Succes met sensoren

Cmosis won onlangs een IWT innovatie-award. In zes jaar bereikte het bedrijf de internationale top in het ontwerpen en produceren van beeldsensoren.

Een van de sensoren die de Cmosis-oprichters maakten met hun vorige bedrijf, bevindt zich aan boord van de Mars Express in een baan om de rode planeet. Een van hun huidige paradepaardjes vormt het hart van de gloednieuwe Leica M, een beeldsensor die schitterende resultaten neerzet. De zaken gaan uitstekend bij het Antwerpse Cmosis, een ontwikkelaar van geavanceerde beeldsensoren die in 2007 werd opgericht en nu 55 werknemers telt, waaronder een tiental doctors. Als de orders blijven binnenlopen zoals in het eerste kwartaal, zullen ze hun omzet verdrievoudigen tot 40 miljoen euro. Vorig jaar werd op een omzet van 12,3 miljoen euro 1,6 miljoen winst voor belastingen gerealiseerd.

De vijf oprichters van Cmosis, waarvan er nog vier actief zijn in het bedrijf, hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. Ze leerden elkaar kennen bij Imec, het Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum in Leuven. Guy Meynants, vandaag chief technological officer en hoofd R&D bij Cmosis, richtte samen met enkele collega’s in 1999 Fillfactory op, een spin-off gespecialiseerd in CMOS-beeldsensoren, destijds beschouwd als inferieur aan de meer gangbare CCD-sensoren.

Meynants doctoreerde aan de KU Leuven op CMOS, net als Jan Bogaerts, vandaag chief scientist van Cmosis. Samen met hun toenmalige afdelingshoofd Lou Hermans (vandaag chief operating officer) en enkele collega’s zagen ze mogelijkheden tot verdere innovatie en commercialisering. Jan Bogaerts: ‘CCD’s bestonden al lang en spectaculaire verbeteringen waren niet meer mogelijk. Bij CMOS kon dat nog wel.’

‘Het grote voordeel is dat CMOS gebaseerd is op siliciumtechnologie, een materiaal dat puur toevallig dezelfde lichtgevoeligheid heeft als het menselijk oog. Bovendien kunnen we profiteren van alles wat gebeurt binnen de micro-elektronica, die ook siliciumgebaseerd is’, zegt Guy Meynants.

Het eerste zakelijke avontuur eindigde met gemengde gevoelens. Fillfactory werd voor 100 miljoen dollar overgenomen door Cypress Semiconductor, maar het Amerikaanse bedrijf slaagde er niet in om de markt van gsm-camera’s in te pikken zoals gepland en verkocht de activiteit in 2011 aan On Semi.

Het bleef kriebelen. De oprichters van Fillfactory vonden elkaar terug en richtten Cmosis op. De financiering rond krijgen bleek vrij eenvoudig. De oprichters en het durfkapitaalfonds Capital-E zorgden voor een miljoen euro om het eerste anderhalf jaar te overbruggen. Later kwamen Vinnof en ING aan boord en tastte het management opnieuw zelf in de portefeuille. Ook de overheid hielp in de afgelopen jaren een handje, met IWT-steun, Europese subsidies (onder andere rond medische beeldvorming) en de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers. ‘Bij de laatste begrotingsmaatregelen is die zelfs verhoogd naar 80%, maar de voorwaarden zijn verstrengd’, zegt Guy Meynants. ‘We vrezen dan ook voor meer administratieve rompslomp.’

Cmosis beschikt over enkele geoctrooieerde uitvindingen die een voorsprong geven op de concurrentie. Zo zijn de ontwikkelaars erin geslaagd om pixels anders op te bouwen en de beeldruis tot een minimum te beperken, ook bij lage lichtsterktes. Met hun superieure analoog-digitaalconvertoren worden pixels sneller en efficiënter uitgelezen, zodat er minder stroom nodig is en batterijen langer meegaan.

Cmosis werkt op vraag van de klant, maar hun standaardproducten vormen de ruggengraat van het bedrijf. ‘Toen we opstartten, wilden we drie dingen doen’, zegt Meynants. ‘Octrooien indienen met onze nieuwe ideeën, een product ontwikkelen dat binnen de twee jaar succesvol op de markt kon komen en klanten vinden voor klantspecifieke ontwikkelingen. Het zijn de eigen producten die vandaag de toekomst van het bedrijf verzekeren.’

