Hoe moet het verder met de Vlaamse landbouw?

Elke week zetten circa 24 Vlaamse landbouwbedrijven hun activiteiten stop – en dat al tien jaar lang. De beweging Wervel spreekt over “de ondergang van een landbouwmodel”. Boerenbond pakt binnenkort uit met een nieuwe toekomstvisie op duurzame landbouw in Vlaanderen. Wij brengen alvast de krachtlijnen.

De landbouwcrisis beperkt zich niet tot Vlaanderen alleen. Terwijl er in 2000 nog 61.926 landbouwbedrijven actief waren in België, waren dat er in 2012 nog slechts 38.559 en ondertussen nog een 36.800. Het landbouwareaal nam niet evenredig af: stoppende boerderijen worden doorgaans overgenomen door grotere collega’s. Maar schaalvergroting leidt niet tot een merkbare verbetering in het gemiddelde inkomen van de landbouwers – integendeel. Wanneer boeren stoppen vinden ze maar moeilijk opvolgers omdat hun beroep financieel en sociaal weinig aantrekkelijk is. Heel wat boeren krijgen amper loon naar werken, ze vereenzamen en zien de schulden zich opstapelen. Volgens het jaarverslag 2013 van Boerenbond bedroeg het gemiddelde inkomen van een voltijds werkende boer vorig jaar 23.304 euro, minder dan 2.000 euro per maand dus. Door de stijgende kosten gaat het inkomen van de Vlaamse boer er de laatste jaren steeds verder op achteruit.

Prei met verlies

Wervel vzw, een werkgroep die ijvert voor een rechtvaardige en verantwoorde landbouw, pakt uit met een schrijnendvoorbeeld van een boer die zijn prei met verlies moet verkopen. Volgens Wervel geen alleenstaand geval. De productie van een bussel prei kost deze boer 0,44 euro per kilo, maar hij ontvangt er slechts 0,20 euro voor, terwijl de consument in de supermarkt 1,70 euro betaalt. Hoe zijn zulke uitwassen mogelijk? Campagnecoördinator en bio-ingenieur Veerle Devaere licht toe: “Omdat de Vlaamse boeren vaak dezelfde producten telen, die uiterlijk hetzelfde lijken, maar verschillen door teelttechniek en bodem, kunnen ze door de grootdistributie tegen mekaar uitgespeeld worden. De doorgedreven specialisatie van boeren vergt aanzienlijke investeringen en brengt grote risico’s met zich mee. Boeren staan bovendien in een zwakke positie: ze zijn sterk afhankelijk van het weer, dat bepaalt of ze een goede of slechte oogst hebben. Ze verkopen niet rechtstreeks aan de consument, maar aan tussenschakels zoals veilingen of supermarktketens. Omdat boeren verse producten leveren, kunnen ze niet wachten op betere prijzen. Ze hebben geen macht over de prijszetting.” Uit de probleemanalyse die Wervel maakt, blijkt meteen ook welke oplossingen ze naar voren schuiven: een boer moet zijn teelten diversifiëren, een meer rechtstreekse relatie met de consument ontwikkelen en trachten de eigen producten meer identiteit of een meerwaarde te bezorgen. Dat kan bijvoorbeeld via een eigen methode, opteren voor een streekproduct of zorg voor de natuur. “Vlaanderen is zo sterk verstedelijkt dat het niet doenbaar is om in te zetten op echt grootschalige landbouw”, zegt Veerle Devaere. “Grootschalige landbouw is ook in onze buurlanden de oorzaak van de stopzetting van boerenbedrijven. Boeren kunnen zich niet meer van elkaar onderscheiden, ze creëren geen meerwaarde meer.”

Consumenten

Veerle Devaere ziet tal van mogelijkheden voor rechtstreekse verkoop aan de consument, maar beseft ook dat die aanpak niet voor elke boer is weggelegd. “Goede prijsafspraken met ketens via een coöperatie kunnen boeren helpen om een eerlijke prijs te krijgen voor hun producten. Een diversiteit aan boeren is belangrijk om een rijk en gezond aanbod aan voedsel te garanderen.” Wervel wil consumenten bewuster maken van de situatie van boeren en van de rol van de grootdistributie. “Wanneer consumenten bewust lokaal consumeren en supermarkten onder druk zetten om boeren een eerlijke prijs te betalen – een prijs die niet alleen de kosten dekt maar de boer ook een inkomen bezorgt – dan is er sprake van een toekomst voor een landbouw met boeren. Zelfs in de supermarkt.” Andere manieren om tot een beter inkomen voor landbouwers te zorgen, zijn samenwerkingen tussen consument en boer. Via Community Supported Agriculture (CSA) weet de boer zich verzekerd van een inkomen, want consumenten betalen voor een jaar lang landbouwproducten nog voor de boer ze zaait of kweekt. Viavoedselteams, groenten- en fruitpakketten en andere korte-keteninitiatieven leveren sommige boeren nu al rechtstreeks aan individuen en buurtverenigingen. In een zelfplukboerderij doen consumenten een deel van het werk. Andere boeren stellen hun serres of hun kennis ter beschikking van consumenten die de handen uit de mouwen willen steken. Zo ondervinden ze aan den lijve hoeveel tijd en zorg een boer aan voedsel besteedt. In haar campagne ‘Boer zkt loon‘ gaat Wervel op zoek naar consumenten met LEF (Lokaal, Ecologisch en Fair). “We willen mensen aanmoedigen om te kiezen voor een lokale voedselproducent en daar de meerwaarde te proeven die deze boer hen biedt met plukverse groenten en fruit of andere producten zoals graan, zuivel en vlees. Door met LEF te kiezen, krijgt de boer een eerlijk aandeel, kan hij zijn eigen boontjes weer doppen en bouwen we ‘Fairtrade’ ook lokaal bij ons uit.”

Ketenoverleg

Boerenbond, de beroepsorganisatie van de land- en tuinbouwers, ontwikkelt tal van initiatieven om boeren beter te wapenen tegen de (over)macht van de distributie en om hen te helpen een hoger inkomen te realiseren. HetInnovatiesteunpunt leert boeren onder andere efficiënter te werken, hogere rendementen te halen met minder input, werk te maken van hoeveverkoop en in te spelen op andere actuele trends. Via het Ketenoverleg is de landbouwersorganisatie sinds 2010 in dialoog met de grootdistributie en de voedingsindustrie zodat boeren een faire prijs voor hun producten krijgen. Er is op minder dan vier jaar tijd al heel wat gerealiseerd. Alle supermarktketens actief in België, met uitzondering van Aldi, ondertekenden de gedragscode van het ketenoverleg. Bijna honderd bedrijven die samen goed zijn voor 75% van de voedingsindustrie, deden hetzelfde. “Elke schakel in de keten engageert zich om te handelen in een context van duurzame ontwikkeling, met oog voor economische duurzaamheid”, stelt Marc Rosiers, verantwoordelijk voor Ketenoverleg bij Boerenbond. Deze afspraken op sectorniveau moeten zorgen voor een versterking van de macht van de boeren op het gebied van producentenprijzen. In samenwerking met de FOD Economie worden er bijvoorbeeld maandelijkse brutomarges voor de rundvleessector opgesteld, die prijsonderhandelingen in een objectieve sfeer laten plaatsvinden. Zulke initiatieven geven de meer dan 36.000 boeren een grotere hefboom in de onderhandelingen met de zestien bedrijven in de grootdistributie en het honderdtal in de voedingsindustrie. Behoort het schrijnende voorbeeld van de verlieslatende preiboer van hierboven dan weldra voorgoed tot het verleden? “Voor een individuele boer kunnen wij niet onderhandelen, maar als zo’n situatie jaar na jaar en maandenlang voor een hele sector geldt, zullen we zeker heronderhandelen over een correcte producentenprijs. Boerenbond streeft naar een marktgebeuren waar zoveel mogelijk leefbare landbouwbedrijven aan kunnen participeren”, legt Marc Rosiers uit. Het belangrijkste wat boeren kunnen doen, is zich verenigen in producentenorganisaties en coöperaties. “En zelfs dan is het moeilijk om macht te verwerven in de markt”, stipt Rosiers aan. “Ondanks een omzet van bijna een half miljard euro is de veiling BelOrta (de samensmelting van de Mechelse en Borgloonse Veilingen, red.) slechts goed voor 3% van de Europese markt.”

Moeder, waarom exporteren wij?

Het Ketenoverleg geldt alleen binnen België, terwijl de Belgische landbouw sterk exportgericht is. Veilingen zetten 80% af in het buitenland, de varkenssector exporteert 60% van zijn productie. Zou het niet verstandiger zijn als de Belgische landbouw zich vooral op de thuismarkt zou richten? “Zeker niet. Als we niet meer zouden inzetten op export, dan zullen we pas een waar slagveld aan faillissementen zien. Dan moeten we op slag de helft van de bedrijven sluiten. Boerenbond blijft onze historische netto-exportpositie, gebaseerd op kwaliteitsdifferentiatie, verdedigen. Wij blijven geloven dat Vlaanderen in Europa een niche kan zijn. In bulk om de bulk geloven we niet, maar historisch is Vlaanderen altijd sterk geweest in niet-grondgebonden, intensieve landbouw. Er zijn overigens maar vier regio’s met een gelijkaardig netto-export-profiel in Europa: Nederland, Denemarken, Bretagne en Rijnland-Westfalen.” Marc Rosiers is ervan overtuigd dat de Belgische landbouw nationaal en internationaal het verschil kan maken met gecertificeerde kwaliteit en een nadruk op duurzaamheid. “Tegenwoordig is duurzaamheid nog te vaak vooral een marketingverhaal. Wij zijn volop bezig om van meetbare duurzaamheid een vast onderdeel te maken in onze lastenboeken. Hierbij brengen we zowel economische, ecologische als maatschappelijke aspecten in rekening. In de plantaardige productie zetten we bijvoorbeeld in op integrated pest management: een reductie van gewasbeschermingsmiddelen. In de dierlijke productie stimuleren we de vrijwillige vermindering van het antibioticagebruik en aspecten van dierenwelzijn, zoals oppervlaktenormen voor stallen en het niet onverdoofd castreren van biggen. Ik denk ook aan vormen van precisielandbouw, het niet gebruiken van bepaalde meststoffen…”

Duurzame landbouw

Die groter wordende nadruk op duurzaamheid past in een breder geheel. Op 27 mei presenteert Boerenbond zijn nieuwe visie: Inzetten op duurzame groei. Peter Van Bossuyt, verantwoordelijk voor de redactie van de visienota, licht voor ARGUS al een tip van de sluier op. “Boerenbond wil het beroep van landbouwer terug aantrekkelijker maken door onder andere in te zetten op diversificatie, het ontwikkelen van een betere relatie met de consument en door de boer actiever in te zetten voor natuurbeheer.” Diversificatie betekent dat er in de toekomst meerdere landbouwmodellen naast mekaar zullen bestaan, zegt Van Bossuyt. “Het is een én-én-verhaal. Enerzijds blijven we geloven in groeibedrijven die mikken op schaalvoordeel en op duurzame intensivering. Anderzijds kijken we naar meer kleinschalige bedrijven die inspelen op hun leefomgeving. Daarin past het huidige streven naar stadslandbouw, al vullen wij die term anders in dan anderen. Tussen de twee genoemde modellen liggen trouwens nog veel varianten.” Met “stadslandbouw” heeft Peter Van Bossuyt het niet over moestuintjes in de stad, maar doelt hij op het potentieel van ongeveer een derde van de Vlaamse landbouwbedrijven die zich in en om verstedelijkte gebieden bevinden. “We zullen daarbij inzetten op de korte keten en erover waken dat die economisch rendabel is.” De groeibedrijven zullen mikken op “meer met minder”: meer output met minder input. Van Bossuyt licht toe: “Deze groeibedrijven zullen meer melk, groenten of vlees produceren met minder gebruik van grondstoffen per eenheid geproduceerd product. Er is zeker nog ruimte voor verbetering: zo kunnen we in de veeteelt de uitstoot van broeikasgassen nog verder verminderen, bijvoorbeeld door een betere voederconversie. In de akkerbouw willen we ernaar streven om de milieudruk te verkleinen door nog meer doelgericht meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. We willen onze eiwitten ook meer lokaal telen waardoor de import in sojavorm uit Zuid-Amerika wordt afgebouwd.” Van Bossuyt benadrukt daarnaast dat het niet allemaal slecht nieuws is wat de klok slaat in de Vlaamse landbouw. “Het klopt dat er heel wat uitstroom is uit het vak door boeren die hun bedrijf stopzetten. Maar er is ook wel instroom, bijvoorbeeld van mensen die in landbouwbedrijven te werk zijn gesteld en zelf gaan boeren, of die er op een kleinschalige manier aan beginnen, bijvoorbeeld met een CSA-boerderij. Het gaat niet over grote aantallen, maar het zijn wel mensen die we kansen moeten geven in de land- en tuinbouw en waarvoor een wettelijk kader moet worden geschapen.”

