Kroniek van een aangekondigde klimaatramp

De door de mens veroorzaakte klimaatverandering is volop bezig en de mogelijke gevolgen kunnen erger zijn dan tot nog toe werd aangenomen. Maar we kunnen de risico’s en de gevolgen sterk inperken door nu juist te handelen, zegt het nieuwe klimaatrapport van het IPCC.

Het nieuwe rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change doorploegt zoals vanouds de meest recente wetenschappelijke literatuur om te doorgronden welke impact de klimaatverandering nu al heeft en wat we voor de toekomst kunnen verwachten. De Nederlandse doctor in de Klimaatwetenschappen Maarten van Aalst is directeur van het Rode Kruis klimaatcentrum en mede-auteur van het rapport. ARGUSactueel skypete hem in het Japanse Yokahoma net na het verschijnen van het IPCC-rapport op maandag 31 maart.

Mogen we het rapport in één zin samenvatten als: de wereld ondervindt nu al veel negatieve gevolgen van de klimaatverandering en het wordt nog veel slechter, tenzij we zo snel mogelijk ingrijpende maatregelen nemen?
Maarten van Aalst: 
“Daar kan ik helemaal achter staan. De te nemen maatregelen kan je onderscheiden in twee soorten. Van de ene kant zal de klimaatverandering zich blijven doorzetten en kunnen we de gevolgen daarvan aanpakken met bestaande middelen: betere early warning-systemen, slimmer omgaan met water en zo voort. Voor wat betreft de periode na 2050 moeten we nu werk maken van mitigatie – het terugdringen van broeikasgassen – omdat we anders in een situatie komen waarin de problemen echt uit de hand lopen.”

Wat is er veranderd in de zeven jaar sinds het vorige IPCC-rapport?
Maarten van Aalst: 
We kunnen veel helderder zijn over de menselijke invloed op het klimaat, met name op variabiliteit en extremen. Tien jaar geleden zagen we klimaatverandering als iets dat over een eeuw een aantal eilanden onder water zou zetten. Nu kunnen we al zeggen dat bijvoorbeeld de verhoogde zeespiegel heeft bijgedragen aan de ernst van de stormvloed van november 2013 in de Filippijnen. Ook de doden van de West-Europese hittegolf van 2006 en de voedselschaarste in Afrika zijn deels door de klimaatverandering veroorzaakt.”

Net als in de vorige rapporten is het duidelijk dat net de meest kwetsbare mensen de gevolgen van de klimaatverandering het hardst ervaren.
Maarten van Aalst:
 “Klopt, en het is belangrijk daarbij aan te stippen dat het niet alleen gaat over de mensen in arme landen, maar ook arme en kwetsbare mensen in de ontwikkelde landen, zoals de ouderen en zieken die sterven door een hittegolf. Soms zijn de oplossing heel simpel, zoals oma even bellen in het rusthuis en vragen of ze een paar glazen water heeft gedronken. Maar je moet er wel alert voor zijn.”

Hoe speelt een organisatie als het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in op de toenemende klimaatdreiging voor de meest kwetsbaren?
Maarten van Aalst:
 “We zijn al langer bezig om onze aandacht te verleggen van het leveren van de best mogelijke hulp na een ramp naar het steeds beter trachten in te schatten waar rampen zullen plaatsvinden en ze proberen te voorkomen, net zoals dit rapport voorschrijft. We leggen ons er bijvoorbeeld op toe om mensen de juiste informatie op het juiste moment te bezorgen, wat in de Filippijnen bijvoorbeeld veel slachtoffers had kunnen vermijden. Dat kunnen we natuurlijk niet in ons eentje, dus we zoeken veel samenwerking, met regeringen en meteorologische diensten bijvoorbeeld.”

In het verleden heeft de mens zich met wisselend succes aangepast aan de (natuurlijke) klimaatschommelingen. Wat is er nu anders?

Maarten van Aalst: “In een bepaald opzicht is het niet echt anders: we zijn ons al aan het aanpassen en dat kost moeite, net zoals dat in het verleden ook het geval was. Maar naarmate de klimaatverandering sneller verloopt en onze systemen kwetsbaarder zijn, wordt het nog moeilijker. In het verleden zijn mensen verhuisd na enorme overstromingen. Dat is een voorbeeld van een succesvolle aanpassing, maar één met grote gevolgen. We willen het liefst in een stabiele maatschappij leven met een mate van zekerheid over onze toekomst en de klimaatverandering ondermijnt die wens. Als een boer in een ontwikkelingsland met een misoogst wordt geconfronteerd, zal hij geen geld meer hebben om zijn kinderen naar school te sturen en komt hun toekomst op de helling te staan. De mens is goed in adaptatie, maar met sneller opeenvolgende rampen wordt het wel erg moeilijk.”

