Wat als we niet meer hoeven te werken?

De Britse economieprofessor, auteur en partijloos politicus Robert Skidelsky (75) is ervan overtuigd dat we dankzij de automatisering binnen enkele decennia niet (veel) meer zullen moeten werken. Met behulp van een basisinkomen zullen we ons leven op eigen houtje kunnen invullen. Maar wordt dat ook een duurzaam leven?

Onlangs haalde het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen Lord Robert Skidelsky naar Antwerpen voor een lezing, en ARGUS strikte hem voor een interview. De 75-jarige Britse emiritus professor economie is vooral bekend vanwege zijn biografie in drie delen over de invloedrijke economist John Maynard Keynes.

Vorig jaar publiceerde Skidelsky samen met zijn zoon Edward het pamflet Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven. Vader en zoon vertrokken daarvoor opnieuw bij Keynes, meer bepaald bij diens essay uit 1930: Economic possibilities for our granchildren. Vooruitgangsoptimist Keynes voorspelde daarin dat mensen ongeveer een eeuw later – binnen dit en vijftien jaar dus – dankzij productiviteitswinst en automatisering amper vijftien uur per week zouden moeten werken.

De Skidelsky’s stellen vast dat Keynes het voorlopig niet bij het rechte eind had. Ze menen ook te weten waarom. We werken met zijn allen veel harder dan we eigenlijk zouden moeten omdat we daartoe worden aangezet door de consumptiemaatschappij en reclame in het bijzonder. En omdat we gedreven worden door een sterk verlangen naar status, die we denken te kunnen bereiken door in een groot huis te wonen, ongezond veel te eten, met een dikke auto te rijden en verre reizen te ondernemen. Het is nooit genoeg, en tot wat voor soort excessen dat kan leiden, zagen we onder andere in de bankencrisis en aan absurd hoge topmanagers- en topvoetballerslonen.

Robert en Edward Skidelsky hebben het niet zo erg begrepen op de milieubeweging, maar evenmin op de excessen van de consumptiemaatschappij. Zij pleiten voor een derde weg: het goede leven. Leven zonder stress, in vrijheid en in harmonie met de natuur, met veel vrije tijd die we kunnen gebruiken om onszelf te ontwikkelen, van vrienden en cultuur te genieten. Want eigenlijk gelooft Robert Skidelsky dat Keynes binnen een paar decennia alsnog gelijk zal krijgen. De immer voortschrijdende robotisering en automatisering zal ertoe leiden dat heel veel banen overbodig worden. Hoe moeten we dan verder? En hoe valt deze toekomstvisie te rijmen met duurzaamheid?

De vrijetijdseconomie

Misschien moeten we bij het begin beginnen: hoe waarschijnlijk acht u het dat robots en computers ons werk overnemen? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Robert Skidelsky: “Als je robots zegt, denken mensen algauw aan een mensachtig wezen uit blik, maar automatisering gaat voor een groot stuk over software. Het lijkt me bijvoorbeeld perfect mogelijk om het werk van callcentermedewerkers op termijn door slimme software te laten uitvoeren. Zo zijn er talloze voorbeelden. In het verleden zijn we al vaker met automatisering geconfronteerd. Ook toen verloren mensen hun job, maar we bleven nieuwe producten en jobs creëren zodat er altijd genoeg werk was. Die periode zou stilaan op zijn einde kunnen lopen. Ik verwacht dat we in de komende twintig à dertig jaar steeds grotere structurele werkloosheid zullen krijgen vanwege de fenomenale groei in rekenkracht en intelligentie van computersystemen. Ook zogenaamd intellectuele jobs zullen vervangen worden door computers. En dan wordt het interessant.”

Wat gebeurt er als mensen geen werk meer hebben omdat computers en robots hun taken overnemen?