LATTE-principe

De Vlaamse landbouw zal volgens Van Bossuyt slechts overleven als ze zich onderscheidt en topkwaliteit levert. “Wij willen ons richten op de 300 miljoen consumenten die binnen een straal van 500 km leven. We willen ons onderscheiden met innovativiteit en kwaliteit, niet met bulk. We kiezen voluit voor het LATTE-principe (Lokaal, Authentiek, Traceerbaar, Trouwhartig en Ethisch, waarbij ‘Trouwhartig’ staat voor kwalitatief en duurzaam, red.). Produceren voor consumenten in verder gelegen regio’s sluiten we daarbij niet uit, maar ook dat zal alleen maar lukken door in te zetten op kwaliteit. Meer dan tien jaar geleden waren we al blij dat er Belgische peren in Rusland werden verkocht. Nu moeten we er de Poolse peren verslaan met onze betere kwaliteit.” Veerle Devaere van Wervel vindt dat een op export gerichte landbouw zoals die in Vlaanderen bezwaarlijk het etiket ‘duurzaam’ kan dragen. “Het is niet duurzaam om vers voedsel dat veel water bevat te exporteren over lange afstanden en zo te concurreren met boeren in het buitenland.”

 

 

 Verschenen op Argus Actueel, 21 mei 2014

Europese klimaatambities zijn haalbaar, betaalbaar én strekken tot navolging

De milieubeweging noemt het Europese klimaatakkoord te weinig ambitieus. Jos Delbeke, de architect van het klimaatplan, verdedigt zijn visie.

De verenigde milieubeweging reageert eensgezind afwijzend op de aangekondigde Europese klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030: 40% minder uitstoten dan in 1990 en minstens 27% hernieuwbare energieproductie, zonder bindende nationale doelstellingen.

Waarom maakt Europa deze keuzes? Is het niet mogelijk om nog verder te gaan? Niemand is beter geplaatst om toelichting te geven bij de aanpak van de EU dan Jos Delbeke. Als directeur-generaal van het DG Climate Action geldt hij als de architect van het het klimaatplan.

Begrijpt u de teleurgestelde reacties van de milieubeweging op de nieuwe EU-kaderregeling?

Jos Delbeke: “Ik begrijp dat de milieubeweging niet helemaal tevreden is, maar de scherpte van de reacties heeft me verwonderd. Als beleidsinstelling moeten wij niet alleen voor- én tegenstanders aan boord houden, maar vooral kiezen voor haalbare doelstellingen. In onze impact assessment speelt kostenefficiëntie een grote rol. 40% minder uitstoot tegen 2030 is niet niks en het kan bovendien aan een aanvaardbare kost voor de consument. 55% minder uitstoten is natuurlijk perfect mogelijk, maar alleen tegen significant hogere kosten omdat we dan zouden moeten investeren in duurdere vormen van hernieuwbare energieproductie en energie-efficientie. Dat zou tot een verdubbeling van de energiefacturen kunnen leiden en dat is onaanvaardbaar voor onze concurrentiepositie.”

Dreigen de nieuwe doelstellingen niet de deur wijd open te zetten voor de nucleaire lobby? Je kan veel zeggen over kernenergie, maar CO2 uitstoten doet het niet.

Jos Delbeke: “Tot nog toe hebben wij ons neutraal opgesteld tegenover nucleair: niet openlijk tegen, niet openlijk voor. Maar de bouw van nieuwe en de voortzetting van oude nucleaire installaties beschouwen wij niet als de ideale situatie. Meer nog: dat is net wat we trachten te vermijden. Energiebesparing en hernieuwbare energie zijn en blijven voor ons de belangrijkste maatregelen. Inzetten op 27% hernieuwbare energie voor het energiesysteem als geheel, betekent overigens dat zowat de helft van de elektriciteit tegen 2030 uit hernieuwbare bronnen zal worden geproduceerd.”

De doelstelling van ten minste 27% hernieuwbare energieproductie op EU-niveau, zonder bindende doelstellingen per lidstaat, stoot op kritiek. Wat is de filosofie erachter?

Jos Delbeke: “De doelstelling blijft bindend op EU-niveau. Ten minste betekent trouwens dat het ook meer mag zijn. Het cijfer 27% is gebaseerd op een aanvaardbare kostprijs van energie voor de consument, maar als wind- en zonne-energie nog goedkoper worden, zal er nog meer hernieuwbare energie geproduceerd worden. Onze belangrijkste bedoeling is overal de hernieuwbare energie aan te boren die het goedkoopste is: windenergie waar het meeste wind is, zonne-energie waar het meeste zon is, geothermie waar het potentieel het hoogst is en zo voort. Dat zijn zaken die we in de toekomst op Europees niveau willen vastleggen. Een breuk met 2007-2008, toen hernieuwbare energie nog een nicheproduct was. Vandaag is hernieuwbare energie goed voor 13% van de energieopwekking. In Europa staat 44% van de wereldcapaciteit aan hernieuwbare energie opgesteld. Hernieuwbare energie is mainstream geworden en we moeten ze inpassen in onze Europese markt.”

Wat zal er gebeuren met de subsidies voor hernieuwbare energie?

Jos Delbeke: “We gaan orde brengen in de wildgroei. De subsidiëringsintensiteit van het verleden kan niet volgehouden worden. We schatten dat Vlaanderen alleen de komende 15 jaar circa 2 miljard euro per jaar zal moeten betalen voor beloftes uit het verleden. In Duitsland gaat het over 25 miljard euro per jaar, in Spanje zijn de cijfers vergelijkbaar. Dat is veel geld. We kunnen niet terugkomen op beloftes uit het verleden, maar we zullen toekomstige installaties niet zo zwaar blijven subsidiëren. Dat hoeft ook niet, want de kosten voor zonne- en windenergie zijn spectaculair gedaald. We zijn ervan overtuigd dat we veel meer hernieuwbare energie kunnen installeren met veel minder steun.”

Mikken op 40% emissiereductie tegen 2030, dat betekent dat we tussen 2030 en 2050 nog tussen de 45 en de 60% moeten reduceren, terwijl het laaghangend fruit dan al lang geplukt is. Dreigen we het probleem door te schuiven?

Jos Delbeke: “Toch niet. Sinds we in 2005 begonnen zijn met serieuze maatregelen tegen de klimaatverandering, is de kapitaalinfrastructuur van Europa aan het wijzigen. De inspanningen die bedrijven doen om emissies terug te dringen zijn indrukwekkend en de nieuwe technologieën die minder uitstoot veroorzaken worden volop uitgerold. Een mooi voorbeeld is de auto-industrie, die nu betaalbare voertuigen aanbiedt die de helft tot een derde minder uitstoten dan hun voorgangers. Er verstrijkt minstens tien jaar tussen het maken van het beleid en de productie van de nieuwe technologie en nog eens tien jaar voor iedereen zijn oude auto vervangen heeft. Ook voor andere producten en sectoren beginnen we de ontwikkelingsfase van de CO2-arme technologie achter ons te laten, met twee uitzonderingen: transport en gebouwen.”

Hoe denkt u de emissies in de transportsector en door gebouwen aan banden te leggen?

Jos Delbeke: “Wat gebouwen betreft: we leven op een continent met veel oude infrastructuur en die renoveren is een werk van lange adem. Er is nog veel werk aan sensibilisering en bouwwetgeving. Scandinavische landen zoals Denemarken of Zweden zijn wat dat betreft gidslanden, die een heel agressief beleid voeren om woningen energieneutraler te maken.”

“De toenemende transportvraag doet veel emissiebesparingen teniet uit andere sectoren. In dit verband is Zwitserland een voorbeeld, met zijn uitgewerkt openbaar vervoersnetwerk. In België worden stappen gezet naar fiscale maatregelen voor milieuvriendelijke bedrijfswagens, maar nog te veel met mondjesmaat, zeker in vergelijking met Zweden en Noorwegen. Die laatste voorbeelden leren ons overigens dat het niet alleen draait om fiscale maatregelen, maar ook om het voorzien van infrastructuur en het aanbieden van transportdiensten in steden.”

Ondertussen blijft de luchtvaartsector onverstoord CO2 uitstoten.

Jos Delbeke: “Wat we tot nog toe hebben bereikt is inderdaad niet voldoende. Maar het debat gaat verder. Van de International Civil Aviation Organization hebben we de belofte dat we tegen 2016 een wereldwijd emissiehandelsysteem zullen uitwerken. Nieuwe vliegtuigen zijn tot 30% energiezuiniger, maar de verwachte groei van het luchtverkeer zal wellicht de toegenomen efficiëntie uitwissen. Vliegtuigen zullen nog een hele tijd op kerosine blijven vliegen, ondanks creatieve initiatieven van onder andere onze Belgische Solvay met het zonnevliegtuig. Voor CO2-arme luchtvaart een feit is, zijn we toch alweer 25 jaar verder en dat is frustrerend lang.”

Over emissiehandel gesproken: is dat de achillespees van het klimaatbeleid? Hoe kunnen we er in slagen om een correcte prijs aan te rekenen voor CO2 en zo de transitie naar een hernieuwbaar energiesysteem in een stroomversnelling brengen?

Jos Delbeke: “De Commissie is er sterk van overtuigd dat het EU Emissions Trading System het best mogelijke systeem is voor de sector van de energieproductie en voor de energieverbruikende bedrijven. Het kelderen van de ETS-prijzen door de crisis en de import van Kyoto-credits heeft tot een bezinning geleid. Ondertussen bestaat er een draagvlak voor hogere CO2-prijzen. We zijn de kaap van de 6 euro per ton voorbij en ik hoop dat we snel naar een betekenisvolle prijs van 15 à 25 euro per ton kunnen evolueren die de bedrijven zal aanmoedigen om CO2 te besparen. Het blijft een delicate oefening, want we willen bekomen dat bedrijven investeringen doen om minder uit te stoten, en vermijden dat de chemie-, staal- en cementindustrie Europa verlaat om elders meer te gaan uitstoten. Het komt erop aan onze bedrijven technologie te laten ontwikkelen en ze daarbij te belonen en misschien zelfs te subsidiëren. Als we daarin blijven slagen, zal de rest van de wereld die technologie overnemen.”

Is dat de achterliggende strategie: marktleider worden in koolstofarme technologie?