Een van de mooiste uithangborden van het bedrijf is de samenwerking met Leica. Het kan vreemd lijken dat een camerabouwer als Leica zijn beeldsensor niet zelf ontwikkelt, maar de ontwikkeling uitbesteedt. Meynants: ‘Wij profiteren van de knowhow die we voor andere klanten opbouwen. Leica bezorgt ons een lijst van wensen en het is onze zaak die mogelijk te maken. Zo lang iets fysiek mogelijk is, zijn wij geneigd op zo’n vraag in te gaan.’

Intellectuele eigendom

De kracht van Cmosis is dat ze de eigen intellectuele eigendom niet uit handen geven. Meynants: ‘We bieden Leica wel exclusiviteit op deze specifieke sensor, maar de onderliggende circuits blijven onze intellectuele eigendom: dat is onze kernkennis. Alleen zo kunnen we andere klanten de kans geven mee te profiteren van nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Het is een open innovatiemodel, zonder dat we het expliciet zo noemen.’

Een bijkomend voordeel is ook dat het bedrijf niet afhankelijk is van één klant. Leica is goed voor ongeveer een derde van de omzet. De helft van de omzet komt uit de wereld van de machinevisie, verdeeld over meer dan tweehonderd klanten. Cmosis doet het met andere woorden uitstekend.

Bestaat de kans niet op een overname en een nieuw Fillfactory-scenario? ‘Ik hoop dat we de innovatiestrategie van het bedrijf in eigen handen kunnen houden,’ zegt Guy Meynants. ‘Met de oprichters en het personeel hebben we toch zo’n 30% van de aandelen in handen, als we onze opties meetellen.’

www.cmosis.com

Verschenen in De Standaard, 27/4/13

Een labo in een doosje

Het labo van de toekomst is twee inktpatronen groot. Een geneeskundige revolutie in zakformaat.

We wanen ons in een sciencefictionfilm. In een stofvrije productieruimte achter glas werken technici met chirurgenmaskers aan gesofisticeerde machines die witte cartridges produceren. Ze zijn twee inktpatronen groot, maar er schuilt een volledig laboratorium in.

De plastic doosjes zijn een proefversie van Apollo, het nieuwe geesteskind van Rudi Pauwels. ‘Je kan eender welk klinisch staal in de cartridge inbrengen en na één tot anderhalf uur heb je resultaat’, zegt de ceo van Biocartis. ‘Of het nu tumorweefsel, bloed of slijm is, dit toestelletje breekt elk weefsel open en stelt ons in staat om tientallen zones in het genetisch materiaal van het staal te ondervragen.’

De cartridge wordt ingeladen in een toestel dat de resultaten uitleest. Handelingen die tot vandaag door verschillende gespecialiseerde laboranten worden uitgevoerd op complexe apparatuur om bijvoorbeeld kanker te detecteren, voert dit doosje in een mum van tijd uit. Apollo komt pas volgend jaar (onder een andere naam) op de markt. De proefversies worden in samenwerking met verschillende labo’s en instituten uitgetest en verder verfijnd.

Hiv-remmers

Als het op innovatie in de biotechsector aankomt, is Rudi Pauwels, een doctor in de farmaceutische wetenschappen, niet aan zijn proefstuk toe. Zijn eerste bedrijf, Tibotec, ontwikkelde op amper een paar jaar tijd drie hiv-remmers die vandaag de hoekstenen vormen van succesvolle aids-therapie.

‘Aan elke innovatie gaat een incubatietijd vooraf’, zegt Pauwels. ‘Samen met mijn collega’s van het Leuvense Rega Instituut ging ik door een periode van trial and error , om dan tot een belangrijk inzicht te komen. We wilden niet de zoveelste verbeterde hiv-remmer maken. We wilden medicijnen produceren die we onszelf zouden toedienen als we hiv zouden hebben. Dat deden we door aan de hand van een enorme hoeveelheid data te ontdekken wat hiv precies deed. Wij zagen het probleem in multicolor, terwijl anderen in zwart-wit keken.’