Robert Skidelsky: “Het lijkt me aannemelijk dat we mensen een basisinkomen zullen geven. Maar de meer fundamentele vraag is: hoe zullen mensen hun tijd dan doorbrengen? Als mensen niet meer moeten werken voor een inkomen, moeten ze kiezen wat ze met hun leven gaan doen. De vraag wordt dan: hoeveel geloof heb je in de mens? Pessimisten denken dat mensen zich zullen kapotvervelen en elkaar misschien zelfs uitmoorden. Optimisten geloven dat mensen hogere capaciteiten zullen ontwikkelen, die lange tijd sluimerend aanwezig waren omdat ze hun tijd aan werk moesten besteden.”

Bent u een optimist of een pessimist?

Robert Skidelsky: “Dat varieert. Als ik naar het nieuws kijk, geloof ik niet dat er veel hoop is voor de toekomst van de mens. We lijken met een fabricagefout geboren. Op andere momenten besef ik dat de mens kan bijleren en evolueren. Delen van de wereld zijn er veel beter aan toe dan vroeger, niet alleen materieel maar ook spiritueel. Kijk maar naar Europa, of meer specifiek naar de Scandinavische landen. Het onderwijs is gedemocratiseerd, ongeveer de helft van de bevolking doet hogere studies. Dat verheft mensen.”

Zouden mensen nog wel studeren als ze niet meer moesten werken?

Robert Skidelsky: “De enige reden om te studeren zou dan zijn je geest en je capaciteiten te verruimen – maar geldt dat nu al niet voor heel wat hoger onderwijs? Lager en middelbaar onderwijs zijn behoorlijk utilitair, maar eens aan de universiteit wordt dat toch anders. Nogal wat mensen beginnen aan een opleiding omdat ze hen interesseert, niet met een bepaalde job in gedachten. In een geautomatiseerde toekomst wordt de universiteit een van de fases van active leisure (actieve vrije tijd).”

Grenzen aan de groei

Laten we ervan uitgaan dat uw toekomstvisie uitkomt. Wordt het ook een duurzame toekomst, bijvoorbeeld met een cradle-to-cradle-economie?

Robert Skidelsky: “Het milieu niet belasten met giftige afvalstoffen is hoe dan ook heel belangrijk, zeker in het licht van de bevolkingsgroei. We kampen nu met grote problemen om ons afval kwijt te geraken. Dus de idee van bio-afbreekbaarheid en kringlopen ben ik zeker genegen. Ik zou zeggen: good luck, go ahead! Elke filosofie die ons aanmoedigt om in harmonie met de natuur te leven, moet wel juist zijn. Het goede aan cradle-to-cradle is ook dat het een denkrichting is die niet vertrekt van schaarste en uitputting, maar van overvloed. Dus niet dat Puriteinse groene denken over besparen en beheersen. Ik ben namelijk niet zo’n Puritein.”

Hebben we voor de overgang naar een meer duurzame economie vooral een mentaliteits- en gedragsverandering van de mensen nodig of meer staatsinterventie?

Robert Skidelsky: “Beide, denk ik. Als je de stimuli verandert, verandert het gedrag. De liberale gedachte dat je met een andere aanpak dan de geldende paternalistisch zou zijn en zou ingaan tegen de menselijke vrijheid, is een valse voorstelling van zaken. Er is heel wat paternalisme en manipulatie in de wereld waarin wij leven. Het is gewoon een kwestie van welk soort manipulatie je verkiest. Neem nu reclame zoals we die vandaag kennen, een van de grote triggers in onze maatschappij om steeds maar meer te willen. Je hebt een grote groep mensen nodig die ervan overtuigd geraakt dat de meeste reclame leugenachtig en vals is. Dan zou er een consensus kunnen ontstaan over meer restricties op reclame. Maar je kan het ook doen zonder op vrijheid te beknibbelen, bijvoorbeeld door de financiering van tv-zenders en websites op een andere manier te regelen dan nu het geval is.”

De Club van Rome had het in 1972 al over de grenzen aan de groei. Tegenwoordig is het bon ton om te zeggen dat die grenzen overschreden zijn. Moeten we dan naar een nulgroeieconomie? En kan dat wel, een economie zonder groei van het BBP?