Wat kan de overheid doen?
Maarten van Aalst: 
“Na de taifoen Hayian heeft de Filippijnse overheid besloten om in een aantal kwetsbare gebieden niet meer te laten bouwen. Dat is precies wat we willen, van te voren proberen een volgende ramp te voorkomen. Maar je moet ook rekening houden met de verborgen kosten van zulke aanpassingen, bijvoorbeeld wanneer je mensen 15 km verhuist en ze moeten terug hun leven en hun zaak opbouwen. Ook dat soort kosten neemt hand over hand toe.”

De komende 85 jaar zijn vooral de laaggelegen kustgebieden bedreigde zones. Geldt dat ook voor de Belgische en Nederlandse kustgebieden?
Maarten van Aalst: 
“Het rapport laat zien dat wij in vergelijking met gebieden als Bangladesh goed beschermd zijn. De Lage Landen vormen een bewijs dat we ons kunnen aanpassen aan de dreiging, mits je de middelen hebt en ze ook juist inzet. Anderzijds zal de kustbescherming steeds meer geld opslokken en de rivierafvoer zal variabeler worden met nu en dan hogere pieken – lastig om af te voeren met een hogere zeespiegel. De landbouw zal rekening moeten houden met periodes van droogte en hittegolven. We moeten in die periodes ook extra aandacht hebben voor de kwetsbare mensen in de steden. Als je je bewust bent van risico’s en over de nodige middelen beschikt, kan je er ook tegen wapenen.”

We mogen ons dus voor één keer op de borst kloppen?
Maarten van Aalst: “Toch niet helemaal. Met name Nederland heeft in de afgelopen elf jaar twee keer in de top-10 gestaan van de dodelijkste wereldrampen, vanwege de hittegolven van 2003 en 2006. We hadden tot 2006 geen hitteplan omdat we de risico’s onvoldoende in kaart gebracht hadden. De risico’s die niet met technologie maar eerder met het functioneren van het sociaal weefsel te maken hebben, blijken moeilijker te beheersen.”

Op welke plekken op de wereld zijn de potentiële gevolgen van de klimaatverandering het ergst?
Maarten van Aalst: 
“Dat zijn per definitie de gebieden met de armste mensen, voor wie het het moeilijkst is om weer recht te klauteren nadat ze een klap hebben gekregen. Met name in de arme landen van Afrika die nu al op de rand zitten van beschikbaarheid van water, de gebieden met voedselschaarste, zoals de Sahel en de Hoorn van Afrika. Daarnaast de laaggelegen gebieden: wat betreft aantallen mensen die getroffen kunnen worden zijn dat in het bijzonder de grote delta’s in Azië. Trouwens niet alleen de armste landen zoals India en Bangladesh, maar ook Bangkok kan zoals we gezien hebben getroffen worden door zware overstromingen.”

De oorzaken van de klimaatverandering zijn bekend, de mogelijke gevolgen worden steeds duidelijker. We weten wat we kunnen doen om de impact te beperken en onze veerkracht te verhogen. Bent u optimistisch over de toekomst?
Maarten van Aalst: “Ik vind het over het geheel genomen een optimistisch rapport. Toegegeven, de risico’s stijgen en dat is lastig. Maar uit het rapport blijkt ook duidelijk dat er veel mogelijkheden zijn om de risico’s goed te beheren. Het is een roep om actie. Er moet iets gebeuren of de risico’s lopen uit de hand, maar we zijn niet machteloos. Waar ik me wel zorgen over maak, is de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. De mens is over het algemeen niet zo heel goed in het nemen van beslissingen wanneer de positieve gevolgen zich pas veel later voordoen. We moeten ons dus nu afvragen welke wereld we willen nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen. We zien dat er vanaf 2050 een aantal grote risico’s aanzienlijk beginnen toe te nemen. Hoeveel van die risico’s zijn we bereid te nemen? Kunnen we leven met 50% kans dat de Groenlandse IJskap afsmelt, waardoor de zeespiegel in de loop van de komende eeuwen met 7 meter stijgt? Sommigen zullen zeggen: je hebt ook 50% kans dat het goed komt. Dat zijn afwegingen waarvan we ons bewust moeten zijn als samenleving en waarover we het politieke debat moeten voeren.”