Pauwels is er de man niet naar om op zijn lauweren te rusten. Hij richtte samen met Paul Stoffels een ander bedrijf op, Virco, en hij stond mee aan de wieg van Galapagos. Virco stortte zich op biomerkers – stoffen in het lichaam die de toestand van een ziekte weergeven, meer bepaald in welke mate een patiënt weerstand tegen anti-hiv-middelen had opgebouwd.

In 2002 werd Tibotec-Virco verkocht aan Johnson & Johnson. Pauwels ging herbronnen in het Zwitserse Lausanne, en verdiepte zich in nano- en microtechnologie. ‘Ik zou iedereen op zijn tijd een sabbatical aanraden’, zegt hij. ‘Op een bepaald moment zijn 90% van je ideeën gerealiseerd en stel je vast dat je in een doodlopend straatje zit. Dan is het nodig om je eigen kennis in vraag te stellen. Wat me aan Virco frustreerde, is dat het concept niet schaalbaar genoeg was. Als de toekomst van de geneeskunde afhangt van hoe we accuraat dingen in ons lichaam kunnen meten, moeten we nadenken over hoe we complexe testen kunnen democratiseren door ze dichter te brengen bij waar ze nodig zijn. Dat is wat Apollo doet.’

Industrialisatiekloof

Apollo bouwt verder op een ontwikkeling van Philips, vandaag een van de minderheidsaandeelhouders van Biocartis. ‘Je moet niet alles zelf trachten uit te vinden’, zegt Pauwels. ‘Innovatie is ook het leggen van nieuwe verbanden tussen concepten die uit andere domeinen komen. Het belang van uitvindingen wordt sterk overschat. Het is de industrialisatiekloof die je moet overbruggen. Hoe belangrijk technologische innovaties ook zijn, uiteindelijk zijn het slechts elementen om tot de uiteindelijke oplossing te komen. Het kost ook tien keer meer tijd en geld om een werkend prototype te laten evolueren tot een industrieel product dat betrouwbaar is en aan een redelijke kostprijs kan worden geproduceerd. Bij ons zitten de ontwikkeling en de productie in één gebouw en zo winnen we enorm aan efficiëntie.’

Biocartis haalde inmiddels al 150 miljoen euro op, en tekent daarmee voor een van de grootste fundraisingsuccessen in de sector over de laatste jaren.

Biocartis zoekt zelf geen biomerkers, dat laten ze aan de specialisten over. Apollo werkt met een open architectuur van licenties. ‘Alle succesvolle platformen zijn vandaag gebaseerd op collaborative innovation ‘, zegt Rudi Pauwels. ‘Bedrijven als Biomérieux en Johnson & Johnson, maar net zo goed kleinere bedrijven met een interessante en goedgekeurde test kunnen in de toekomst ontwikkelaars worden van diagnostische apps. Biocartis blijft verantwoordelijk voor de optimalisatie van het platform, dat zeer veel verschillende tests kan uitvoeren. Die samenwerking tussen bedrijven is onontbeerlijk: alleen zo kan de gezondheidssector kostenefficiënter worden.’

Dreigen laboranten niet zonder werk te vallen als Apollo een wereldsucces wordt? ‘Het probleem is omgekeerd: er zijn nu al te weinig laboranten. Niet alleen in de westerse wereld, maar zeker ook in de groeimarkten: we stellen elk labo in staat moleculaire tests uit te voeren, zonder dat er een moleculair bioloog aan te pas komt.’

De mensen die we achter glas zagen werken, geven hoop voor de (hoogtechnologische) maakindustrie in ons land. ‘Sommige van onze technici werkten tot vorig jaar bij Opel, ze zijn nauwkeurig en gemotiveerd. We hebben ze omgeschoold en vandaag assembleren ze Apollo. Deze vorm van manufacturing kan je niet zomaar outsourcen naar een lageloonland, want het moet in heel welbepaalde technologische, gecontroleerde en hygiënische omstandigheden gebeuren.’

www.biocartis.com

Verschenen in De Standaard, 13/4/13

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Portefeuille Stefan Duchateau

‘Speculatie druist in tegen mijn methodiek’

Stefan Duchateau is docent Financial Risk Management, Advanced Portfolio Management en Financial Engineering. Daarnaast werkt hij als consulent voor ondermeer Argenta. In een vroegere functie maakte hij ondermeer KBC Asset Management groot.