Robert Skidelsky: We live in a target culture, don’t we? We stellen ons als maatschappij altijd bepaalde doelstellingen. Maar de fixatie op het BBP is al bij al een vrij recente evolutie, iets van de jaren vijftig en zestig. Wat niet wil zeggen dat de welstand en de welvaart in de jaren voordien niet verbeterden. We zijn er kennelijk nogal goed in om eeuwigheidswaarde toe te kennen aan vrij recente trends. De gedachte om ze te verlaten, lijkt ondraaglijk. Er valt nochtans heel wat voor te zeggen om het groeidoel te laten vallen en voor andere doelen te opteren. Eén van de belangrijkere doelen lijkt me economische zekerheid. De meeste mensen hebben liever dat hun kapitaal in stand wordt gehouden dan dat het spectaculair groeit, als dat het risico inhoudt het te verliezen. We willen betere gezondheidszorg voor iedereen. We willen een economie waarin mensen in harmonie met de natuur leven en waarin ze genoeg vrije tijd hebben, dat is ook niet erg pro-growth. We moeten ook durven nadenken over de verdeling van welvaart.”

Utopie en dystopie

Het utopia dat u schetst lijkt toch erg ver weg. Volgens Thomas Piketty wordt de ongelijkheid alleen maar groter. Stevenen we op een revolutie af?

Robert Skidelsky: “Het is mogelijk dat er crisissen komen. Maar de overgang van de dystopie naar de utopie is nog nooit zo dichtbij geweest. De utopie staat voor de deur, omdat de technologische mogelijkheden om mensen minder te laten werken nooit groter zijn geweest. Minder werk is een constante in alle utopieën, maar nu kan het realiteit worden. Het interessante is dat samen met de realiseerbare utopie ook een dystopie mogelijk wordt, met een steeds grotere kloof tussen de haves en de have nots. Het is dus een heel interessante periode. Ik weet niet wat er zal gebeuren, we kunnen mensen alleen de goede mogelijkheden tonen en hopen dat ze die kiezen.”

U hebt zich voor uw boek verdiept in de onverzadigbaarheid de mens, de gedachte dat veel niet goed genoeg is. Wat is uw conclusie?

Robert Skidelsky: “Aan het begin van onze research veronderstelden wij dat onverzadigbaarheid een belangrijke drijfveer is van de mens. Ondertussen ben ik daar minder van overtuigd. Het idee van de onverzadigbare mens past in een economische propaganda die wil verdoezelen dat veel van wat we doen gedreven wordt door reclame. Gulzigheid en jaloezie zijn zeker menselijke kenmerken, en we zien er heel wat van rondom ons, maar misschien geven we ze wel te veel gewicht. De menselijke moraal heeft dit soort trekjes altijd veroordeeld en de mensheid is er altijd naar op zoek geweest hoe we deze neigingen, net als de voortplantingsdrift, op een of andere manier aan banden kunnen leggen.”

Bent u eigenlijk toch optimistischer geworden over de toekomst van de mensheid?

Robert Skidelsky: “Niet echt. Mensen zitten nu eenmaal zo in mekaar dat ze gemakkelijk vallen voor politici die hen om de tuin leiden en hen overtuigen om hen te volgen naar het nieuwe Utopia. De belangrijkste karaktertrek van de mens lijkt me zwakheid in plaats van slechtheid. En nu ben ik toe aan een sigaret.”

 Verschenen op Argus Actueel, 16 december 2014

Bang van de ring

De jarenlang aanslepende strijd voor betere mobiliteit rond Antwerpen wordt gevoerd met tal van argumenten, waarin gezondheid, overkapping, nieuwe ruimte voor de stad en kostprijs momenteel de belangrijkste zijn. We evalueren de claims die de drie hoofdrolspelers op deze punten maken.

Wat ligt er op tafel?