Kan je een en ander ook in kosten uitdrukken: als we nu zoveel miljard euro uitgeven, dan besparen we op termijn zoveel miljard?
Maarten van Aalst: 
“De schatting van de negatieve gevolgen van de temperatuurstijging met 2 °C loopt in de orde van grootte van 0,2 tot 2% van het wereld-BBP. Maar dat is een vrij gevaarlijk getal, omdat het alleen de zichtbare kosten in beeld brengt en geen onweegbare dingen zoals het verlies aan biodiversiteit. Wat kost het dat de armen armer worden en de rijken rijker? Als je het allemaal bij mekaar optelt, maakt het misschien niet uit voor het BBP, maar vinden we het ook acceptabel? Nu, dit zijn slechts de kosten van de klimaatverandering die we niet meer kunnen vermijden. Een gemiddelde temperatuurstijging in de richting 2°C zit al ingebakken vanwege wat we in het verleden hebben uitgestoten en wat we nog zullen uitstoten zelfs als we heel agressief de uitstoot terugdringen. De vraag die we ons moeten stellen is wat de extra kosten zijn als we de uitstoot niet verder terugdringen. Die schattingen zijn veel lastiger omdat de kosten pas optreden als de wereldtemperatuur met 2 °C is gestegen, ten vroegste rond 2050. We weten niet hoe de maatschappij er zal uitzien en we hebben ervoor gekozen om alleen heel zekere schattingen op te nemen. Maar we zijn er wel heel duidelijk over dat er in dat geval heel grote risico’s zullen optreden waaraan heel hoge kosten verbonden zijn.”

 

Verschenen in Argus Actueel op 31 maart 2014

Wat de geschiedenis ons leert over klimaatverandering

Van 6 tot 9 mei is prof. em. Brian Fagan in het land, een archeoloog en een wereldautoriteit over de geschiedenis van klimaatsverandering. Fagan verzorgt niet minder dan vier verschillende lezingen op die vier dagen (en één besloten sessie voor de Vlaamse MilieuMaatschappij). ARGUS belde hem thuis in Californië voor een voorproevertje.

Klimaatverandering heeft altijd al een invloed gehad op de menselijke beschaving, de landbouw en de economie. Wat is de belangrijkste les die we kunnen leren uit het verleden?
Brian Fagan: “De belangrijkste les is dat we nu veel kwetsbaarder zijn dan ooit tevoren, omdat er zoveel meer mensen op de wereld zijn. Steden als Miami en Amsterdam die amper boven de zeespiegel uitsteken, of er zelfs onder liggen, zijn uiterst kwetsbaar. In vroegere beschavingen telde een stad misschien 5.000 mensen en was het makkelijker om ze te verhuizen. Dat is nu vaak geen optie.
Een voordeel is dat we betere technologie hebben dan ooit tevoren en beter kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar in vergelijking met de Lage Landen is de situatie elders beangstigend, niet alleen in een land als Bangladesh, maar ook voor een stad als Shanghai. We moeten ons dringend beraden over de vraag hoe we tientallen miljoenen mensen kunnen verplaatsen, want het land waar zij wonen, dreigt onder de zeespiegel te verdwijnen. Ze worden trouwens niet alleen bedreigd door de stijging van het zeeniveau, maar ook door orkanen en ander extreem weer.”

U beschouwt droogte als een nog grotere bedreiging dan overstromingen. Wat verwacht u van de komende eeuw?
Brian Fagan: 
“We zullen ons eerst en vooral moeten bezighouden met het recycleren van water en het beperken van het watergebruik. In het licht van de dreigende tekorten aan drinkwater, moeten we het menselijk gedrag veranderen. Dat gebeurt nu al. Los Angeles is bijvoorbeeld bezig met het opvangen van regenwater om watervoerende lagen terug aan te vullen. Ook de recyclage van water zoals in Singapore kan tot navolging strekken.”

Klimaatverandering heeft in het verleden niet alleen negatieve, maar ook positieve effecten gehad. Geldt dat ook voor de toekomst?
Brian Fagan: “Zeker wel. We zijn geneigd om vooral te focussen op dreigende rampen en apocalyptische toestanden, maar er zijn ook voordelen. Het ziet er bijvoorbeeld goed uit voor de landbouw in Canada. Je krijgt eigenlijk een herverdeling van plekken waar voedsel wordt gekweekt. Voor het Amerikaanse Zuid-Westen is dat slecht nieuws, want daar zullen we met grote droogtes te kampen krijgen. Een constante is dat de geschiedenis zich herhaalt. De tsunami van vorig jaar in Japan is voorafgegaan door vele andere. Ook Europa is in het verleden door tsunami’s getroffen, zoals uit geologisch onderzoek blijkt.”

Waarom vergeten we zo makkelijk de klimaatrampen uit het verleden?
Brian Fagan: “Waarom kunnen mensen zo moeilijk geloven dat er ooit een watertekort zal zijn? Ze draaien de kraan open en er stroomt water uit. Ze staan er niet bij stil waar het water vandaan komt. Ook met orkanen en tornado’s zie je dat patroon van ontkenning. Soms grijpt de mens wel in ten gevolge van een catastrofe, of verhuizen mensen, maar al te vaak verkiezen we te vergeten.”

