De stad als hindernissenpiste

Voor de argeloze toeschouwer lijken het gekken: jongeren die midden in de stad halsbrekende toeren uithalen. Zijn de beoefenaars van parkour de nieuwe kamikazes?

Ze lopen letterlijk tegen de muren op, zwieren lenig langs stellingen en verkeersborden, maken salto’s op straatmeubilair, springen onvervaard van fietsrek naar fietsrek en soms zelfs van het ene dak naar het andere. De stad is hun speeltuin, hun klimmuur, hun jungle. Eén foutje en ze breken hun nek, zo lijkt het. Twee weken geleden nog werd een groepje Antwerpse traceurs die zich de Wayaw Movement noemen, door het klimteam van de plaatselijke brandweer uit een dakgoot verlost. De politie achtte het onverantwoord om hen op eigen kracht te laten afdalen. Maar de beoefenaars van parkour weten doorgaans heel goed waar ze mee bezig zijn en waar hun grenzen liggen. Parkour of freerunning geldt als de laatste nieuwe stedelijke rage, maar eigenlijk bestaat de discipline al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. De roots gaan nog verder terug. De Franse luitenant-ter-zee ­George Hébert (1875-1957) ontwikkelde aan het begin van de twintigste eeuw zijn méthode naturelle, een manier van trainen en voortbewegen geïnspireerd op de soepele bewegingen van wat hij les peuples non civilisés noemde. Héberts methode legde de basis voor de Franse militaire training die verder werd ontwikkeld tot het parcours du combattant, een militaire hindernissenkoers. De Franse Vietnamveteraan Raymond Belle (1939-1999) leerde de kneepjes van het vak aan zijn zoon David (°1973), die de discipline in de jaren tachtig kruidde met een snuifje gymnastiek en een lepel vechtsport. Het was David die de s dropte en de c inruilde voor een hippere k – parkour was geboren. Samen met zijn vrienden vormde Belle jr. een groepje dat zich Yamakasi noemde en de inspiratie vormden voor Luc Bessons film Yamakasi. Les samouraïs des temps modernes (2001). Zeker geen meesterwerk, maar de prent hielp parkour bekend maken bij het grote publiek.

Blessures

Ook België telt inmiddels enkele honderden beoefenaars van parkour (‘traceurs’ in het jargon) en ze worden steeds talrijker. Sommigen imiteren op eigen houtje stunts uit onverantwoorde Youtube-filmpjes. Maar in wezen is parkour een groepsgebeuren waarin ervaren traceurs hun jongere kompanen behoeden voor roekeloos gedrag. In de turnzaal van een Antwerpse middelbare school heb ik na schooltijd afgesproken met Ersin Bogaerts (26) en Tom De Backer (34), de stichters en bezielers van de drie maanden oude Antwerp Parkour School. Ersin is in het dagelijks leven beroepsmilitair bij de infanterie, Tom werkt als vertaler. Ze zijn allebei al jaren in de ban van de parkour-microbe. ‘Ik ben een jaar of zes geleden met parkour begonnen, na het zien van Yamakasi’, zegt Ersin. ‘Maar eigenlijk heb ik mijn hele kindertijd niets anders gedaan: in bomen en op muurtjes klimmen en ervan afspringen.’ Ersin stroopt zijn rechter broekspijp op en toont een bobbel bij de aanhechting van de kniepees en het scheenbeen, het gevolg van te jong en te intensief springen. ‘Het is om dat soort blessures te vermijden dat we jongeren trainen.’ Wat trekt hem aan in parkour? ‘Mensen zijn vergeten hoe je op een natuurlijke manier kunt bewegen’, zegt Ersin. ‘Kijk naar de dieren, hoe soepel en snel zij obstakels vermijden. Dat proberen wij opnieuw aan te leren. Maar parkour is veel meer dan een manier van bewegen: het is een levenswijze. Wij zullen nooit iemands eigendom beschadigen of mensen aan het schrikken brengen.’ Tom vult aan: ‘We dwingen niemand om halsbrekende toeren uit te halen. Iedereen moet zijn grenzen kennen. We vermijden peer pressure, al stel ik vast dat je minder vlot uit je comfortzone geraakt als je alleen traint.’ De intensieve sportbeoefening met veel krachttraining, scherp ruimtelijk inzicht en een goed evenwichtsgevoel helpt ook bij de dagelijkse routine, zegt Tom. ‘Bij parkour heb je slechts een fractie van een seconde om een situatie juist in te schatten, er goed op in te spelen en weer op je voeten te landen. Ook op mijn werk voel ik me beter voorbereid op een telefoontje van een lastige klant.’