Wat is uw analyse van de toestand op de beurzen en in de bankwereld?

‘Ons kapitalistisch marktsysteem is gebaseerd op een aantal assumpties. Als die niet meer kloppen, worden we overgelaten aan elementen waarvan we de draagwijdte niet kunnen inschatten. In mijn cursussen begin ik bij het faillissement van het hefboomfonds Long-Term Capital Management in 1998. Daar kwam alles samen: de hebzucht van enkelingen, de eerzucht van een aantal mensen die dachten dat ze zich niet konden vergissen, tot en met de heerszucht van degenen die erop moesten toezien en alles toedekten. Een near miss, waarbij de schade gelukkig beperkt bleef tot de aandeelhouders van LTCM. We wisten wat er verkeerd kon gaan: het opbouwen van duizenden posities, die allemaal kwetsbaar waren voor liquiditeitsrisico.’

Is hebzucht ook vandaag het grootste probleem?

‘Het heeft er toe bijgedragen, maar de mens is al tienduizenden jaren hebzuchtig. Waarom loopt het nu zo grondig mis? Door de falende strategie van de banken had men nood aan aanvullende inkomsten. Die moesten altijd groter worden en daarom had men traders nodig die altijd maar grotere risico’s wilden en mochten nemen. De eerzucht en onbekwaamheid van een aantal CEO’s is een belangrijker factor dan hebzucht.’

Veel banken hebben hun les nog altijd niet geleerd, weten we nu.

‘Het is niet overdreven te stellen dat we vandaag dicht bij het realiseren van het systeemrisico staan. Wanneer er door Europa geen degelijke constructie in het vooruitzicht wordt gesteld, zou het kunnen dat er grotere banken dan Dexia in de problemen geraken, met alle domino-effecten vandien op andere banken, ondernemingen en overheden. Terwijl de oplossing eenvoudig is: gedurende een paar jaar een obligatiegarantie uitspreken voor alle Europese landen die het nodig hebben. Dat moet volstaan om rust te creëren en blijvende maatregelen uit te werken.’

Welke aandelen houdt u in deze omstandigheden nog in portefeuille?

‘Eigenlijk vraag je een schoenmaker niet welke schoenen hij draagt, maar vooruit. Ik bekijk mijn portefeuille op de lange termijn en huldig daarbij het allocatieprincipe dat de Talmoed voorschrijft: een derde in grond, een derde in zaken en een derde in geld. (lacht) Voor mij komt dat neer op 33% vastgoed, 33% aandelen en 33% cash. Wat ik maandag (vandaag, red.) zal doen, zal afhangen van de toestand op de beurzen. Als er effectief systeemrisico is, probeer ik zoveel mogelijk aandelen te verkopen, maar ik vermoed dat men met een voldoende degelijke oplossing zal komen. Als dat het geval is, bouw ik mijn cash af en investeer ik in gebalanceerde defensieve producten met kapitaalsbescherming.’

Wat is uw beleggingshorizon?

‘Ik ben er absoluut van overtuigd dat je aandelen moet kopen met de bedoeling ze tien à twintig jaar in portefeuille te houden. Aandelen uitpikken is nooit mijn ding geweest. Ik ben altijd meer bezig geweest met de structuur die je moet bouwen onder portefeuilles, hoe je het risico onder controle houdt en hoe de portefeuille-analyse moet werken. Waar ik altijd van heb gewalgd is speculatie. Je mag zowel mijn persoonlijke als professionele portefeuilles erg zeer grondig op navlooien: ik doe niet aan speculeren.’

Druist het in tegen uw gevoel voor ethiek?

‘In de eerste plaats tegen mijn methodiek. Resultaten komen van goede structuren en disciplinair omgaan met langetermijn asset-allocatie. In mijn definitie is een beurs een plek waar op een efficiënte manier risico’s dienen te worden geprijsd en gespreid over vele schouders. Als je daar roversbendes op loslaat die parasiteren op het systeem, krijg je een karikatuur van hyena’s die onterecht op de hele biotoop afstraalt. Hyena’s hebben hun nuttige kanten, maar ze moeten niet verheerlijkt worden. Mensen moeten beseffen dat speculeren geen heldengedrag is, maar abnormaal gedrag. Ik kan overigens met harde cijfers aantonen dat dit type van investeringsgedrag over de langere termijn enkel verliezen veroorzaakt.’