Waarom is de wereld meer bezig met temperatuurstijging dan met watertekort, terwijl dat laatste volgens u een groter probleem is.
Brian Fagan: “Temperatuursveranderingen spreken meer tot de verbeelding, omdat we ze associëren met ijstijden. Het omgekeerde, toenemende temperaturen, zijn we gaan associëren met smeltend ijs en stijgend zeeniveau. Allemaal veel dramatischer klinkend dan droogte. Toch kan je er niet omheen: stijgende wereldtemperaturen betekenen onvermijdelijk meer droogte op veel plekken. Een moeilijk probleem om te verkopen in de media, helaas.”

Hoe kunnen we de dreigende droogte bekampen?
Brian Fagan: “Als we de geschiedenis van water overschouwen, valt het op dat alles fundamenteel veranderd is in de laatste tweehonderd jaar, door de industriële revolutie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat gaf de mens de kans om water uit diepere aquifers of watervoerende lagen op te pompen. Het is trouwens niet toevallig dat de geschiedenis van water oppompen begint met het leegpompen van steenkoolmijnen.
Zo lang de mens alleen afhankelijk was van de zwaartekracht om aan water te geraken, leefde er een bewustzijn dat de watervoorraad beperkt was. In oude beschavingen werd water met veel meer respect behandeld. De religieuze connotaties van water gaan tienduizenden jaren terug. Rituelen brachten de mensen respect voor water bij. Maar bij de Grieken en de Romeinen werd water een product net als alle andere.”

“Het grootste probleem is dat de mens te weinig op lange termijn denkt. Een van de redenen waarom ik er echt naar uitkijk om naar België te komen, is dat België en Nederland de waterhuishouding op de lange termijn bekijken. Dat geeft jullie een een enorm voordeel. In vergelijking met wat jullie doen, zijn de maatregelen van Japan tegen tsunami’s een lachertje.”

Vanuit wereldperspectief gezien: welke evoluties stemmen u hoopvol en wat maakt u bezorgd?
Brian Fagan: “Zorgwekkend is het feit dat er nog altijd mensen zijn die klimaatverandering ontkennen. Hoopgevend vind ik het feit dat meer en meer mensen zich bewust worden van de water- en droogteproblematiek en beseffen dat je dit moet aanpakken vanuit een langetermijnperspectief. Al moet ik daarbij opmerken dat we nog te veel aan onszelf denken en te weinig aan onze kleinkinderen. Positief is voorts het feit dat de wetenschap het klimaat beter begrijpt dan ooit tevoren. Maar de belangrijkste les die de geschiedenis ons kan leren, is het feit dat we mensen zijn, homo sapiens, een slimme soort die in staat is om te denken, te plannen, te innoveren en oplossingen te zoeken zoals geen enkel ander dier dat kan. Ja, er zullen verschrikkelijke rampen plaatsvinden en er zullen vele doden vallen, maar we zullen kunnen improviseren en voortleven zoals we dat altijd hebben gedaan. De grote uitdaging bestaat erin dat we met meer mensen zijn dan ooit tevoren en dat de problemen groter zijn dan ooit tevoren. Ben ik optimistisch? Ja. Ik denk dat we, ondanks de vele slachtoffers, uiteindelijk zullen overleven als mensheid.”

Verschenen in Argus Actueel op 26/4/12

Durban: historische doorbraak of een gemiste kans?

De reacties op de klimaattop in Durban lopen sterk uiteen. Wat is er nu eigenlijk verwezenlijkt en wat brengt de toekomst? We vroegen het aan twee experts die in Durban de klimaatconferentie bijwoonden.

De Zuid-Afrikaanse minister Maite Nkoana-Mashabane had het in haar slotwoord in Durban over een historisch akkoord. Het valt te vrezen dat de geschiedenisboeken haar gelijk zullen geven. ‘Het grootste doemscenario dat inhield dat de onderhandelingen zouden afspringen, is vermeden,’ zegt Karla Schoeters van VITO. ‘Maar anderzijds volstaan de huidige afspraken niet om de opwarming van het klimaat onder de 2° C te houden, terwijl 2° eigenlijk ook al te veel is.’

Dit zijn de belangrijkste afspraken van de top van Durban:

– Er is uitzicht op een mogelijk tweede doelstellingsperiode onder het Kyoto-protocol. Het probleem van de overtollig toegekende rechten, de duur van de doelstellingsperiode en de hoogte van de doelstellingen moeten tegen volgend jaar beslecht worden. Canada, Rusland en Japan stappen niet mee in Kyoto bis. China, India en de VS blijven als vanouds buitenstaanders. De VS en de meeste groeilanden (waaronder China) engageren zich tot 2020 dus enkel op vrijwillige basis (niet-bindend) tot emissiedaling.
– Er is een afspraak om een ‘Mondiaal akkoord’ te sluiten waarin alle landen gelijk zullen zijn voor de wet, ook de ontwikkelingslanden. Dit verdrag zou tegen 2015 rond moeten zijn en in 2020 in voege treden en zou een opvolger kunnen worden van het Kyoto-protocol.
– Het Groen Klimaatfonds treedt vanaf 2020 in werking, met een waarde van 100 miljard dollar per jaar om de ontwikkelingslanden te helpen bij milieuvriendelijke groei. Het moet hen tevens helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatsverandering. Maar er is nog geen duidelijkheid over waar dat geld vandaan moet komen.