Jos Delbeke: “Vandaag is Europa goed voor 10% van de werelduitstoot aan CO2. Het is zo weinig omdat het economisch gewicht van Europa in de wereld is afgenomen, maar ook omdat wij een beleid voeren om onze uitstoot te doen dalen. Maar wat we ook doen, met onze 10% zullen we de klimaatsverandering niet onder controle krijgen. Wat we wel kunnen is technologie ontwikkelen die in de rest van de wereld gekopieerd kan worden. We kunnen experimenteren met nieuwe beleidsvormen, zoals de ETS. Ik zie zeer gunstige tekenen dat beide strategieën hun vruchten afwerpen. De emissiehandel die op dit moment in China wordt uitgevoerd, is een kopie van de Europese. Het duurt tien jaar voor de effecten daarvan zichtbaar zullen worden, maar het is een radicale wijziging en die kaap is genomen. De Europese standaarden voor auto’s worden wereldstandaarden omdat onze auto’s first class zijn. De evolutie naar een koolstofarme economie, dat is wat wij kunnen bijdragen voor de wereld. Tussen 1990 en 2010 is het Europese BNP gestegen met 45%, terwijl de CO2-uitstoot is gedaald met ongeveer 20%. We zijn erin geslaagd om economische groei en uitstoot van elkaar los te koppelen. Pas als de hele wereld daarin slaagt, kunnen we de klimaatwijziging onder controle krijgen.”

Wat verwacht u van de klimaattop in Parijs volgend jaar?

Jos Delbeke: “Wij hopen met ons pakket maatregelen het signaal te geven dat wij ons huiswerk gemaakt hebben en we hopen van de andere grote spelers hetzelfde. Als de twintig meest vervuilende regio’s een akkoord kunnen bereiken, kunnen we 80% van de uitstoot in de wereld onder controle krijgen. Een Kyoto-achtige overeenkomst verwacht ik niet, de opkomende industrielanden en de VS zijn niet enthousiast over zo’n strak keurslijf aan maatregelen. Het lijkt me belangrijker en haalbaarder dat alle landen en regio’s hun doelstellingen op tafel leggen en dat we die in een institutioneel keurslijf gieten.”

 Verschenen in Argus Actueel, 11 februari 2014

Antwerpen wil vuile voertuigen verbannen

Het Antwerpse stadsbestuur bereidt een plan voor om oude en dus meestal zwaar vervuilende voertuigen uit de stad te bannen. Het sluit zo aan bij een peloton van 200 Europese steden met een lage-emissiezone. De maatregel verlengt de levensduur van de kernstadbewoner met 25 dagen.

 

Luchtvervuiling en fijnstof kosten Vlamingen één tot drie jaar van hun leven, berekende de Wereldgezondheidsorganisatie. In de grootste steden blijft de luchtkwaliteit, ondanks de vooruitgang die de laatste decennia geboekt is, het slechtst en zijn de gevolgen voor de gezondheid het ergst. Sinds 1996 voerden bijna 200 Europese steden daarom lage-emissiezones in: stadsgebieden waar het gebruik van de meest vervuilende voertuigen wordt verboden – Parijs zal bijvoorbeeld auto’s bannen die ouder zijn dan zeventien jaar. In sommige steden gebeurt de controle met nummerplaatherkenning, in andere zien parkeerwachters toe op de naleving.

In 2011 daagde de Europese Commissie België nog voor het Europees Hof van Justitie omdat ons land ondanks aanmaningen blijft verzuimen om paal en perk te stellen aan de ‘buitensporige emissies’ van fijnstof. Dokter Wouter Arrazola De Onate, medisch directeur van de Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg, pleit voor actie: ‘Door het drukke verkeer en de ruimtelijke wanorde is de luchtkwaliteit overal in ons land erbarmelijk. Het vergt veel politieke moed om dat probleem ten gronde aan te pakken. Maar lage-emissiezones invoeren is vrij eenvoudig en heeft een onmiddellijk positief effect op de bewoners van de zone. Toch gaan kortzichtige economische belangen blijkbaar nog altijd voor op de gezondheid van de mensen. Terwijl minder luchtvervuiling grote positieve economische gevolgen kan hebben. De luchtvervuiling kost ons volgens het Europees Milieuagentschap tussen de 3,8 en de 5,2 miljard euro per jaar – die cijfers zijn gebaseerd op wetenschappelijke analyses van de kosten van ziekte, consultaties, medicatie, werkverzuim, verminderde productiviteit en vroegtijdig overlijden. Een Antwerpenaar verliest ongeveer 1,7 jaar van zijn leven door blootstelling aan fijnstof.’

Stilaan komt er beweging in de zaak. Onlangs vond er overleg plaats tussen het departement leefmilieu en de milieudiensten van Gent en Antwerpen. Gent is bereid om een emissiezone in te voeren, op voorwaarde dat de Vlaamse regering eerst een initiatief neemt, bevestigt schepen van Mobiliteit Filip Watteeuw (Groen). Ook in Antwerpen haalde de gefaseerde invoering van een lage-emissiezone het bestuursakkoord, dat de sociale baten van een milieuzone ‘immens’ noemt. Een concrete startdatum is er nog niet. ‘De lage-emissiezone komt er zeker. Als het aan ons ligt, is de invoering ervan nog voor deze ambtstermijn’, zegt Bert Corluy, kabinetschef van schepen van Leefmilieu Nabila Ait Daoud (N-VA). Al houdt hij een slag om de arm. ‘Een emissiezone voer je niet zomaar op een blauwe maandag in. Het is een kwestie van goede communicatie en de nodige verkeersborden en regels.’

Gezondheidskosten

De haalbaarheidsstudie voor een emissiezone in Antwerpen is klaar sinds november 2012. Ze voorspelt een gemiddeld verlengde levensduur van 25 dagen voor de inwoners van de kernstad wanneer de emissiezone er komt, wat de gezondheidskosten met 200 miljoen euro zou kunnen verminderen. De invoering van een emissiezone kost de overheid 5 à 8 miljoen euro. De kosten voor de gebruikers schommelen rond de 120 miljoen euro. ‘We kunnen spreken van een maatschappelijk rendabel project’, klinkt het in de haalbaarheidsstudie.

Is de vertraging in België een gevolg van lobbywerk van de transportsector? Lode Verkinderen, secretaris-generaal van Transport & Logistiek Vlaanderen, ontkent. ‘Om de zes jaar, bij de gemeenteraadsverkiezingen, klinken er pleidooien voor emissiezones. Daarna hoor je er niets meer van. Wij zijn niet per se tegen lage-emissiezones, maar ze zijn alleen doeltreffend als je ze niet alleen voor vrachtwagens maar ook voor personenwagens invoert. Door de voortdurende vernieuwing van ons wagenpark en de uitfasering van oude dieselmotoren voor vrachtwagens lost het probleem binnen enkele jaren zichzelf op. Als we het wagenpark toch vervroegd moeten vernieuwen, zal dat extra kosten meebrengen.’

Spieken bij de buren

Achterophinken heeft één groot voordeel: je kunt de lopende projecten in Europa als inspiratie gebruiken. In Groot-Londen is sinds 2008 een Low Emissions Zone ingevoerd om de meest vervuilende dieselvoertuigen uit de stad te weren. De normen worden sinds 2008 geleidelijk verstrengd, en gelden nu ook al voor bepaalde terreinwagens. Maar het kan nog strenger. Zo zijn er al twee Italiaanse emissiezones waar dieselauto’s gebouwd vóór 2006 tussen 8.00 en 20.00 uur niet binnen mogen.

De emissiedalingen in milieuzones zijn indrukwekkend, blijkt onder andere uit een beleidspaper van het Steunpunt Goederen- en Personenvervoer van de Universiteit Antwerpen. Door de invoering van de Umweltzone werd in Berlijn in 2008 maar liefst 21 procent minder fijnstof uitgestoten dan verwacht, en zelfs 36 procent in 2009. Bovendien werd de Europese fijnstofdagnorm er tien tot vijftien keer minder overschreden dan voordien. In Stockholm leidde de invoering van een milieuzone tot 20 procent minder voertuigen in de stad en beduidend minder files. De eerst erg sceptische bevolking – 70 procent was aanvankelijk tegen – draaide bij: in 2011, vijf jaar na de invoering, was 70 procent voor een milieuzone.

‘Er bestaat niet één wondermiddel om de luchtvervuiling in stedelijke gebieden verder te doen dalen’, zegt Frans Fierens, wetenschappelijk medewerker bij de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). ‘Maar lage-emissiezones invoeren, is wel een van de meest efficiënte maatregelen om daartoe bij te dragen. Uit studies blijkt dat je niet alleen het vrachtvervoer moet beperken, maar ook de personenwagens. In een stadsgewest veroorzaken die relatief meer stikstofdioxide- en fijnstofuitstoot dan zware vrachtwagens, zo blijkt uit de cijfers van het Brussels Gewest.’

Dé voorbeeldstad op dit vlak is Stockholm. Fierens: ‘Het Stockholmsysteem, waar elke auto moet betalen om de stad binnen te rijden, slaat twee vliegen in één klap: het zorgt niet alleen voor minder luchtvervuiling, maar ook voor gevoelig minder files. Het beste systeem is misschien wel slim rekeningrijden, waarbij rekening wordt gehouden met het type voertuig, de plaats waar je rijdt en het tijdstip waarop je dat doet. Wie met een heel vervuilende wagen in de spits naar het centrum wil, betaalt meer dan wie met een schonere wagen buiten de spits rondrijdt.’

Eind vorige week ontving het kabinet van staatssecretaris voor Mobiliteit Melchior Wathelet een brief van het kabinet-Schauvliege waarin wordt gevraagd om een wettelijk kader te ontwerpen voor de invoering van lage-emissiezones. ‘Dat lijkt ons een haalbare kaart’, klinkt het bij Wathelet. ‘We bestellen nu eerst een studie bij het BIVV om te kijken hoe een en ander in de buurlanden is aangepakt en hoe we dat naar ons land kunnen vertalen. Vervolgens moeten we samenzitten met de verschillende gewesten om de aanpak op elkaar af te stemmen.’

http://lowemissionzones.eu

 

Verschenen in Knack, 5 juni 2013

De wedergeboorte van tapijt

De tapijtsector in ons land verkeert al jaren in crisis. Desso vormt daarop een uitzondering, dankzij zijn Cradle to Cradle-processen en doorgedreven robotisering.

Pierre Van Trimpont heeft een lange staat van dienst in de textielindustrie, onder andere bij Associated Weavers en Sioen. In 2007 verwierf hij een belang in Desso en ging er als coo aan de slag. Momenteel is hij advisor to the board op het gebied van nieuwe technologieën. De Nederlands-Belgische tapijtgroep heeft in ons land 370 mensen in dienst, wereldwijd 880 en realiseert een omzet van 222 miljoen euro (2012).

Wat verklaart het succes? Pierre Van Trimpont: ‘In de eerste plaats het feit dat we ons niet kapot concurreren in de sector van het kamerbreed tapijt, maar een nichespeler zijn die hoogtechnologisch tapijt maakt voor gespecialiseerde sectoren: ultralicht voor de luchtvaart, speciaal gecertificeerd voor de cruise-scheepvaart, fijn stof absorberend voor hypo-allergene toepassingen, hybride gras voor topsportarena’s. Ons Light Reflection Master-tapijt weerspiegelt het licht en zorgt voor een besparing van 10% in het energieverbruik voor verlichting. Als specialist zijn we rendabel. Als we mainstream proberen te zijn, krijgen we klappen, zoals ons met kunstgras is overkomen.’