 

1. BAM/OOSTERWEEL

De Vlaamse regering heeft op vrijdag 14 februari 2014 officieel het BAM-tracé goedgekeurd, ondertussen omgedoopt tot Oosterweelverbinding. Dat plan sluit de Antwerpse ring dicht tegen de stad in het Noorden (zodat verkeer dat van Hasselt en Nederland naar Gent moet, niet door de Kennedytunnel hoeft) en ontlast de ring verder door de intunneling van de R11bis/A102. Het verkeer dat van Breda, Hasselt of Eindhoven naar Brussel moet, kan daarvan gebruik maken en hoeft niet meer langs de ring.

Het BAM-tracé met Lange Wapperbrug, de weggestemde Scheldekruising uit het oorspronkelijke plan, wordt vervangen door een Kanaaltunnel die samen met een tunnel onder de Schelde het Linkeroeverknooppunt van E34 en E17 verbindt met de Noordelijke A12, de E19 en de Oostelijke E34. De nieuwe Noordelijke ring wordt in dit plan gedeeltelijk ondertunneld, overkapt en ingesleufd. Het viaduct van Merksem verdwijnt en wordt vervangen door sleuven en tunnels en een op- en afrittencomplex ter hoogte van het Sportpaleis, de zogenaamde Hollandse knoop. Op bepaalde plekken zijn in het Oosterweeltracé overkappingen mogelijk. In totaal is Oosterweel volgens de plannenmakers goed voor 26 ha extra stadsgebied, al zou dat volgens BAM-woordvoerder Bojan Cerovic volgens de laatste berekeningen al zijn opgelopen tot 50 ha.

2. MECCANO

De actiegroepen stRaten-generaal en Ademloos kiezen met Meccano voor het maximaal weghouden van het doorgaand verkeer van de stadsring en de ondertunneling/overkapping van de huidige Antwerpse ring. De actiegroepen zien de huidige ring als een ring door Antwerpen en pleiten voor een buitenring rond Antwerpen en door de haven. Het doorgaand verkeer wordt omgeleid, niet alleen via de A102 zoals in het Oosterweelplan (waarin dat idee van Meccano werd overgenomen), maar bovendien ook via een Noordtangent in het Havengebied en een Westtangent rond Zwijndrecht. Meccano zou zorgen voor 146 ha nieuw gebied op en rond de overkapte ring en het overkappen van de E17 ter hoogte van Zwijndrecht mogelijk maken. Meccano blijft weg van de groengebieden Noordkasteel en Sint-Annabos, waar geen nieuwe verkeerswisselaars hoeven te komen. Bij Meccano hoort ook de opstart van een volwaardig voorstadsnet voor treinverkeer en het verder uitbouwen van het binnenstedelijk tramnetwerk.

3. RINGLAND

Ringland keert de prioriteiten om. Dit plan kiest voor een stapsgewijze opbouw van de capaciteit met als prioritaire oplossing de overkapping van de huidige ring, de uitbouw van openbaar vervoer, de aanleg van de A102 en als sluitstuk een derde Scheldekruising mocht die dan nog nodig blijken. Ringland pleit voor een strikte scheiding van doorgaand- en bestemmingsverkeer in naast elkaar gelegen aparte tunnels en verlegt de huidige Singel bovenop het tunneldak. Zo ontstaat er meer capaciteit op de huidige ring, kan die grotendeels overkapt worden en komt de huidige Singel verder van de stad te liggen. Door het fijnstof en de geluidsoverlast zo veel mogelijk in de tunnels op te vangen, stijgt de leefbaarheid in en om de stad. De beloofde ruimte die vrijkomt door het intunnelen van de ring gaf dit plan zijn naam. Ringland belooft maar liefst 462 ha nieuwe ruimte eens de ring is overkapt. Dat is even veel als de oppervlakte van de Antwerpse binnenstad.

Ligt alles nu voorgoed vast?