BESTE INVESTERING

‘Mijn drie grootste posities zijn ook mijn beste: Apple, IBM en India. Ik heb Apple gekocht toen ze tien dollar stonden, en ben gestopt met kopen toen ze over de 150 dollar gingen. Men vergeet ook wel eens hoe goed IBM het op de lange termijn heeft gedaan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Er is één ding waar ik spijt van heb en dat ik onmogelijk kan compenseren: de tijd die ik verloren heb door te lang en tegen beter weten in bij sommige grootbanken te blijven, toen ze onder bewind kwamen van verkeerde mensen.’

Verschenen in De Standaard op 24/10/2011

Portefeuille Lorenz Bogaert

‘Ik ben een emotionele belegger’

Samen met Toon Coppens stampte Lorenz Bogaert in 2003 de sociale netwerksite Netlog uit de grond, met een startkapitaal van amper 6.000 euro. Samen met zijn vennoot is hij vandaag meerderheidsaandeelhouder van Massive Media, het bedrijf dat hun diverse online activiteiten overkoepelt.

In 2007 verkocht u een deel van de aandelen van Massive Media aan durfkapitalisten voor 5 miljoen euro. Welke eisen stellen zij aan het bedrijf?

‘De belangrijkste investeerder, Index Ventures, is een van de meest gereputeerde durfkapitalisten in Europa. Zij stellen geen eisen, maar koesteren wel verwachtingen, met name: groei. Al onze investeerders vertrouwen heel sterk op de oprichters. Ze houden ons handje niet vast maar bezorgen ons op bijna Socratische wijze correcte en terechte adviezen. Ze doen dat eerder door vragen te stellen dan door te zeggen wat we moeten doen. Wij zijn nooit gepusht door onze investeerders, en dat is een zalig gevoel.’

Bent u op zoek naar nieuwe investeerders voor Massive Media?

‘Op dit moment niet. We zijn heel zuinig omgesprongen met de kapitaalsinjectie uit 2007, die ons heeft toegelaten een mooie buffer op te bouwen. Tegenwoordig is onze dating community Twoo heel sterk aan het groeien. Als het zo doorgaat, doen we misschien toch nog een beroep op extra kapitaal. Maar dan kijken we in de eerste plaats naar onze bestaande investeerders, die altijd hebben laten weten daar bereid toe te zijn. Een beursgang is niet aan de orde, alhoewel op lange termijn niet uitgesloten.’

Belegt u zelf in aandelen?

‘Mijn beleggingen op de beurs hebben tot nog toe een zeer wisselend succes gekend. Ik ben ingestapt in 2008, op een moment dat ik geloofde dat de beurs niet verder kon zakken. Maar het bleek nog lager te kunnen. Gelukkig had ik vooral geïnvesteerd in bedrijven die ik ken, zoals Apple, dat daarna 400% is gestegen. Ik vind het belangrijk dat je het bedrijf en zijn producten kent, en ik zou het liefst alleen in IT en technologie investeren.’

Maar?

‘Iedereen raadde me aan mijn portefeuille te diversifiëren, zodat ik ook aandelen als Fortis en Dexia heb gekocht. Die heb ik met forse verliezen moeten verkopen, waardoor mijn rendement in totaal bijna nul bedraagt. Als ik de stress meereken, zijn aandelen eigenlijk niets voor mij. Ondertussen heb ik mijn aandelenportefeuille grotendeels afgebouwd en beperk ik me voornamelijk tot de parallelfondsen van Index Ventures, waardoor je als het ware mee kunt investeren in de bedrijven waar Index instapt. Dat is trouwens mijn investering met het beste rendement. Ik ben al een paar keer in positieve zin geschrokken van de bedragen die ze uitkeren na een exit.’

Welke aandelen zou u iedereen aanraden?

‘Ik kijk nog even de kat uit de boom, maar mijn voorkeur zou dan gaan naar bedrijven die ik ken en waarvan ik de producten zelf gebruik: de elektrische voertuigenbouwer Tesla, Apple, Amazon, Google. Vooral grote namen die al iets bewezen hebben op de beurs, en die nog veel potentieel hebben. Ik ben misschien een emotionele belegger, maar als ik in het verleden meer was afgegaan op mijn buikgevoel, zou ik een beter rendement hebben.’