De lus sluiten

Innovatie is voor Desso de jongste jaren synoniem voor Cradle to Cradle (C2C). Vandaag wordt afvalwater al strenger dan de norm gezuiverd, 4% van de energie wordt met eigen zonnepanelen opgewekt en voor de rest van de elektriciteit wordt groene stroom aangekocht. Het garen en een deel van de rug van de tapijttegels zijn al volledig recycleerbaar. C2C is niet iets dat Desso alleen maar doet uit bekommernis voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Pierre Van Trimpont: ‘Onze klanten dragen duurzaamheid hoog in het vaandel. Ons C2C Silver-certificaat geeft ons een competitief voordeel. Met Cradle to Cradle lopen we voor de bal, maar we kunnen niet eindeloos grondstoffen blijven weggooien. We moeten de lus nu sluiten. C2C dwingt ons onze producten en productieprocessen te herdenken.’

Als doctor in chemical engineering bevindt Van Trimpont zich op vertrouwd terrein. ‘Polyamide 6, een soort nylon, is volledig ontbindbaar in zijn monomeren. Je kunt van zo’n oude polyamide chemisch een volledig nieuwe maken. Desso produceert nu al tapijt op basis van het Econyl-garen van Aquafil, 100% gerecycleerd uit oud tapijt en ander industrieel afval op basis van polyamide 6.’

De recyclage van tapijttegels is nog niet economisch rendabel, onder andere door de grote concurrentie van de verbrandingsovens en de beperkte hoeveelheid oud tapijt die Desso uit de markt haalt.

Strategic Account Manager Erik De Bisschop: ‘Ovam en de politiek dragen hierin een grote verantwoordelijkheid. Wij hanteren concurrentiële verwerkingsprijzen om tapijt te recycleren, terwijl de kostprijs hoger ligt. In Vlaanderen betaal je ongeveer 130 euro per ton om afval te verbranden, in Wallonië 110 euro, maar in Brussel wordt soms gebradeerd tot 85 euro per ton. Die afvalstroom moet koste wat het kost gestopt worden, want niemand is erbij gebaat. Ik zeg altijd: je mag met petroleum alles doen, behalve het verbranden.’

C2C drijft Desso ook naar een nieuw businessmodel: tapijt verhuren in plaats van verkopen.

De Bisschop: ‘Samen met onze partner Composil hebben we de oplossing gevonden. Zij verhuren tapijt aan hun klanten, onderhouden het en bezorgen het ons uiteindelijk terug. De klant heeft perfect onderhouden tapijt waar hij maandelijks een klein bedrag voor betaalt in plaats van het aan te kopen. Het kost hem alles samen zelfs minder. En wij krijgen uitstekend recycleerbaar tapijt binnen.’

Desso innoveert ook door robotisering, een project dat 4,6 miljoen euro kostte. Twee robots laden de bobijnen voor de tuft- en weefmachines in grote rekken, waarna robotwagentjes ze naar de machines vervoeren. De robots vervangen repetitief werk, terwijl de machines minder lang stil liggen.

Robots

‘Waarom is de tapijtindustrie nog aanwezig in België en de confectie niet meer?’, doceert Van Trimpont. ‘We zijn als productieland vergroot in volume en de op een na grootste producent ter wereld geworden, na de Verenigde Staten. In dezelfde vlucht hebben we massaal geautomatiseerd om de loonkostencomponent steeds verder te laten dalen. De robots worden steeds intelligenter, onze processen worden energie-armer en we zijn binnenkort veel minder afhankelijk van buitenlandse grondstoffen.’

Betekent robotisering niet automatisch minder werkgelegenheid? ‘Robotisering kan in onze branche niet leiden tot meer tewerkstelling. Wij slagen er wel in om onze mensen te houden omdat we verder blijven groeien en omdat we onze mensen voortdurend herscholen. De enige uitzondering hierop was de reorganisatie van de kunstgrasafdeling.’

Wat brengt de verdere toekomst? Van Trimpont: ‘We zullen minder water gebruiken en onze processen steeds droger maken. We zullen de energie die in schaapswol of in polyamide is gestoken, zoveel mogelijk bewaren. Vroeger waren we efficiënt, nu worden we holistisch. We streven naar het samsara van de boeddhisten en de hindoes: de wedergeboorte zonder eind.’

www.desso.com

Verschenen in De Standaard, 9 maart 2013

Vergisting in nood

De industriële vergisters in Vlaanderen hebben het financieel moeilijk en luiden de alarmklok. Ze voelen zich in vergelijking met de landbouw- en GFT-vergisters onrechtvaardig behandeld.

Vergisting, het omzetten van biomassa en organisch afval in biogas en vergiste mest of digestaat, is op alle gebied een goede zaak voor het milieu. Zowat alle organische en biologische afvalstoffen zijn geschikt voor vergisting, en Vlaanderen is met zijn grote mestproductie, zijn uitgebreide voedingsindustrie en zijn gescheiden opgehaalde GFT-fractie een prima land voor vergisting.

Tegenwoordig wordt al 2 miljoen ton afval anaëroob (zonder toevoeging van zuurstof) vergist door landbouw, GFT- en industriële vergisters samen. Vergisting is goed voor 9% van de productie van groene stroom. Anaërobe vergisting en de productie van biogas bieden heel wat voordelen tegenover andere vormen van groenestroomproductie en vormen er een perfecte aanvulling van. Zo is bij vergisting de output van stroom niet afhankelijk van de grillige patronen van zon en wind. Het materiaal waar de vergisters mee werken, bestaat uit organische afval- en nevenstromen – geen primaire materialen dus. Door de gezamenlijke productie van groene warmte en groene stroom heeft vergisting een hoog energetisch rendement, volgens de belangenorganisatieFEBEM (Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer) het hoogste van de groenestroomsector. Bovendien kunnen eind- en nevenstromen uit het vergistingsproces worden opgewerkt tot bijvoorbeeld hernieuwbare kunstmest. Digestaat uitrijden is beter voor land en plant dan mest uitrijden.

Stagnatie

Klinkt allemaal geweldig positief, maar sinds 2010 zit er een knik in de groei van de vergistingsindustrie. Industriële vergisting is niet rendabel zonder overheidssubsidies en kampt bovendien met hogere inkoopprijzen dan voorzien voor de input van materialen en lagere afzetprijzen voor de geproduceerde elektriciteit. De milieureglementering over de exploitatievoorwaarden werd strenger, wat ook bijkomende kosten veroorzaakte. De sector vraagt de overheid om duurzame maatregelen en een langetermijnengagement om vergisting terug voldoende rendabel te maken en een toekomst te bieden. Werner Annaert van de FEBEM legt uit. “Omdat stroom te duur werd, vooral voor de grootverbruikers, werd door de overheid besloten om de groenestroomcertificaten in waarde te laten dalen. Daar valt wat voor te zeggen wat betreft de aanvankelijk overgesubsidieerde zonnepanelen, maar de daling treft ook de technieken die echt nog steun nodig hebben.”

De sector heeft het moeilijk omdat de businessplannen uit het verleden er geen rekening mee houden dat er ooit zou moeten worden betaald voor biomassa. “Meer dan drie jaar geleden was er zelfs sprake van een positieve inkomensstroom: er werd betaald om biomassa uit de industrie te laten vergisten,” zegt Annaert. “Vandaag wordt biomassa voor uiteenlopende doeleinden gebruikt, onder andere voor energieopwekking en voor de productie van compost en dierenvoeding. Zelfs uit de buurlanden ondervinden we concurrentie. Biomassa is een substituut voor primaire materialen en daar kunnen we natuurlijk niet tegen zijn. Het is zelfs goed dat er een markt is voor biomassa, want zo gaat er minder verloren. Maar er moet wel voor worden betaald.”

Onrechtvaardige verdeling

Het grootste probleem is dat vergisting nog een jonge technologie is en dat niet alle vergisters gelijk zijn voor de wet. Erger nog, het zijn vooral de installaties van de pioniers die getroffen worden. Werner Annaert: “Landbouw-, en GFT-vergisters vallen merkwaardig genoeg onder een gunstiger subsidieregime. Voor de industriële vergisters is er een lagere steun voorzien terwijl niemand in de sector, ook niet bij de landbouwvergisters, snapt waarom die steun voor de industriële installaties zo laag is. Uit alle studies, zoals die van het VEA, blijkt dat daar geen reden voor is. De groenestroomsubsidies dalen voor industriële vergisters tot 80 of 90 euro , terwijl landbouw- en GFT-vergisters nog 100 of 110 euro per groenestroomcertificaat krijgen. Gekker wordt het nog als je weet dat ook nieuwe installaties van na 2013 meer steun zullen krijgen. Het lijkt absurd, maar om aan meer subsidies te geraken als industrieel vergister, kan je beter je oude installatie stilleggen en een nieuwe bouwen. Die nieuwe installatie zal niet noodzakelijk beter zijn, want de bestaande installaties zijn voortdurend gemoderniseerd, maar ze valt wel onder een gunstiger ondersteuningsregime. Voor de industriële vergisters maakt die 20 euro per certificaat veel verschil, over de hele groenestroomsector bekeken is het een peulschil. Het gaat om 75.000 certificaten, in totaal dus om een verschil van 1,5 miljoen euro dat overigens niet door de overheid zelf, maar door alle stroomgebruikers samen wordt betaald. Om goed te zijn voor 5% rendement, zou een groenestroomcertificaat op 120 euro moeten uitkomen, maar als we gelijkgeschakeld worden met onze collega’s zijn we al tevreden en is de kans groot dat bedrijven opnieuw zullen investeren in de industriële vergisting.”

Verschenen in Argus Actueel, 25/2/13

Interview met Janine Benyus

Biologe Janine Benyus geldt als de moeder van biomimetica of biomimicry. Deze jonge wetenschapstak kijkt naar de manier waarop de natuur de dingen aanpakt om oplossingen te vinden voor wat we maken en hoe we het maken. Want de natuur heeft efficiëntere, schonere en slimmere oplossingen in petto dan de mens.

 

‘Biomimetica is het imiteren van 3,8 miljard jaar R&D’, zegt Benyus zelf. In een eerdere bijdrage hadden we het over de vele voorbeelden van biomimetica die nu al worden ontwikkeld en geproduceerd. Maar wanneer verwacht Benyus de grote doorbraak van biomimetica, en hoe staat ze tegenover andere milieukwesties en duurzame ontwikkelingsproblematieken? We spraken de auteur in juni 2011 in Brussel, aan het eind van een intense wereldtournee. Ze heeft net een ontmoeting met een rist Europese parlementsleden achter de rug en lacht als we vragen of ze uitgeput is. ‘Na vandaag heb ik drie maand vakantie. Ik ga genieten van thuiskomen en dan erop uit met de rugzak, de bergen van Montana in, mijn achtertuin als het ware.’

Het is duidelijk dat biomimetica veel processen en producten efficiënter en milieuvriendelijker kan maken. Hoe stelt u zich de toekomst voor? Zal biomimetica doorbreken door gewoon de markt zijn werk te laten doen, of moeten we biomimetica verplichten?

Janine Benyus: Waarom gaan bedrijven nu volop op zoek naar biomimetica-oplossingen? Waarom zijn durfkapitalisten zoals Steve Juvertson en Swedish Biomimitecs 3000 bereid tientallen miljoenen dollars in biomimetica te investeren? Deels omdat het technologische doorbraken biedt en bedrijven dus een concurrentievoordeel kan bezorgen. Deels omdat biomimetica duurzamer is: minder giftige stoffen, minder input van energie, minder risico voor bedrijven om over ettelijke jaren een proces aan hun broek te hebben. Regelgeving is heel belangrijk voor de doorbraak van biomimetica. Programma’s als REACH verplichten bedrijven om naar andere oplossingen te zoeken. Verzekeraars en zeker herverzekeraars zijn steeds minder bereid bedrijven te verzekeren die gezondheidsrisico’s veroorzaken. Ze willen geen nieuwe tabaksprocessen. Bedrijven staan onder druk om hun vervuilende verleden achter zich te laten. De early adopters zijn er nu al mee bezig: ze willen de milieuwetgeving voor zijn, hun kosten drukken en tegemoet komen aan de wensen van de consumenten, die minder vervuilende producten vragen. We are heading to the age of substitutions. We evolueren naar een tijd waarin heel veel zal worden vervangen door iets beters. We kunnen natuurlijk altijd nog eens een chemische oplossing zoeken die minder slecht is dan de vorige, of we kunnen zien hoe de natuur het oplost en dat imiteren.