Het meest wezenlijke wat Durban heeft gedaan, is de klimaatbesprekingen aan de gang houden, maar de belangrijkste punten worden hete-aardappelgewijs voor ons uit geschoven naar 2020 en de afspraken blijven uitblinken in vaagheid. Dat staat haaks op de dringende noodzaak om nu krachtige maatregelen te nemen om de opwarming van het klimaat een halt toe te roepen.

Het gat van vijf gigaton
Voor de aanvang van Durban trok het United Nations Environment Programma aan de alarmbel. Volgens het UNEP wordt het sowieso al moeilijk om de temperatuurstijging van de aarde onder de 2° C te houden. Zelfs als de afspraken van Kopenhagen volledig worden nageleefd, zou de wereldwijde uitstoot in 2020 49 gigaton CO2-equivalent bedragen, terwijl de uitstoot niet boven de 44 gigaton zou mogen uitkomen om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken. In een business as usual-scenario kan de uitstoot tot 53 gigaton oplopen. Nu er pas bindende afspraken komen voor alle landen vanaf 2020, ‘zitten we definitief op het pad naar een temperatuurstijging van meer dan 3 graden’, liet Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) in De Standaard optekenen, daarbij niet gehinderd door de eerder minimalistische klimaatdoelstellingen die de Vlaamse overheid er zelf op na houdt. Woorden zijn makkelijker dan daden, dat is alvast een van de lessen van Durban.

Belgen in Durban
Argus Actueel vroeg aan twee experts die in Durban (een deel van) de klimaatconferentie bijwoonden wat de conferentie heeft opgeleverd en hoe het nu verder moet. Karla Schoeters is programmacoördinator energie- en klimaatbeleid bij VITO. Thomas Bernheim werkt bij het Directoraat-Generaal Klimaatactie van de EU, waar hij zich bezighoudt met internationale emissierechten, lucht- en scheepvaart.

Hoe evalueert u de resultaten van Durban?
Karla Schoeters: ‘Ik maak een onderscheid tussen de resultaten en het proces. Het positieve is dat alle partijen het erover eens zijn dat het VN-proces naar emissiereductie moet worden voortgezet. Anderzijds zit ik met een wrang gevoel. De landen hadden nu iets moeten beslissen, maar ze zijn er niet uitgeraakt. De kans dat we onder de twee graden termperatuurstijging kunnen blijven, is vanuit wetenschappelijk standpunt bekeken zo goed als onhaalbaar geworden. We zullen eerder naar drie graden en de bijbehorende effecten gaan. Maar als de onderhandelingen waren afgesprongen, zoals het er een tijdje heeft naar uitgezien, waren we nog veel verder van huis.’
Thomas Bernheim: ‘Durban vertoont één belangrijk verschil met vorige klimaatconferenties: er is nu een roadmap afgesproken die zou moeten leiden tot voor alle landen bindende akkoorden die in 2020 in voege zullen treden. Je kan stellen dat dat veel te laat is, maar dat betekent niet dat er voor 2020 niets zal gebeuren.’
Waarom is het zo moeilijk om overheden te overtuigen van de wetenschappelijk bewezen urgentie om nú iets te doen aan de CO2-uitstoot?
Karla Schoeters: ‘Dat zijn nu eenmaal de politieke beperkingen van het moment. De kortetermijn domineert over het langetermijngegeven. Het is ook nog altijd een kwestie van ieder voor zich. Wat me stoort is dat het uiteindelijk ook niet meer gaat over een reductie van de emissies, maar steeds meer over geld. Welke transfers van Noord naar Zuid kunnen er komen om adaptatie, technologie-overdracht en mitigatie te initiëren? De doelstelling van Kyoto was de reductie van broeikasgassen en het financiële aspect was daarbij een hulpmiddel. Nu lijkt geld een doel op zich geworden.’
Thomas Bernheim: ‘Er is een verschil tussen wat de wetenschap ons aanbeveelt en wat politiek haalbaar is. We stonden voor Durban veel verder van een akkoord dan erna. In dat opzicht is Durban zeker positief. Maar China kijkt de kat uit de boom, zeker zo lang het Amerikaanse Congres dwarsligt, waar je nog heel wat klimaatsceptici vindt.’
Wat zal er volgens u op emissiegebied nog gebeuren tussen nu en 2020?
Karla Schoeters: ‘Laten we niet vergeten dat er toch al heel wat maatregelen worden genomen, niet alleen bij ons maar ook in de ontwikkelingslanden. China introduceert wel degelijk mitigerende maatregelen. We moeten blijven werken aan het bewustzijn dat de groene economie een enorme toegevoegde waarde heeft en een positieve economische impact. Wellicht zullen er eerder initiatieven ontstaan vanuit een lokale push dan vanuit VN-standpunt. De markten hebben nu ook het signaal gekregen dat emissiereductie op de agenda blijft staan en dat bedrijven niet kunnen wachten tot 2020 om de nodige stappen te zetten.’
Thomas Bernheim: ‘Het is niet omdat er nog geen internationale bindende afspraken bestaan dat er ondertussen niets gebeurt. In Australië is er zopas een systeem van emissiehandel aangenomen dat de emissies zal doen dalen, zij het onvoldoende. De EU zet door om tegen 2020 een emissiereductie van 20% te realiseren, in combinatie met een aandeel hernieuwbare energie van 20%. Het interne debat om verder te gaan dan deze doelstellingen zal opnieuw opflakkeren. De Chinezen bouwen hernieuwbare energie sterk uit. China zal de komende jaren bovendien een systeem van emissiehandel creëren in vier provincies en twee stedelijke agglomeraties. Mijn inschatting is dat China en andere landen pas internationaal bindende doelstellingen zullen aanvaarden wanneer ze er intern klaar voor zijn.’
Ligt hier een opportuniteit voor Europa om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van groene economie en groene groei?
Thomas Bernheim: ‘Europa heeft het voordeel dat het al een wetgeving heeft en de doelstellingen heeft gehaald. Het probleem is dat door de economische crisis de carbonprijs zo laag is dat er geen dynamische innovatie in technologie plaatsvindt en dat bijvoorbeeld in België subsidies worden afgebouwd die de langetermijndoelstelling ondersteunden.’

