (Critical) Raw Material Strategy staat ondertussen al in de steigers. De uitdaging bestaat erin efficiënt met grondstoffen om te springen terwijl je als continent nauwelijks of geen controle hebt over het opdelven en produceren ervan.

Vlaanderen als koploper
De opwarming van de aarde en het ontbreken van eigen vitale grondstoffen laten Europa en Vlaanderen geen andere keuze dan de kampioen te worden van de koolstofarme kringloopeconomie, besluit ir. dr. Peter Tom Jones van de K.U.Leuven, de grote pleitbezorger van SMM (Sustainable Materials Management of duurzaam materiaalbeheer). “Wat Vlaanderen niet heeft qua grondstoffen, heeft het des te meer qua kennis en expertise inzake duurzaam materialenbeheer”, klinkt het bij de ingenieur. Jones noemt de transitie naar een koolstofarme kringloopeconomie een uitdaging zonder voorgaande.

Op energetisch vlak moeten Vlaanderen en de EU de transitie maken naar energieonafhankelijkheid. Door de transitie naar duurzaam materialenbeheer, het sluiten van de kringlopen, kunnen we evolueren naar materialenonafhankelijkheid. Peter Tom Jones pleit voor een innovatieve recyclage-economie, waarin Europa zijn grondstoffen herwint uit afvalstromen in plaats van uit mijnen in de rest van de wereld. Dat is mogelijk via concepten als ‘urban mining’ (winning van grondstoffen uit afgedankte laptops, computers, gsm’s, auto’s) en ‘enhanced landfill mining’ (de geïntegreerde valorisatie van oude stortplaatsen voor materiaal en energie).

Een bijkomend pluspunt is daarbij dat deze vorm van recyclage bijdraagt tot een reductie van het energieverbruik en de CO2-emissies. Zo vereist de productie van aluminium uit schroot maar liefst 95% minder energie dan het vervaardigen van aluminium uit bauxieterts. Een dergelijke transitie is wellicht niet mogelijk zonder een grondige verandering in het financieel systeem, met hogere lasten op het gebruik van primaire grondstoffen zoals energie en materialen enerzijds en anderzijds incentives voor secundaire grondstoffen en hernieuwbare energie.

CR3
Voor de verdere realisatie van SMM in de praktijk richt de K.U.Leuven een interdisciplinair team op, met specialisten uit uiteenlopende disciplines en met organisaties binnen en buiten de universiteit. Inmiddels zegden al veertig bedrijven hun medewerking toe aan een kennisplatform. Een en ander wordt gecoördineerd vanuit CR3, het Centre for Resource Recovery and Recycling, een van oorsprong Amerikaans onderzoekscentrum, waarvan de K.U.Leuven de Europese tak nu voor zijn rekening neemt. Partners van het eerste uur zijn o.a. OVAMGroup Machiels en Umicore. Niet toevallig, want OVAM heeft zelf al de transitie achter de rug van afvalstoffenmaatschappij naar materiaalbeheerder, Umicore is een wereldleider in recyclingtechnologie en ‘urban mining’ en Group Machiels ambieert ‘enhanced landfill mining’ in de praktijk op de Remo-stortplaats in Houthalen-Helchteren.

 

Gepupliceerd in Argus Actueel, 27/4/11