Zijn er dingen die je niet kan oplossen met biomimetica? Een biomimetische auto lost het fileprobleem niet op, hoe milieuvriendelijk hij ook is.

Janine Benyus: Dat klopt. Maar toch kan de natuur ons ook op dit gebied heel wat leren. Met het Biomimicry Institute hebben we een 25-tal regels opgesteld, een lijst van best practices die de natuur hanteert, een eco-design-checklist. Eentje daarvan is dat je productie en je voedsel lokaal moet zijn. Zo zit de wereld nu niet in mekaar. Maar net zoals we nu al gedecentraliseerde energiewinning en dito afvalverwerking hebben, zullen we ook gedecentraliseerde productie krijgen. Ik heb het dan over 3D-printing, in het vakjargon additive manufacturing, waarin producten laag per laag worden opgebouwd. Het klinkt nu als sciencefiction, maar het zal weldra gemeengoed worden. Dat betekent kleine lokale fabriekjes en de enige manier om de maatschappij dat te laten accepteren is met schone chemie. Mijn vraag is: kunnen we even slim zijn als de natuur en zorgen voor veilige producten? Daar moeten we nu werk van maken.

Op landbouwgebied pleit u voor meerjarige planten, die sterker staan in de natuur dan onze eenjarige voedingsgewassen. Moeten we afscheid nemen van onze vertrouwde groenten en granen?

Janine Benyus: Toch niet. The Land Institute wil meerjarigheid weer in onze voedingsgewassen inbrengen. Over duizenden jaren heeft de mens de meerjarigheid weggeselecteerd, zodat we de zaden in onze zakken konden meenemen als we weer verder trokken. Het is een langetermijnproces om bijvoorbeeld tarwe terug meerjarig te maken, maar het kan sneller als we er meer energie in stoppen.

Zou zoiets niet sneller kunnen met transgene planten? Bent u voor of tegen GGO’s?

Janine Benyus: Tegen. Ik denk dat we veel te weinig weten over de effecten. Ik vrees zelfs dat een fenomeen als chemische vervuiling in het niets zal verzinken bij de ecologische gevolgen van genetische manipulatie. Ook synthetische biologie vind ik geen goed idee, zelfs al ben ik een wetenschapster en weet ik dat je dat niet niet hoort te zeggen in de wetenschappelijke wereld. Genetische manipulatie was interessant als laboratoriumonderzoek, maar het heeft geen vruchten afgeworpen op het veld. Ik ben wel voor verbeterde teeltmethoden, super-organics en dergelijke dingen, maar allemaal via conventionele methoden, aangevuld met nieuwe inzichten.

Samen met anderen helpt u bedrijven de natuur te imiteren met het Biomimicry Institute. Hoe gaat dat in zijn werk?

Janine Benyus: Na de publicatie van mijn boek vroegen bedrijven naar biologische inspiratie voor hun producten. Zo werkten we al met Nike, Boeing en Kraft. We pakken het aan met wat wij een Amoebe-tot-Zebra-onderzoek noemen. Toen een ziekenhuiswasserij ons vroeg om hun was op een milieuvriendelijker manier te wassen, zochten wij uit hoe de natuur bijvoorbeeld hemoglobine afbreekt. Zo stellen we een taxonomie van mogelijkheden op: allemaal processen die geen giftige stoffen gebruiken, op kamertemperatuur functioneren, zeer efficiënt werken en in een industrieel proces kunnen worden geïmiteerd.

Hoe gaat u om met het patenteren van natuurlijke fenomenen en processen?

Janine Benyus: In een tijd waarin je naar het patentbureau kunt stappen en een levensvorm als een bacterie laten patenteren, is het alleen maar een kwestie van tijd voor een wetenschapper op het idee komt de manier waarop een gekko loopt te patenteren. Ik beschouw dat als diefstal van onze scientific commons [wetenschappelijke gemeenschappelijke goederen, red]. Van de andere kant vind ik het goed dat er gekkolijm is en begrijp ik dat bedrijven dat product patenteren. Maar de nuance is zeer duidelijk in mijn ogen. Hoe we het bij Asknature.org aanpakken is als volgt: we zetten biologische strategieën online, georganiseerd per functie, en dat in een context van design. Advocaten vertellen me dat dat moet volstaan om deze noties in het publieke domein te houden, wat volgens sommigen niet zo zou zijn als het in een wetenschappelijke context zou gebeuren. [Benyus gebruikt de uitdrukking ‘To establish prior art,’ een begrip uit de patentwetgeving, red] Vandaar dat we proberen zoveel mogelijk ideeën te publiceren.

Voor wanneer is de grote doorbraak van biomimetica?

Janine Benyus: Ja, wat wordt de killer app? (lacht) Een zeer ongelukkige woordkeuze in deze context, maar het is iets dat ik me ook afvraag. Velcro gaat al een hele tijd mee. Zelfreiniging volgens het principe van lotusbladeren wordt in heel wat producten gebruikt, maar mensen weten het niet. Je ziet het niet. Ik kan me voorstellen dat mensen er wel over zouden spreken als je vliegtuigvleugels met randen als bultrugvinnen zou zien. Misschien worden het wel zelfbouwende zonnecellen, die we drukken aan een snelheid alsof het kranten zijn? Ik hou wel van die gedachte, omdat het biomimetica op chemieschaal is. Iets dat biomimetica de populair-wetenschappelijke pers en het sf-aura kan doen verlaten, en de techniek naar de mensen thuis brengen. Er gaat tegenwoordig zoveel overheidsgeld naar biomimetica, zoveel universiteiten richten departementen op. Harvard kreeg de grootste individuele gift uit zijn geschiedenis om een instituut voor biologisch geïnspireerde ingenieurswetenschappen uit de grond te stampen: 125 miljoen dollar van de Zwitser Hansjörg Wyss. Duitsland is heel hard bezig rond wat zij Bioniks noemen. Misschien komt de doorbraak er als kinderen ervan dromen een bioloog-designer te worden. Wanneer bedrijven het achterhaald vinden dat er geen bioloog in hun innovatieteam zit. Misschien is biomimetica pas succesvol als het verdwijnt – wanneer het een evidentie is geworden, gewoon een van de manieren waarop we innoveren. Dat bij elk nieuw product als vanzelfsprekend wordt gekeken hoe de natuur zoiets oplost, wanneer er biologische tools zijn geïntegreerd in alle CAD/CAM-software. Dan zal biomimetica gewoon design zijn geworden.

 

Verschenen in Argus Actueel

Het nieuwe goud, en hoe het te recycleren

De universiteiten van Leuven en Gent, het Nederlandse TNO en Umicore slaan de handen in elkaar om oplossingen uit te werken voor het nijpende tekort aan grondstoffen, meer specifiek de Rare Earths of zeldzame aarden en andere materialen die van vitaal belang zijn voor de economie.

De meest kritieke grondstoffen

De voorbije jaren definieerde de EU veertien minerale materialen als ‘kritieke grondstoffen.’ Zij kregen die koosnaam omdat hun uitzonderlijke schaarste recht evenredig is met hun uitzonderlijke economische waarde. Het zijn stuk voor stuk materialen die van cruciaal belang zijn voor het oplossen van de energieproblematiek, de transitie naar een groene economie en onmisbaar in heel wat hedendaagse (miniatuur)technologie. Dankzij magneten met zeldzame aarden zijn onze gsm’s vandaag zo performant en compact. Zeldzame aarden zijn nodig voor de werking van windturbines, elektrische auto’s en energiebesparende lampen. Zelfs de meest efficiënte recyclage- en scheidingstechnieken volstaan echter niet om de groeiende vraag te dekken naar de vijf meest kritiekezeldzame aarden: neodymium, europium, terbium, dysprosium en yttrium.

Behalve in onontgonnen voorraden op Groenland en in Zweden bezit Europa geen eigen kritieke grondstoffen. Toch springen we bijzonder nonchalant met deze schaarse en levensnoodzakelijke materialen om. Van nogal wat kritieke materialen ligt het recyclagegehalte onder de 1%: dat is omdat er alleen materiaal gerecycled wordt tijdens het productieproces.

Dat Europa zich ernstig zorgen maakt over de toenemende schaarste van deze cruciale grondstoffen, heeft er ook mee te maken dat China het belang ervan al langer heeft ingezien. 40% van de reserves liggen op Chinees grondgebied, maar door een doorgedreven strategie heeft de Volksrepubliek inmiddels 90% van de verwerking en productie ervan in handen. En de Chinezen doen hard hun best om controle te krijgen over de hele keten van de zeldzame aarden, net zoals ze dat voor veel andere kritieke metalen trachten te doen.

Dit complexe probleem onder controle krijgen, stelt de wetenschap, de overheden en de industrie voor een aantal fantastische uitdagingen. Op 14 september ll. organiseerde de KU Leuven een druk bijgewoond symposium over kritieke grondstoffen met sprekers als dr. ir. Peter Tom Jones van het departement metaalkunde, tevens manager van het kennisplatform RARE3 (Research Platform for the Advanced Recycling and Reuse of Rare Earths, KU Leuven), professor Koen Binnemans (KU Leuven), wereldexpert op het gebied van zeldzame aarden, prof. em. Willy Verstraete (UGent), één van de grondleggers van de Vlaamse (witte) biotechnologie, geoloog Emile Elewaut van het vermaarde Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en dr. Christian Hagelüken, hoofd van de Precious Metals Refining Unit van Umicore.

‘Alle materialen zijn kritiek’

Door de exponentiële groei van de economie en de technologie in de laatste decennia, door de honger naar grondstoffen van de groeilanden en door het hiermee samenhangend toenemend mondiaal verbruik van natuurlijke hulpbronnen, zijn eigenlijk alle materialen kritiek, stelt Emile Elewaut (TNO): “De laatste twintig jaar zijn we mondiaal 40% meer natuurlijke hulpbronnen gaan gebruiken.” Christian Hagelüken van Umicore haalde er een grafiek bij die aantoonde dat er de laatste dertig jaren meer technologiemetalen uit de mijnen zijn gehaald dan in de hele geschiedenis van de mensheid. Ook de detailcijfers over ons hedendaags materialenverbruik zijn verbluffend. “In 2011 kwam 20% van het ontgonnen palladium en kobalt in gsm’s en computers terecht. Toch vertegenwoordigt de waarde van de recycleerbare materialen per gsm maar 1 euro,” stelt Hagelüken. Er is nog een enorm potentieel aan grondstoffen in recent door de mens vervaardigde producten aanwezig. Maar we zullen onze producten anders moeten ontwerpen als we die grondstoffen er later makkelijker willen uit recycleren. Maar recycleren alleen zal niet volstaan om de honger naar grondstoffen te stillen.