Kom van dat dak af

Na een kwartiertje opwarming stuiteren de drie opgedaagde clubleden door de turnzaal. Ze slingeren onder een balk door, springen over opeenvolgende springkasten en landen op een klimrek. Wie te hard neerkomt, moet tien keer pompen, als straf voor de overbelaste knieën. Als de moves goed zijn ingeoefend, kan het echte werk beginnen. Voor een traceur is de stad één grote speeltuin. Waar de gewone voetganger zich beperkt tot de veilige tweedimensionale ruimte van het voetpad, ziet de beoefenaar van parkour de stad in drie dimensies. Muurtjes, zitbanken, relingen, zelfs dakgoten en daken schrikken hem niet af. Van het ene dak naar het andere springen zoals in actiefilms, ook daar draait de ervaren traceur zijn hand niet voor om, toch? Tom aarzelt even en zegt dan: ‘Ja, wij springen van daken. Niet elke dag en niet om het even waar, maar we zijn er fysiek en mentaal toe in staat en onze discipline maakt het ons mogelijk om te komen op plekken waar niemand anders geraakt. Maar ik doe het nooit met iemand van wie ik niet zeker ben dat hij zich kan redden. En je moet altijd op een veilige manier terug kunnen.’ ‘We zoeken het gevaar niet op’, vult Ersin aan. ‘We gaan behoedzaam te werk en we trainen om in onvoorziene omstandigheden ons evenwicht te bewaren en goed neer te komen. Tegelijk is het ook een mentale test: kan ik een handstand uitvoeren op een reling op twee hoog als ik dat op de begane grond ook kan? Maar nogmaals: veiligheid komt voor alles.’ Hij wijst naar de T-shirts van de Antwerp Parkour School met als opschrift: ‘Agility. Persistence. Safety’: lenigheid, doorzettingsvermogen en veiligheid. Er staat geen maximumleeftijd op parkour. Ersin en Tom willen hun sport blijven beoefenen zo lang ze kunnen. Wat ze aan lenigheid inboeten, bouwen ze op aan ervaring, waarmee ze de komende generaties kunnen voeden. ‘Het belangrijkste aan parkour is de vriendschap’, zegt Ersin ‘Samen dingen doen, in de eigen stad of op verplaatsing. De passie voor de discipline schept vriendschappen voor het leven. Intensief met sport bezig zijn impliceert dat je goed voor je lichaam zorgt. Dat betekent voor mij drugsvrij en met zo weinig mogelijk alcohol door het leven gaan. Ik hou me ook aan de leuze van de Yamakasi: être fort pour être utile: wij staan fysiek en mentaal klaar om mensen in alle omstandigheden te helpen.’ Misschien zijn de traceurs wel de boyscouts van deze tijd, die het sjorren door springen hebben vervangen.

Cattle jumping

Voor jeugdschrijfster en antropologe Marita De Sterck vormde Ersin de inspiratie voor Niet zonder liefde, haar boek met parkour als thema. Voor de antropologe is de link met initiatierituelen snel gelegd. ‘Ik zie onder andere verwantschappen met cattle jumping, een ritueel uit Ethiopië waarbij jongens over vee springen en waarvoor ook wordt getraind. Net als bij parkour geven de jongens elkaar tips door en evolueren ze na een tijdje tot leermeester. Zo ontstaat een vorm van hiërarchie.’ Respect, discipline en verantwoordelijkheidsgevoel zijn voor traceurs geen holle woorden, leerde De Sterck toen ze een tijdlang verscheidene parkour-groepen observeerde. ‘Ze zijn als de dood voor imitatie­gedrag en als iemand op straat hen vraagt om met hun gekkenwerk te stoppen, leggen ze altijd heel beleefd uit wat ze aan het doen zijn. Omdat het fysieke zo belangrijk is in hun discipline, mijden ze drugs en drank. Ze willen echt scherp staan, ze zijn ongelooflijk getraind. Daar kan onze generatie nog wel het een en ander van leren.’ www.facebook.com/AntwerpParkourSchool

Verschenen in De Standaard op 14/6/14