Op welk gebied bent u eerder zuinig?

‘Zuinig is misschien niet het juiste woord, maar ik ben wel iemand die zwaar aan het rekenen slaat als hij iets wil kopen. Als ik een huis koop, verzoek ik verschillende experts om advies. Bij elke belangrijke aankoop vraag ik veel offertes en pik ik er de beste uit. Ik luister ook naar aanbevelingen van andere mensen. Mijn Tesla lijkt misschien een dure aankoop, maar ik heb het allemaal nagerekend: geen benzine meer, geen BIV, geen verkeersbelasting, 125% aftrekbaarheid. En ik vermijd tankstations, waardoor ik geen cola en snoep meer koop.’ (lacht)

Waar kunt u veel geld aan uitgeven?

‘Aan alles waar ik zelf van kan genieten: een huis, een appartementje aan de zee. Op termijn zijn dat waarschijnlijk ook goede beleggingen, maar het gaat me vooral om de waarde, het plezier en het gebruik. Reizen vind ik ook heel belangrijk voor mijn geluk. Persoonlijk rendement is voor mij veel belangrijker dan financieel rendement.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Een paar jaar geleden bood mijn bank me een IPO’tje aan, een evenementenbedrijf dat naar de beurs trok. Tegen mijn gewoonte in heb ik ingetekend zonder het aandeel eerst grondig te onderzoeken. Na een paar maand was het bedrijf failliet en was ik de (gelukkig kleine) investering helemaal kwijt.’

BESTE INVESTERING

‘In 2003 heb ik samen met Toon Coppens elk 3.000 euro bijeengeraapt om het bedrijf op te richten dat nu Massive Media heet. We mogen zeker niet klagen over het rendement, maar we hebben ook zwarte sneeuw gezien, ups en downs gekend en altijd keihard doorgewerkt. Het komt zeker niet vanzelf.’

Verschenen in De Standaard, 3/10/10

‘Vertrouwen in technologie, niet in politiek’

Met Fred Pearce komt een van Groot-Brittaniës meest gereputeerde wetenschapsjournalisten naar Het Groene Boek. Wij belden hem in zijn thuisbasis Londen.

Fred Pearce werkt voor New Scientist en schrijft regelmatig over milieu in The Guardian. Londenaar Pearce publiceerde de laatste jaren een aantal zeer interessante boeken over klimaatsverandering, milieu en overbevolking. In De laatste generatie. Hoe de natuur wraak neemt voor het broeikaseffect gaat hij één voor één de factoren na die erop wijzen dat het klimaat aan het veranderen is. In Volksbeving. Van babyboom naar bevolkingscrash legt hij uit dat de vrees voor overbevolking ons misleidt. Overconsumptie is volgens Pearce een veel groter probleem dan overbevolking. De bevolkingsgroei begint trouwens af te nemen. Fred Pearce drukt in Volksbeving de hoop uit dat onze steeds grijzere wereld, met meer senioren dan ooit tevoren, ook een groenere wereld mag worden. Hoog tijd voor een gesprek.

 

Uw boek De laatste generatie (The Last Generation, 2006) lijstte een hele resem zorgwekkende ontwikkelingen op die erop wijzen dat het klimaat van slag is. Werden die trends de afgelopen vijf jaar bevestigd?

Fred Pearce: Het boek ging uit van een worst case scenario, mochten de ergste veronderstellingen van klimaatwetenschappers werkelijkheid blijken te worden. Een aantal trends wijzen verontrustend genoeg nog altijd in dezelfde richting. Het snelle verdwijnen van het Arctische zee-ijs sinds 2007 is daar een van. Over het uiteenbreken van de Groenlandse ijskap zijn er tegenstrijdige berichten: bepaalde fysieke beperkingen verhinderen dat vooralsnog. Er bestaan nu nog meer bewijzen dan in 2006 over het opborrelen van methaangas uit de Siberische permafrost en de oceaanbodem in het noordpoolgebied. De voorspellingen over het stijgen van het zeeniveau zijn ondertussen naar boven bijgesteld. Het IPCC (Intergovernemental Panel on Climate Change) had het in 2007 over 30 tot 50 cm in de komende eeuw, sommig onderzoekers verwachten nu al 1 m in de komende eeuw. Er komen steeds meer schrikbarende scenario’s bij.