Gepubliceerd in Argus Actueel, 13/12/2011

Bedreigt de klimaatsverandering de Bordeauxwijn?

Er bestaan minder aangename onderwerpen dan Bordeauxwijn om je in te verdiepen als het gaat over het klimaat. Professor dr. Pieter Leroy (RU Nijmegen) boog zich recentelijk over de mogelijke gevolgen van de klimaatsverandering in zuidwest Frankrijk, de bakermat van appellations als Saint-Émilion, Margaux en Pomerol.

Waarom koos u voor de wijnstreek Bordeaux?

Professor dr. Pieter Leroy: Het klimaatsprobleem is voor veel mensen een ver van mijn bed show. Met de concrete gevolgen van de klimaatsverandering voor een tot de verbeelding sprekend product als Bordeauxwijn hoop ik het dichter bij de mensen te brengen. In Frankrijk is men zich overigens van het probleem bewust. Vorig jaar nam ik deel aan een symposium over klimaateffecten in Bordeaux, waar aspecten als landbouw, energie, water en biodiversiteit aan bod kwamen. Dat vond ik verfrissend, want in Nederland blijft de discussie over de klimaatsverandering en de effecten ervan bijna uitsluitend beperkt tot de gevolgen voor de waterhuishouding. Ik werd uitgenodigd als gastdocent door de universiteit van Bordeaux en mede dankzij het bedrag dat ik vorig jaar won met de Prijs Rudy Verheyen zag ik de kans om er onderzoek te doen in april en mei 2011.

Wat weten we over de klimaatsverandering dat specifieke gevolgen kan hebben voor de wijndruiventeelt?

Het gaat essentieel over twee kwesties: waterproblemen en temperatuursverhoging. Iedere druivensoort gedijt het best binnen een welbepaalde temperatuurszone en dat luistert nogal nauw, heb ik me laten vertellen. De druiven die in de Bourgogne en de Champagne gekweekt worden, zijn bestand tegen lagere temperaturen dan degene die in Bordeaux gebruikt worden. Als de gemiddelde temperatuur zoals wordt voorspeld met één tot twee graden stijgt in de komende vijftig jaar, dreigt een merkbaar verschil in de kwaliteit van de wijn op te treden en kunnen de Bordeauxwijnen in bepaalde jaargangen echte alcoholbommen worden, zeg maar bijna fruitjenevers in plaats van kwaliteitswijnen.

De Bordeaux dreigt dus zwaar te lijden onder de klimaatsverandering?