Emile Elewaut blijft desondanks optimistisch over de toekomst, met name voor kennisregio’s als België en Nederland, die uitzonderlijk arm zijn aan grondstoffen en dus zo goed als volledig afhankelijk van de invoer. “We hebben een wereldfaam op het gebied van recyclage en verwerking, een toppositie inzake inzameling en herwinning van grondstoffen en een uitgebreid industrieel- en kennisnetwerk.” Die vaststellingen droegen bij tot de vorming van een nieuw samenwerkingsverband dat tijdens het symposium boven de doopvont werd gehouden: het Urban Mining Platform in het kader van het toekomstige Europees Kennis- en Innovatiecentrum (KIC) Raw Materials, dat wordt opgericht in de schoot van het European Institute of Innovation and Technology (EIT). Raw Materials zal een van de toekomstige KIC’s worden, waarvoor de EU – zoals het er nu naar uitziet – in totaal een bedrag van 2,8 miljard euro zal voorzien voor de periode 2014-2020.

Urban mining

Over één ding waren de sprekers het roerend eens op de persconferentie voorafgaand aan het symposium: we kunnen ons niet uit het probleem weg recyclen. Volgens een recente studie die het Duitse Öko-Institut ondernam, ligt het maximale recyclagepotentieel van zeldzame aarden niet hoger dan 10 à 20% van de nieuwe vraag naar zeldzame aarden. Doorgedreven urban mining (het recyclen van grondstoffen uit afgewerkte producten) zal dus moeten worden aangevuld met substitutie (het vervangen van de zeldzame grondstoffen door alternatieven) en daarnaast ook met bijkomende, bij voorkeur duurzame ontginning van zeldzame grondstoffen. Allemaal oplossingen die op hun beurt nieuwe problemen en uitdagingen met zich meebrengen. (…)

Meer over urban mining, duurzame mijnen en subsitutie van materialen in het Argus-artikel.

Wat de geschiedenis ons leert over klimaatverandering

Van 6 tot 9 mei is prof. em. Brian Fagan in het land, een archeoloog en een wereldautoriteit over de geschiedenis van klimaatsverandering. Fagan verzorgt niet minder dan vier verschillende lezingen op die vier dagen (en één besloten sessie voor de Vlaamse MilieuMaatschappij). ARGUS belde hem thuis in Californië voor een voorproevertje.

Klimaatverandering heeft altijd al een invloed gehad op de menselijke beschaving, de landbouw en de economie. Wat is de belangrijkste les die we kunnen leren uit het verleden?
Brian Fagan: “De belangrijkste les is dat we nu veel kwetsbaarder zijn dan ooit tevoren, omdat er zoveel meer mensen op de wereld zijn. Steden als Miami en Amsterdam die amper boven de zeespiegel uitsteken, of er zelfs onder liggen, zijn uiterst kwetsbaar. In vroegere beschavingen telde een stad misschien 5.000 mensen en was het makkelijker om ze te verhuizen. Dat is nu vaak geen optie.
Een voordeel is dat we betere technologie hebben dan ooit tevoren en beter kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar in vergelijking met de Lage Landen is de situatie elders beangstigend, niet alleen in een land als Bangladesh, maar ook voor een stad als Shanghai. We moeten ons dringend beraden over de vraag hoe we tientallen miljoenen mensen kunnen verplaatsen, want het land waar zij wonen, dreigt onder de zeespiegel te verdwijnen. Ze worden trouwens niet alleen bedreigd door de stijging van het zeeniveau, maar ook door orkanen en ander extreem weer.”

U beschouwt droogte als een nog grotere bedreiging dan overstromingen. Wat verwacht u van de komende eeuw?
Brian Fagan: 
“We zullen ons eerst en vooral moeten bezighouden met het recycleren van water en het beperken van het watergebruik. In het licht van de dreigende tekorten aan drinkwater, moeten we het menselijk gedrag veranderen. Dat gebeurt nu al. Los Angeles is bijvoorbeeld bezig met het opvangen van regenwater om watervoerende lagen terug aan te vullen. Ook de recyclage van water zoals in Singapore kan tot navolging strekken.”

Klimaatverandering heeft in het verleden niet alleen negatieve, maar ook positieve effecten gehad. Geldt dat ook voor de toekomst?
Brian Fagan: “Zeker wel. We zijn geneigd om vooral te focussen op dreigende rampen en apocalyptische toestanden, maar er zijn ook voordelen. Het ziet er bijvoorbeeld goed uit voor de landbouw in Canada. Je krijgt eigenlijk een herverdeling van plekken waar voedsel wordt gekweekt. Voor het Amerikaanse Zuid-Westen is dat slecht nieuws, want daar zullen we met grote droogtes te kampen krijgen. Een constante is dat de geschiedenis zich herhaalt. De tsunami van vorig jaar in Japan is voorafgegaan door vele andere. Ook Europa is in het verleden door tsunami’s getroffen, zoals uit geologisch onderzoek blijkt.”

Waarom vergeten we zo makkelijk de klimaatrampen uit het verleden?
Brian Fagan: “Waarom kunnen mensen zo moeilijk geloven dat er ooit een watertekort zal zijn? Ze draaien de kraan open en er stroomt water uit. Ze staan er niet bij stil waar het water vandaan komt. Ook met orkanen en tornado’s zie je dat patroon van ontkenning. Soms grijpt de mens wel in ten gevolge van een catastrofe, of verhuizen mensen, maar al te vaak verkiezen we te vergeten.”

Waarom is de wereld meer bezig met temperatuurstijging dan met watertekort, terwijl dat laatste volgens u een groter probleem is.
Brian Fagan: “Temperatuursveranderingen spreken meer tot de verbeelding, omdat we ze associëren met ijstijden. Het omgekeerde, toenemende temperaturen, zijn we gaan associëren met smeltend ijs en stijgend zeeniveau. Allemaal veel dramatischer klinkend dan droogte. Toch kan je er niet omheen: stijgende wereldtemperaturen betekenen onvermijdelijk meer droogte op veel plekken. Een moeilijk probleem om te verkopen in de media, helaas.”

Hoe kunnen we de dreigende droogte bekampen?
Brian Fagan: “Als we de geschiedenis van water overschouwen, valt het op dat alles fundamenteel veranderd is in de laatste tweehonderd jaar, door de industriële revolutie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat gaf de mens de kans om water uit diepere aquifers of watervoerende lagen op te pompen. Het is trouwens niet toevallig dat de geschiedenis van water oppompen begint met het leegpompen van steenkoolmijnen.
Zo lang de mens alleen afhankelijk was van de zwaartekracht om aan water te geraken, leefde er een bewustzijn dat de watervoorraad beperkt was. In oude beschavingen werd water met veel meer respect behandeld. De religieuze connotaties van water gaan tienduizenden jaren terug. Rituelen brachten de mensen respect voor water bij. Maar bij de Grieken en de Romeinen werd water een product net als alle andere.”

“Het grootste probleem is dat de mens te weinig op lange termijn denkt. Een van de redenen waarom ik er echt naar uitkijk om naar België te komen, is dat België en Nederland de waterhuishouding op de lange termijn bekijken. Dat geeft jullie een een enorm voordeel. In vergelijking met wat jullie doen, zijn de maatregelen van Japan tegen tsunami’s een lachertje.”

Vanuit wereldperspectief gezien: welke evoluties stemmen u hoopvol en wat maakt u bezorgd?
Brian Fagan: “Zorgwekkend is het feit dat er nog altijd mensen zijn die klimaatverandering ontkennen. Hoopgevend vind ik het feit dat meer en meer mensen zich bewust worden van de water- en droogteproblematiek en beseffen dat je dit moet aanpakken vanuit een langetermijnperspectief. Al moet ik daarbij opmerken dat we nog te veel aan onszelf denken en te weinig aan onze kleinkinderen. Positief is voorts het feit dat de wetenschap het klimaat beter begrijpt dan ooit tevoren. Maar de belangrijkste les die de geschiedenis ons kan leren, is het feit dat we mensen zijn, homo sapiens, een slimme soort die in staat is om te denken, te plannen, te innoveren en oplossingen te zoeken zoals geen enkel ander dier dat kan. Ja, er zullen verschrikkelijke rampen plaatsvinden en er zullen vele doden vallen, maar we zullen kunnen improviseren en voortleven zoals we dat altijd hebben gedaan. De grote uitdaging bestaat erin dat we met meer mensen zijn dan ooit tevoren en dat de problemen groter zijn dan ooit tevoren. Ben ik optimistisch? Ja. Ik denk dat we, ondanks de vele slachtoffers, uiteindelijk zullen overleven als mensheid.”

Verschenen in Argus Actueel op 26/4/12

Durban: historische doorbraak of een gemiste kans?

De reacties op de klimaattop in Durban lopen sterk uiteen. Wat is er nu eigenlijk verwezenlijkt en wat brengt de toekomst? We vroegen het aan twee experts die in Durban de klimaatconferentie bijwoonden.

De Zuid-Afrikaanse minister Maite Nkoana-Mashabane had het in haar slotwoord in Durban over een historisch akkoord. Het valt te vrezen dat de geschiedenisboeken haar gelijk zullen geven. ‘Het grootste doemscenario dat inhield dat de onderhandelingen zouden afspringen, is vermeden,’ zegt Karla Schoeters van VITO. ‘Maar anderzijds volstaan de huidige afspraken niet om de opwarming van het klimaat onder de 2° C te houden, terwijl 2° eigenlijk ook al te veel is.’

Dit zijn de belangrijkste afspraken van de top van Durban:

– Er is uitzicht op een mogelijk tweede doelstellingsperiode onder het Kyoto-protocol. Het probleem van de overtollig toegekende rechten, de duur van de doelstellingsperiode en de hoogte van de doelstellingen moeten tegen volgend jaar beslecht worden. Canada, Rusland en Japan stappen niet mee in Kyoto bis. China, India en de VS blijven als vanouds buitenstaanders. De VS en de meeste groeilanden (waaronder China) engageren zich tot 2020 dus enkel op vrijwillige basis (niet-bindend) tot emissiedaling.
– Er is een afspraak om een ‘Mondiaal akkoord’ te sluiten waarin alle landen gelijk zullen zijn voor de wet, ook de ontwikkelingslanden. Dit verdrag zou tegen 2015 rond moeten zijn en in 2020 in voege treden en zou een opvolger kunnen worden van het Kyoto-protocol.
– Het Groen Klimaatfonds treedt vanaf 2020 in werking, met een waarde van 100 miljard dollar per jaar om de ontwikkelingslanden te helpen bij milieuvriendelijke groei. Het moet hen tevens helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatsverandering. Maar er is nog geen duidelijkheid over waar dat geld vandaan moet komen.

Het meest wezenlijke wat Durban heeft gedaan, is de klimaatbesprekingen aan de gang houden, maar de belangrijkste punten worden hete-aardappelgewijs voor ons uit geschoven naar 2020 en de afspraken blijven uitblinken in vaagheid. Dat staat haaks op de dringende noodzaak om nu krachtige maatregelen te nemen om de opwarming van het klimaat een halt toe te roepen.

Het gat van vijf gigaton
Voor de aanvang van Durban trok het United Nations Environment Programma aan de alarmbel. Volgens het UNEP wordt het sowieso al moeilijk om de temperatuurstijging van de aarde onder de 2° C te houden. Zelfs als de afspraken van Kopenhagen volledig worden nageleefd, zou de wereldwijde uitstoot in 2020 49 gigaton CO2-equivalent bedragen, terwijl de uitstoot niet boven de 44 gigaton zou mogen uitkomen om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken. In een business as usual-scenario kan de uitstoot tot 53 gigaton oplopen. Nu er pas bindende afspraken komen voor alle landen vanaf 2020, ‘zitten we definitief op het pad naar een temperatuurstijging van meer dan 3 graden’, liet Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) in De Standaard optekenen, daarbij niet gehinderd door de eerder minimalistische klimaatdoelstellingen die de Vlaamse overheid er zelf op na houdt. Woorden zijn makkelijker dan daden, dat is alvast een van de lessen van Durban.