Een verschil met vijf jaar geleden is dat nu meer algemeen wordt aanvaard dat er een mede door de mens veroorzaakte klimaatsverandering aan de gang is.

Fred Pearce: We weten al vele jaren dat we broeikasgassen in de atmosfeer sturen, dat die de warmte vasthouden, en dat de aarde de laatste veertig jaar is opgewarmd. We weten dat er geen aannemelijke externe bronnen zijn die dat zouden kunnen veroorzaken. Er zal altijd een zeker mate van onzekerheid zijn over de precieze effecten ervan en wanneer en of de tipping points, de omslagpunten, zullen plaatsvinden. Dat blijft het moeilijkst te voorspellen. Ik blijf bij wat ik schreef in dat boek: ‘We weten minder dan we denken,’ maar dat geeft klimaatsceptici nog niet het recht om te twijfelen aan klimaatsverandering. Ik vind eerder dat we ons méér zorgen zouden moeten maken. Je kan altijd nog discussiëren over de mate waarin de menselijke activiteiten het klimaat veranderen en de mate van natuurlijke schommelingen, maar niemand zegt dat er geen natuurlijke schommelingen zijn.

Wat vindt u van de manier waarop overheden reageren op de klimaatsverandering?

Fred Pearce: Momenteel is het absoluut onvoldoende. Het hangt er nu vooral van af wat we gaan doen in de toekomst. Als de regeringsleiders het niet eens worden over de aanpak na het aflopen van het Kyoto-protocol eind 2012, dan zitten we zwaar in de problemen. Je kan niet beweren dat we uitgaanvan het voorzichtigheidsprincipe: de manier waarop wij met het milieu omgaan, is pure waaghalzerij. We spelen met een systeem dat we niet volledig begrijpen. Met onze koolstofuitstoot zetten we processen in gang die de natuur in het verleden heeft gebruikt om ijstijden te doen beginnen en eindigen. Dat er gevolgen zullen zijn, is zeker, alleen de omvang ervan blijft onzeker.

Het IPCC publiceerde onlangs een rapport over 77% hernieuwbare energie tegen 2050. Een realistisch scenario?

Fred Pearce: Dat is het meest optimistische scenario, waarin we veel minder energie gebruiken door toegenomen energie-efficiëntie. Het IPCC heeft ook een worst case scenario, waarin we zo’n 60% meer energie gebruiken en slechts 15% uit hernieuwbare bronnen halen. Er bestaan allerlei manieren om op koolstofloze wijze energie te genereren: kernenergie, als je die weg op wil tenminste, en koolstofopvang en –opslag, maar dat is nog geen beproefde technologie. Het ziet er dus naar uit dat we het met hernieuwbare bronnen zullen moeten doen. Met 77% hernieuwbare energie zouden we volgens het IPCC de concentratie CO2 in de lucht onder de 450 ppm (parts per million) kunnen houden, het niveau dat ons volgens veel wetenschappers de kans geeft om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2° C extra. Er is haast bij als we die 77% willen halen, en in de targets voor 2020 is daar niets van te merken. De technologie bestaat, dat is het probleem niet. Maar we zijn nu al bijna twintig jaar na de Conferentie van Rio (1992), waarop de wereld het eens was dat we gevaarlijke klimaatsverandering zouden tegengaan. Veel is er nog niet gebeurd.

Denkt u dat overheden de transitie naar een groene economie moeten in gang zetten, of eerder bedrijven of burgers?

Fred Pearce: ‘Liefst allemaal natuurlijk, maar laten we het praktisch bekijken. Overheden zijn nogal zwak, zij doen alleen wat ze denken dat hun kiezers echt willen en waar bedrijven echt voor lobbyen. Ik denk dat we als consument even machtig zijn dan als kiezer en dat we verwachtingen koesteren over de vergroening van bedrijven en het verminderen van hun uitstoot. Bedrijven zijn zich daarvan bewust. Als consumenten kunnen we bedrijven onder druk zetten. Vervolgens zullen zij ijveren voor strenge wetten, zodat ze allemaal even veel moeite moeten doen. De overheden gaan de wetten niet veranderen tenzij ze er echt toe aangezet worden door burgers en bedrijven. En als je als consument écht verandering wil, moet je ook groene producten kopen en groen stemmen.