Zeker omdat men niet zomaar met andere druivensoorten kan experimenteren, want de toegelaten soorten zijn vastgelegd in de regels voor de Appellation d’ Origine Contrôlée. Als je je niet aan die regels houdt, wordt je wijn een Vin de Pays, waarvoor je minder geld kunt vragen. In een streek met wijnmonocultuur als de Bordeaux is dat een ramp die in omvang vergelijkbaar is met de sluiting van de mijnen in de Kempen destijds. Het bewustzijn daarrond leeft alvast in Frankrijk, overigens meer in de Bourgognestreek dan onder de ietwat zelfgenoegzame Bordelezen. Toch kampen nu al ongeveer 2.000 à 3.000 van de ongeveer 8.000 wijnboeren uit de Bordeaux met serieuze financiële problemen. Een slecht wijnjaar kan hen recht naar het faillissement voeren.

Kan een dergelijk klimatologisch doemscenario de Fransen aanzetten om hun milieu-inspanningen op te drijven?

Ik ben ervan overtuigd dat het klimaatbesef in Frankrijk groter is dan bijvoorbeeld in Nederland. Dat heeft te maken met een aantal incidenten van de laatste jaren, zoals Xynthia, de zware storm van vorig voorjaar en de abnormaal hete zomer van 2003, waarbij een groot aantal mensen voortijdig zijn overleden. Dat is nog altijd een bron van nationale schaamte in Frankrijk. De Fransen beseffen terdege dat ze nog heel wat inspanningen moeten leveren op het gebied van waterbeheersing en kustbescherming. Iedereen die ik heb gesproken is ervan overtuigd dat er dringend nood is aan slimme oplossingen, en niet alleen voor de Appellation Contrôlée.

 

Verschenen in Argus Actueel.

Kernenergie na Fukushima Daiichi

De dreiging van een nucleaire ramp in Japan zet de discussie tussen voor- en tegenstanders van kernenergie op scherp. Sommige landen die kernenergie zagen als een manier om hun CO2-voetafdruk te verkleinen, vertonen tekenen van aarzeling.

Niemand kan zeggen hoe erg de situatie in de kerncentrale van Fukushima Daiichi zal escaleren. In eerste instantie was er sprake van een gedeeltelijke meltdown van de reactorkernen van twee, mogelijk drie reactoren. Dat betekent dat de branstofstaven die de nucleaire reactie veroorzaken gedeeltelijk aan de lucht zijn blootgesteld, waarbij radioactiviteit vrijkomt. Dat is het gevolg van een opeenstapeling van gebeurtenissen, die begon met de zware aardbeving en dito tsunami van 11 maart.

De aardbeving zorgde ervoor dat veiligheidssystemen de reactoren 1, 2 en 3 van Fukushima Daiichi automatisch stillegden. Maar een nucleaire reactie kan je niet in een handomdraai stopzetten. Het koelsysteem dat de brandstofstaven moest blijven afkoelen, werkte niet of niet naar behoren. De noodgeneratoren die het koelwater moesten laten circuleren als de stroom uitvalt, werden overspoeld door de tsunami. Daardoor liep de hitte in de reactoren op, moest er radioactief gas worden geloosd, en vonden er al drie ontploffingen plaats door de vorming van waterstof.

Tsjernobyl

Een ramp van Tsjernobyl-afmetingen werd aanvankelijk onmogelijk geacht, want de Japanse reactoren zitten dubbel verpakt in een stalen en betonnen omhulsel. Bij de veel grotere reactor van Tsjernobyl ontbrak een dergelijk omhulsel. Een (gedeeltelijke) kernsmelting betekent wel dat de getroffen Japanse kernreactoren voorgoed buiten dienst zijn. De reactoren zullen de komende weken en maanden blijvend gekoeld worden met zeewater, en het is onvermijdelijk dat daarbij enige radioactieve straling blijft vrijkomen. Buiten de centrale van Fukushima Daiichi en zelfs tot in Tokio wordt nu al een verhoogde radioactiviteit gemeten. Nog zorgwekkender is dat er inmiddels wellicht een breuk is ontstaan in de donutvormgie structuur onder reactor 2, waardoor er permanent damp kan ontsnappen die radioactieve deeltjes bevat.

Er moeten een paar serieuze vraagtekens geplaatst worden bij de keuze van Japan voor kernenergie, bij de manier waarop de centrales zijn gebouwd, en bij het type dat in deze kerncentrale werd geïnstalleerd. Seismoloog Katsuhiko Ishibashi van de universiteit van Kobe formuleerde in 2007 al ernstige bezwaren bij de bouwnormen die gelden voor kerncentrales in seismische risicogebieden. Volgens Ishibashi zijn de Japanse kerncentrales onvoldoende bestand tegen zware aardbevingen. In Japan zijn 55 kernreactoren actief, met een gezamenlijk vermogen van bijna 50.000 MW. Met wat we nu weten, is het zeker in een tsunamigevoelig gebied onverstandig om de noodgeneratoren op een laaggelegen terrein te plaatsen, zoals in de getroffen kerncentrale het geval was.