Belgen in Durban
Argus Actueel vroeg aan twee experts die in Durban (een deel van) de klimaatconferentie bijwoonden wat de conferentie heeft opgeleverd en hoe het nu verder moet. Karla Schoeters is programmacoördinator energie- en klimaatbeleid bij VITO. Thomas Bernheim werkt bij het Directoraat-Generaal Klimaatactie van de EU, waar hij zich bezighoudt met internationale emissierechten, lucht- en scheepvaart.

Hoe evalueert u de resultaten van Durban?
Karla Schoeters: ‘Ik maak een onderscheid tussen de resultaten en het proces. Het positieve is dat alle partijen het erover eens zijn dat het VN-proces naar emissiereductie moet worden voortgezet. Anderzijds zit ik met een wrang gevoel. De landen hadden nu iets moeten beslissen, maar ze zijn er niet uitgeraakt. De kans dat we onder de twee graden termperatuurstijging kunnen blijven, is vanuit wetenschappelijk standpunt bekeken zo goed als onhaalbaar geworden. We zullen eerder naar drie graden en de bijbehorende effecten gaan. Maar als de onderhandelingen waren afgesprongen, zoals het er een tijdje heeft naar uitgezien, waren we nog veel verder van huis.’
Thomas Bernheim: ‘Durban vertoont één belangrijk verschil met vorige klimaatconferenties: er is nu een roadmap afgesproken die zou moeten leiden tot voor alle landen bindende akkoorden die in 2020 in voege zullen treden. Je kan stellen dat dat veel te laat is, maar dat betekent niet dat er voor 2020 niets zal gebeuren.’
Waarom is het zo moeilijk om overheden te overtuigen van de wetenschappelijk bewezen urgentie om nú iets te doen aan de CO2-uitstoot?
Karla Schoeters: ‘Dat zijn nu eenmaal de politieke beperkingen van het moment. De kortetermijn domineert over het langetermijngegeven. Het is ook nog altijd een kwestie van ieder voor zich. Wat me stoort is dat het uiteindelijk ook niet meer gaat over een reductie van de emissies, maar steeds meer over geld. Welke transfers van Noord naar Zuid kunnen er komen om adaptatie, technologie-overdracht en mitigatie te initiëren? De doelstelling van Kyoto was de reductie van broeikasgassen en het financiële aspect was daarbij een hulpmiddel. Nu lijkt geld een doel op zich geworden.’
Thomas Bernheim: ‘Er is een verschil tussen wat de wetenschap ons aanbeveelt en wat politiek haalbaar is. We stonden voor Durban veel verder van een akkoord dan erna. In dat opzicht is Durban zeker positief. Maar China kijkt de kat uit de boom, zeker zo lang het Amerikaanse Congres dwarsligt, waar je nog heel wat klimaatsceptici vindt.’
Wat zal er volgens u op emissiegebied nog gebeuren tussen nu en 2020?
Karla Schoeters: ‘Laten we niet vergeten dat er toch al heel wat maatregelen worden genomen, niet alleen bij ons maar ook in de ontwikkelingslanden. China introduceert wel degelijk mitigerende maatregelen. We moeten blijven werken aan het bewustzijn dat de groene economie een enorme toegevoegde waarde heeft en een positieve economische impact. Wellicht zullen er eerder initiatieven ontstaan vanuit een lokale push dan vanuit VN-standpunt. De markten hebben nu ook het signaal gekregen dat emissiereductie op de agenda blijft staan en dat bedrijven niet kunnen wachten tot 2020 om de nodige stappen te zetten.’
Thomas Bernheim: ‘Het is niet omdat er nog geen internationale bindende afspraken bestaan dat er ondertussen niets gebeurt. In Australië is er zopas een systeem van emissiehandel aangenomen dat de emissies zal doen dalen, zij het onvoldoende. De EU zet door om tegen 2020 een emissiereductie van 20% te realiseren, in combinatie met een aandeel hernieuwbare energie van 20%. Het interne debat om verder te gaan dan deze doelstellingen zal opnieuw opflakkeren. De Chinezen bouwen hernieuwbare energie sterk uit. China zal de komende jaren bovendien een systeem van emissiehandel creëren in vier provincies en twee stedelijke agglomeraties. Mijn inschatting is dat China en andere landen pas internationaal bindende doelstellingen zullen aanvaarden wanneer ze er intern klaar voor zijn.’
Ligt hier een opportuniteit voor Europa om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van groene economie en groene groei?
Thomas Bernheim: ‘Europa heeft het voordeel dat het al een wetgeving heeft en de doelstellingen heeft gehaald. Het probleem is dat door de economische crisis de carbonprijs zo laag is dat er geen dynamische innovatie in technologie plaatsvindt en dat bijvoorbeeld in België subsidies worden afgebouwd die de langetermijndoelstelling ondersteunden.’

Gepubliceerd in Argus Actueel, 13/12/2011

Bedreigt de klimaatsverandering de Bordeauxwijn?

Er bestaan minder aangename onderwerpen dan Bordeauxwijn om je in te verdiepen als het gaat over het klimaat. Professor dr. Pieter Leroy (RU Nijmegen) boog zich recentelijk over de mogelijke gevolgen van de klimaatsverandering in zuidwest Frankrijk, de bakermat van appellations als Saint-Émilion, Margaux en Pomerol.

Waarom koos u voor de wijnstreek Bordeaux?

Professor dr. Pieter Leroy: Het klimaatsprobleem is voor veel mensen een ver van mijn bed show. Met de concrete gevolgen van de klimaatsverandering voor een tot de verbeelding sprekend product als Bordeauxwijn hoop ik het dichter bij de mensen te brengen. In Frankrijk is men zich overigens van het probleem bewust. Vorig jaar nam ik deel aan een symposium over klimaateffecten in Bordeaux, waar aspecten als landbouw, energie, water en biodiversiteit aan bod kwamen. Dat vond ik verfrissend, want in Nederland blijft de discussie over de klimaatsverandering en de effecten ervan bijna uitsluitend beperkt tot de gevolgen voor de waterhuishouding. Ik werd uitgenodigd als gastdocent door de universiteit van Bordeaux en mede dankzij het bedrag dat ik vorig jaar won met de Prijs Rudy Verheyen zag ik de kans om er onderzoek te doen in april en mei 2011.

Wat weten we over de klimaatsverandering dat specifieke gevolgen kan hebben voor de wijndruiventeelt?

Het gaat essentieel over twee kwesties: waterproblemen en temperatuursverhoging. Iedere druivensoort gedijt het best binnen een welbepaalde temperatuurszone en dat luistert nogal nauw, heb ik me laten vertellen. De druiven die in de Bourgogne en de Champagne gekweekt worden, zijn bestand tegen lagere temperaturen dan degene die in Bordeaux gebruikt worden. Als de gemiddelde temperatuur zoals wordt voorspeld met één tot twee graden stijgt in de komende vijftig jaar, dreigt een merkbaar verschil in de kwaliteit van de wijn op te treden en kunnen de Bordeauxwijnen in bepaalde jaargangen echte alcoholbommen worden, zeg maar bijna fruitjenevers in plaats van kwaliteitswijnen.

De Bordeaux dreigt dus zwaar te lijden onder de klimaatsverandering?

Zeker omdat men niet zomaar met andere druivensoorten kan experimenteren, want de toegelaten soorten zijn vastgelegd in de regels voor de Appellation d’ Origine Contrôlée. Als je je niet aan die regels houdt, wordt je wijn een Vin de Pays, waarvoor je minder geld kunt vragen. In een streek met wijnmonocultuur als de Bordeaux is dat een ramp die in omvang vergelijkbaar is met de sluiting van de mijnen in de Kempen destijds. Het bewustzijn daarrond leeft alvast in Frankrijk, overigens meer in de Bourgognestreek dan onder de ietwat zelfgenoegzame Bordelezen. Toch kampen nu al ongeveer 2.000 à 3.000 van de ongeveer 8.000 wijnboeren uit de Bordeaux met serieuze financiële problemen. Een slecht wijnjaar kan hen recht naar het faillissement voeren.

Kan een dergelijk klimatologisch doemscenario de Fransen aanzetten om hun milieu-inspanningen op te drijven?

Ik ben ervan overtuigd dat het klimaatbesef in Frankrijk groter is dan bijvoorbeeld in Nederland. Dat heeft te maken met een aantal incidenten van de laatste jaren, zoals Xynthia, de zware storm van vorig voorjaar en de abnormaal hete zomer van 2003, waarbij een groot aantal mensen voortijdig zijn overleden. Dat is nog altijd een bron van nationale schaamte in Frankrijk. De Fransen beseffen terdege dat ze nog heel wat inspanningen moeten leveren op het gebied van waterbeheersing en kustbescherming. Iedereen die ik heb gesproken is ervan overtuigd dat er dringend nood is aan slimme oplossingen, en niet alleen voor de Appellation Contrôlée.

 

Verschenen in Argus Actueel.

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Portefeuille Jan Lamers

‘Geen compassie met aandeelhouders’

Socioloog en economist Jan Lamers stond twintig jaar lang aan het hoofd van Tijd NV, de uitgever van wat toen nog de Financieel-Economische Tijd heette. Vandaag woont hij in Frankrijk en engageert hij zich onder andere als bestuurder in Triodos Bank.

 

U komt uit een nest van zelfstandigen. Heeft dat uw houding tegenover geld en werk bepaald?

‘Op het gebied van werk wel: het arbeidsethos, niet goed kunnen nietsdoen, dat zit er diep in. Wat geld betreft, heb ik wel veel geld verdiend voor de ondernemingen waar ik voor werkte, maar met mijn eigen geld ben altijd te weinig bezig geweest. Het was nooit mijn bedoeling om rijk te worden. Geld verdienen is altijd een uitvloeisel geweest van wat ik graag deed. Daarom heb ik ook zoveel leuke dingen kunnen doen.’

Op welke gerealiseerde meerwaarden bent u het meest trots?

‘Dat ik de FET heb opgekrikt van een krant met een jaarlijkse omzet van 100 miljoen frank tot een krantenbedrijf met een waarde van 2,6 miljard frank – de prijs die HAL Invest, de groep achter Het Financieele Dagblad, bereid was te betalen. Al is Tijd dan door te lang talmen enkele jaren later voor minder dan de helft verkocht. Iets als het website-ontwikkelingsbedrijf Net it Be was ook ongelooflijk: daar hebben we met Tijd NV 10 miljoen frank ingestoken, om het vier jaar later voor 250 miljoen BF aan Alcatel te verkopen.’

Was u in uw periode bij Tijd een actief belegger?

‘Niet echt. Ik vond het zonde van de tijd die je erin moet steken. In aandelen investeren en met de emotionele golven van de beurs meedeinen is niets voor mij. Ik gaf de voorkeur aan sparen, liefst in een gestructureerde vorm, waarbij het geld automatisch opzij wordt gezet: pensioensparen, fiscaal sparen, groepsverzekering. Met mijn aandelen van Tijd heb ik trouwens in verhouding wel gouden zaken gedaan, jammer genoeg niet in absolute bedragen.’

U bent nu bestuurder bij Triodos bank. Is ethisch beleggen meer uw ding?

‘Ik ben nog altijd geen grote belegger. Bij Triodos ben ik vanuit het antroposofisch gedachtengoed terechtgekomen. Ik heb zeer veel moeite met het totale gebrek aan transparantie bij de traditionele banken, die nog altijd opereren onder de slogan “We’re only in it for the money,” om het met Frank Zappa te zeggen. Sociale, ethische en milieu-implicaties doen niet ter zake, tenzij bij de marketingpraatjes. Alleen het financieel rendement telt. Bij Triodos is dat anders. Wij streven niet alleen naar Profit, ook zorgen voor Planet en People hoort expliciet tot onze doelstellingen. We gaan ervan uit dat als geld de wereld slechter kan maken, geld de wereld ook beter kan maken.’