Theoretisch weten we allemaal wat we moeten doen: minder of geen vlees eten, de auto laten staan, minder of niet vliegen. Maar voor veel mensen zijn dat net de dingen waar ze van genieten.

Fred Pearce: Dat klopt, maar het is niet allemaal slecht nieuws. We zijn met veel op de planeet, we moeten onze consumptiepatronen bijstellen, maar we moeten ook de technologie aanpassen waarmee we energie opwekken en transport aandrijven. We moeten minder energie gebruiken en veel minder fossiele brandstof, maar met de juiste technologische keuzes kunnen we een betere levensstijl hebben zonder de planeet te verwoesten. In de rijke wereld gebruiken we meer grondstoffen dan waar we recht op hebben, in verhouding tot wat mensen in de arme wereld hebben. Dat moeten we erkennen. Dat we onze levensstijl kunnen veranderen, hebben we al bewezen. Niemand rookt nog op restaurant, wie had dat tien jaar geleden gedacht? Waarschijnlijk vinden we over twintig jaar het idee van een voertuig op fossiele brandstof in een stad even vies als roken in een restaurant nu. We moeten dan wel de elektriciteit voor de voertuigen CO2-arm opwekken, anders zijn we nog slechter af.

Iets waar mensen zich zorgen over maken is wat er gebeurt met de wereld als een miljard Chinezen en Indiërs een Amerikaans consumptiepatroon aannemen. Wat denkt u?

Fred Pearce: De wereld kan geen miljard mensen aan die leven als Amerikanen. Het klopt dat landen als China Amerikaanse consumptiepatronen en technologieën beginnen aan te nemen. De Westerse levensstijl is hun ideaal. Wat me het meest waarschijnlijk lijkt, is dat ze ons in alles zullen volgen. Wij die al zoveel van de grondstoffen van deze wereld hebben uitgeput moeten onze levensstijl aanpassen en het voorbeeld vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Wij moeten veranderen, de Chinezen zullen volgen. En ze zijn in sommige opzichten al verder, want China is de grootste producent van windturbines en zonnepanelen. Maar wij in het Westen moeten het voortouw nemen op het gebied van levensstijl.

Twintig jaar geleden was u erbij in Rio de Janeiro. Als u ziet hoe weinig er is gebeurd sindsdien, bent u dan pessimistisch gestemd?

Fred Pearce: Ik blijf ietwat optimistisch. Het is natuurlijk teleurstellend hoe weinig er al gedaan is, maar je kan het ook andersom bekijken. Misschien namen we het allemaal minder serieus in 1992 en nu al een stuk meer. De technologie heeft belangrijke stappen vooruit gezet de laatste twee decennia. Het schort hem nog aan de toepassing ervan. We kunnen veel dingen veel goedkoper doen dan twintig jaar geleden. Ik ben optimistisch over het feit dat we oplossingen hebben die technologisch en economisch haalbaar zijn. Waar ik pessimistisch over ben, is de implementatie ervan. Ken je het boek Collapse: How Societies Choose to Fail or Succeed van Jared Diamond? Hij heeft het over hoe beschavingen ineenstortten, niet omdat ze de problemen waarmee ze geconfronteerd werden niet begrepen, maar omdat hen de wil ontbrak om er iets aan te doen. Ze misten het vermogen om de maatregelen te treffen die nodig waren om te overleven. Ze liepen slaapwandelend richting ramp. Zouden we ons nu als wereldbeschaving in die positie bevinden? Zal de wereldpolitiek sterk genoeg staan om de noodzakelijke oplossingen toe te passen? Technologisch staan we heel sterk, maar kunnen we ons zo organiseren dat we de job ook gedaan krijgen, dat is de grote vraag. En daar heb ik geen antwoord op. In de grond ben ik optimistisch over de technologie en pessimistisch over de politiek.

 

De boeken van Fred Pearce zijn verschenen bij Uitgeverij Jan Van Arkel en worden in ons land verdeeld door EPO.

Verschenen op Argus Actueel.