Ook het type reactor dat in Fukushima Daiichi werd gebruikt, doet vragen rijzen. Uit een document dat The New York Times online zette, blijkt dat er door een medewerker van de Atomic Energy Commission al in 1972 werd gewaarschuwd voor het te kleine omhulsel van de Mark 1-reactoren, wat ze meer gevoelig maakt voor explosies en breuken door een opstapeling van waterstof – precies wat nu lijkt te zijn gebeurd. Een voorstel om het gebruik van deze technologie te verbieden, werd afgeschoten ‘omdat dat het einde van kernenergie zou kunnen betekenen.’ Een woordvoerder van G.E., dat de reactor bouwde, verdedigde ‘het werkpaard van de nucleaire industrie’ deze week tegen kritiek. Op dit ogenblik zijn er nog 23 reactoren van hetzelfde type actief in de VS, al zijn er in vele gevallen wel latere verbeteringen aangebracht aan het oorspronkelijke ontwerp.

Kernenergie, schone energie?

De gebeurtenissen in Japan herinneren ons eraan dat een nulrisico niet bestaat, ook niet bij een zeer gecontroleerde activiteit in een land dat bekend staat om zijn strenge normen en procedures. Wie kernenergie gebruikt, aanvaardt in zekere mate dat er gewerkt wordt met krachten die in zeer uitzonderlijke gevallen moeilijk beheersbaar kunnen zijn en potentieel zeer schadelijk voor mens en milieu.

Vaak wordt kernenergie voorgesteld als de minst slechte oplossing, aangezien aan alles nu eenmaal risico’s zijn verbonden. Kernenergie wordt ook meer en meer naar voor geschoven als een (tijdelijke) oplossing voor de opwarming van de aarde. Met kernenergie kan je inderdaad stroom produceren zonder CO2-uitstoot. Maar in een in 2004 in Scienceverschenen artikel berekenden de Princeton-professoren Stephen Pacala en Robert Socolow dat een verdubbeling van de toenmalige wereldcapaciteit aan kernenergie goed zou zijn voor een daling van de uitstoot aan broeikasgassen met slechts 14%.

De vraag is of het sop de kool waard is, als je er rekening mee houdt dat een verdubbeling in de geproduceerde kernenergie ook een verdubbeling in het geproduceerde afval betekent. Afval dat voor honderden en in sommige gevallen zelfs duizenden jaren gevaarlijk radioactief blijft.

Zorgen voor later

Elk jaar produceren alle kerncentrales ter wereld samen ongeveer 10.000 ton zwaar nucleair afval. In 1990 bedroeg de totaal geaccumuleerde nucleaire afvalberg 84.000 ton, in 2000 was het al 220.000 ton. Tot aan het verbod in 1972 werd nucleair afval eenvoudigweg in vaten in zee gedumpt. Nu kiest men voor veiliger vormen van opslag, maar niemand kan weten welke rampen of oorlogen ons over honderd jaar treffen en risico’s inhouden voor de verspreiding van radioactief afval. Onachtzaamheid is misschien het grootste gevaar.

Uit het laatste rapport van het International Atomic Energy Agency blijkt dat veertien van haar 148 lidstaten geen degelijk beleid voeren rond kernafval. Slechts zeven landen scoren 5/5 op alle onderzochte indicatoren. Een laatste argument van de voorstanders van kernenergie is dat het de beste manier is om ons van betrouwbare elektriciteit te voorzien. Maar recente studies gepubliceerd door WWF en Greenpeace bewijzen dat een honderd procent hernieuwbaar én betrouwbaar energiescenario mogelijk is tegen 2050.

Door de nucleaire catastrofe in Japan is de hernieuwde interesse voor kernenergie bekoeld. De Duitse bondskanselier Angela Merkel schortte haar beslissing over het langer openhouden van kerncentrales met drie maanden op en besloot zeven kerncentrales die voor 1980 werden gebouwd te laten stilleggen . Zwitserland zet de vernieuwing van zijn kernenergieproductie on hold.

Maar Rusland, het land dat de wereld de ergste nucleaire ramp tot op heden schonk, zet zijn ambitieuze programma niet stop, en ook China en India volharden in hun plannen. De statistieken blijven in het voordeel van kerncentrales pleiten, zo luidt het.

Met de tikkende tijdbom kernafval is dat anders. Het feit dat kernenergie in 2012 zijn zeventigste verjaardag zal vieren, terwijl er nog altijd geen degelijke oplossing bestaat over hoe we op lange termijn moeten omspringen met kernafval, zou tot nadenken en handelen moeten stemmen.

Verschenen in Argus Actueel, 15 maart 2011, update 16 maart