Als alle banken zouden werken als Triodos, was er dan geen bankencrisis geweest?

‘Natuurlijk niet. Wij hanteren een directe, transparante link tussen spaarders en investeerders. Dan kan je natuurlijk nooit een return on equity van 18% halen, maar hoogstens 5% à 7%. Dat volstaat voor de traditionele bankjongens niet. Daarom hebben ze met steeds intransparantere producten een speculatieve financiële wereld gecreëerd die totaal los staat van de economische realiteit. Hebzucht is de enige drijfveer daarachter. Met gedupeerde aandeelhouders heb ik dan ook geen enkele compassie. Wat ik niet begrijp, is dat een zich sociaal noemende organisatie als het ACW in die logica meegaat en zich mogelijk voor 2,5 miljard heeft laten vangen door Dexia.’

Een bank als Triodos blijft ondanks zijn gestage groei wel erg klein.

‘In vergelijking met de grote banken zijn wij kabouters. Sommigen hadden gedacht dat de bankencrisis de mensen tot inzicht zou brengen, maar dat is erg naïef. 2008 was een rampenjaar, maar de banken gaan sindsdien vrolijk verder op hun oude weg. Het verbaast me nog elke dag hoe onnozel en braaf de mensen zijn. Alleen met de garanties voor Dexia is elke Belg nu mogelijk tot 6.000 euro kwijt, en toch is er niemand die op straat komt.’

Waar geeft u het meeste geld aan uit? Aan uw huis in Frankrijk?

‘Ik woon net over de grens in de Franse Ardennen, maar het leven is er goedkoper dan in België. Ik kan er me probleemloos een tuin van een halve hectare permitteren. Op amper 150 km van Leuven vind je er een heel andere wereld. Nee, persoonlijk geef ik nog altijd het meeste geld uit aan informatie: boeken, kranten en tijdschriften, internet vast en mobiel.’

 

SLECHTSTE INVESTERING

‘Mijn studies sociologie. Tegelijk heb ik toen het meeste geleerd, maar zeker niet aan de unief. Ik ging nooit naar de les, maar ik maakte films, was actief in de Cultuurraad, was kampleider op jongerenkampen. Gelukkig had ik aan twee maand genoeg om door de examens te geraken.’

 

BESTE INVESTERING

‘Relatief bekeken heb ik meeste geld verdiend aan de aandelen die ik als werknemer van Tijd NV kon kopen bij elke kapitaalsverhoging. Dat vond ik wel een zinnige vorm van beleggen in aandelen, omdat ik die business ook zelf in de hand had.’

 

Verschenen in De Standaard, 10/10/11

Requiem voor een overleden diersoort

ARGUS interviewde regisseur-scenarist-acteur Dimitri Leue en ontdekte waarom u deze voorstelling niet mag missen, en Dodo klein eigenlijk ook niet.

Een voorstelling over een uitgestorven vogelsoort, hoe kom je erbij?
Dimitri Leue: ‘Het is een logische stap in mijn proces. In 2007 heb ik Don Kyoto gemaakt, waarbij ik mezelf martelde door van voorstelling naar voorstelling te rijden met een bakfiets van 135 kilo. Bij het spelen van Don Kyoto martelde ik trouwens ook het publiek, met het gezoem van de fiets waarmee ik mijn eigen licht produceerde tijdens de voorstelling. De mensen moesten echt pieren om me te kunnen zien. Bij Tegen de Lamp (2009) werden we iets publieksvriendelijker door onze stroom vóór de voorstelling te produceren. Het onderwerp was nog steeds ecologie, met veel tips om beter te leven van Low Impact Man erbij.’

Mogen we nu ook weer veel tips verwachten?
Dimitri Leue: ‘Helemaal niet, integendeel zelfs. Door die twee voorstellingen heb ik geleerd dat theaterbezoekers het vaak helemaal niet leuk vinden om met weetjes gebombardeerd te worden. Het schrikt veel mensen af. Dodo Klein en Dodo Groot zijn terug gewone theatervoorstellingen met alles erop en eraan, waarbij biodiversiteit een onderwerp is op de achtergrond. Ik geloof dat het beter is als mensen door een voorstelling aangezet worden om zelf op zoek te gaan naar oplossingen, dan dat ik hen vertel wat ze moeten doen.’
Waarom precies de dodo?
Dimitri Leue: ‘Omdat het de eerste diersoort is die zo duidelijk door toedoen van de mens is uitgestorven. In 1598 zijn de Nederlanders op Mauritius aangekomen. In 1681 was er geen enkele dodo meer in leven. Niet omdat de Nederlanders ze allemaal letterlijk hadden opgegeten, maar onder andere ook omdat ze honden, varkens en ratten aan boord hadden die ontsnapten en dodo-eieren aten, terwijl de dodo er maar één per jaar legde. Hoe dan ook, zonder de komst van de mens leefde de dodo nog.’
Soorten evolueren en verdwijnen, dat is altijd zo geweest, zeggen sommigen. Het is the Survival of the Fittest. Maken we ons nu niet te veel zorgen?
Dimitri Leue: ‘Met een Survival of the Fittest-logica zou je zieke en oude mensen aan hun lot moeten overlaten, terwijl we hen proberen te genezen en zo oud mogelijk te laten worden. Omdat we de mensheid belangrijk vinden. Maar is het ook niet de moeite om de ijsbeer en de poolvos in stand te houden? Bovendien maken alle dieren en planten deel uit van een groter ecosysteem, waarin het evenwicht verstoord kan worden door het verdwijnen van één soort. Ook heel kleine dieren kunnen zeer belangrijk zijn. Er zijn al boomsoorten uitgestorven omdat ze afhankelijk waren van één verdwenen diersoort. Als dieren door toedoen van de mens verdwijnen, vind ik dat wij de verantwoordelijkheid hebben om dat op te lossen.’

Proper vliegen op afval

Vliegen met biobrandstof die de voedselprijzen niet de hoogte in jaagt, komt binnenkort weer een stap dichterbij.

Biofuels van de eerste generatie gaven biobrandstof een slechte naam omdat ze op basis van voedingsgewassen werden gemaakt, zoals soja, koolzaad en maïs. De biobrandstofindustrie vond zichzelf ondertussen opnieuw uit en stortte zich op afval en gewassen die niet met de voedselproductie in conflict komen. Een comité dat de standaarden voor luchtvaartbrandstof bepaalt, gaf onlangs groen licht voor het gebruik van een 50/50 mix van traditionele kerosine met brandstof afkomstig van organisch afval en niet-voedingsvezels, zoals algen en houtsnippers. De voorlopige goedkeuring van de brandstofmix geeft groen licht aan Lufthansa voor testvluchten met biobrandstoffen geproduceerd op basis van jatropha, vlasdodder en dierlijke mest.

Een markt van 95 miljard
De markt voor vliegtuigbrandstof vertegenwoordigt meer dan 95 miljard euro per jaar. Deze gigantische markt wordt weldra het speelterrein van biobrandstofproducenten als AmyrisCodexisGevo en Solazyme enAbengoa. Ook multinationals als Honeywell proberen hun deel van de biobrandstofkoek veilig te stellen. Ondertussen werken verschillende bedrijven aan het opzetten van biobrandstofproductie-eenheden over de hele wereld. Vliegtuigbouwers als Airbus en Boeing, dat een witboek over biobrandstof publiceerde, geven aan dat biobrandstof geen groen schaamlapje is maar een blijver. Luchtvaartmaatschappijen denken daarbij uiteraard aan hun imago, maar toch ook vooral aan hun portemonnee. Vanaf januari 2012 voorziet de Europese Commissie emissiehandel voor vliegtuigexploitanten, waardoor ze worden aangemoedigd om minder conventionele fuel te gebruiken.

SN Brussels
Bij SN Brussels Airlines heet het dat ‘er nog geen concrete plannen zijn met biofuels, maar we volgen de zaak van zeer nabij op. Met name door onze alliantie met Lufthansa blijven we perfect op de hoogte van de resultaten van hun testvluchten met biofuels. Of en wanneer SN Brussels biofuels zal gebruiken, daarvoor is het nu nog te vroeg.’ SN Brussels wijst er op dat in het kader van haar programma b.green nu al de uitstoot van duizenden tonnen CO2 wordt vermeden, door indien mogelijk met kleinere toestellen te vliegen, door op allerlei manieren het gewicht van de toestellen en hun inhoud te beperken, door de piloten fuel-efficiënt te laten vliegen en door via het SESAR-project de toestellen zo zuinig mogelijk te laten aanvliegen op Brussel.

 

Gepubliceerd in Argus Actueel

Transport: de vervuiler betaalt

Na drie jaar onderhandelen is de nieuwe Eurovignetrichtlijn een feit. Het is een manier om transport minder vervuilend te maken én om de opbrengst (helaas slechts gedeeltelijk) te investeren in de verduurzaming van het transport.

Vlaams Europarlementslid Saïd El Khadraouï, die als rapporteur en hoofdonderhandelaar bij de totstandkoming van de richtlijn betrokken was, spreekt op zijn blog van ‘een kleine revolutie’ en ‘een belangrijke doorbraak.’ Het op 7 juni door het Europees parlement goedgekeurde compromis houdt in dat in de toekomst een nieuwe heffing (van 3 à 4 eurocent per km) mag worden geheven voor vrachtwagens vanaf 3,5 ton. Het is om te beginnen een manier om de verkeersdrukte te spreiden in de tijd en zo de files te verkleinen. Tijdens maximaal vijf piekuren per dag kan de elektronische wegentaks tot 175% boven het gemiddelde liggen. Zo worden vrachtwagens aangemoedigd om zoveel mogelijk buiten de traditionele file-uren te rijden. Een deel van het geld dat de luchtvervuiling en het lawaai dat transport produceert, wordt geïnvesteerd in de wegeninfrastructuur: (slechts) vijftien procent van de nieuwe heffing moet verplicht gebruikt worden om te investeren in duurzame trans-Europese transportinfrastructuur.

Terwijl het huidige Eurovignet (in voege sinds 2006) enkel gold voor het zogenaamde trans-Europees transportnetwerk, biedt het nieuwe vignet landen de mogelijkheid om een vergoeding te vragen voor vrachtwagens op alle wegen. De kost per vrachtwagen hangt af van de mate waarin hij het milieu vervuilt. Vrachtwagens die voldoen aan de hoogste norm (Euro VI), worden het eerste jaar vrijgesteld van heffingen op de luchtvervuiling. Maar vrachtwagens die gevoelige gebieden als de Alpen doorkruisen, worden dan weer tot 25% zwaarder getroffen, en vervuilende oudere vrachtwagens moeten meer taks betalen. Door deze gedeeltelijke internalisering van milieukosten worden de transportbedrijven aangemoedigd om hun vloot versneld te verjongen.

 

Kritiek

Niet iedereen vindt dat deze nieuwe richtlijn ver genoeg gaat. Rapporteur Saïd El Khadraouï geeft zelf aan dat er nog heel wat werk aan de winkel is. De Groene Europarlementsleden spreken van ‘een gemiste kans om milieukosten en de kosten van de klimaatsverandering echt door te rekenen’, maar ze keurden het akkoord wel mee goed. Het Duitse groene Europarlementslid Michael Cramer wijst onder andere op het ontbreken van externe kosten zoals de schade aan de biodiversiteit en de afhankelijkheid van olie. Francesco Del Boca van de Europese wegtransportbond hekelt het feit dat ‘de richtlijn niet garandeert dat de externe kosten die veroorzaakt worden door transport zullen worden verminderd: lidstaten kunnen doen wat ze willen met de inkomsten.’