Het is niet omdat de Vlaamse regering voor het BAM-tracé heeft gekozen dat het ook zal worden uitgevoerd. De publieke perceptie dat BAM koste wat het kost Oosterweel wil verdedigen, klopt overigens niet, klinkt het bij woordvoerder Bojan Cerovic. “Wij zijn louter een uitvoerende organisatie, een onderdeel van het departement mobiliteit en openbare werken, die de beslissingen van de Vlaamse regering uitvoert. Wij hebben geen bepaalde voorkeur voor eender welk tracé.” Met andere woorden: de opdracht die er nu ligt, is het verder onderzoeken van het Oosterweeltracé. Als er na de verkiezingen een andere beslissing valt, zet BAM dat werk stop en voert ze uit wat de nieuwe regering besluit.

Sluit het BAM-tracé volledige overkapping uit? Wordt de ring in Meccano en Ringland 100% overkapt?

BAM kan het Oosterweeltracé nooit helemaal overkappen omwille van de vele op- en afritten die volgens de Europese tunnelrichtlijn niet mogen worden ingetunneld. Met het Oosterweeltracé komen er bovendien ter hoogte van Merksem en Deurne twee extra verkeerswisselaars bij op de Antwerpse ring, wat het lokale overkappen van die ring bemoeilijkt. Of bij Meccano en Ringland volledige overkapping mogelijk is, moet nog blijken. Ringland vereenvoudigt en vermindert het aantal op- en afritten voor het Europese verkeer waarop de richtlijnen van toepassing zijn en tracht zo overkapping mogelijk te maken. Meccano stuurt het Europese verkeer in een nieuwe noordwestelijke ring rond de stad, waardoor de huidige ring ondertunneld kan worden. Voor op- en afritten en knooppunten geloven Meccano en Ringland in de mogelijkheden van de Duurzame weg, een serre-achtig concept van overkapping.

Oosterweel

Bojan Cerovic, woordvoerder van BAM, legt uit: “Op- en afritten mogen volgens de Europese tunnelrichtlijn niet overkapt worden, net als andere plekken waar weefbewegingen plaatsvinden. Dat geldt niet alleen voor Oosterweel, maar ook voor andere plannen. Gezien de nabijheid van de haven moeten de autosnelwegen geschikt zijn voor transport van gevaarlijke stoffen (full-ADR). Dat betekent dat er op regelmatige afstanden openingen moeten zijn om desnoods explosiedruk af te leiden.”

Zoals het er nu naar uitziet, zou overkappen van het Oosterweeltracé betekenen dat stukken zonder weefbewegingen kunnen worden overkapt. Op andere plekken, met op- en afritten en weefbewegingen, zou Oosterweel proberen aan de tunnelrichtlijn te ontsnappen door stukken van maximaal 500 m ring te overkappen met daartussen op regelmatige afstanden openingen. Een overkapping onder de 500 m geldt immers niet als een tunnel voor Europa.

Meccano en Ringland

Ringland en Meccano lossen de beperkingen die de Tunnelrichtlijn met zich mee brengt op door doorgaand verkeer in aparte tunnels onder te brengen. Bij Ringland lopen die tunnels over het tracé van de huidige ring. Meccano grijpt dieper in de verkeersstromen in en verandert het statuut van de bestaande wegen. Alle internationaal (vracht)verkeer en minstens het ADR-verkeer, moet verplicht over de west- en oosttangent (A102) en via de Scheldekruisingen Liefkenshoek of Meccano rijden. De huidige ring krijgt het statuut van nationale snelweg en plaatselijk zelfs lokale expressweg met vrachtverbod (van Berchem tot in Merksem). Zo worden vrachtwagens bij Meccano gedwongen om ondertunnelde routes verder van de stadskern te kiezen.

“Dit wordt eigenlijk een ring door de haven, waarbij nog heel wat knooppunten moeten worden heringericht,” merkt Bojan Cerovic op. “En daarvan is de kostprijs nog niet berekend.”

Wat gebeurt er met het fijnstof als de Ring (gedeeltelijk) overkapt wordt? Hoe performant zijn tunnelluchtfilters?

Het Nederlandse UCTechnologies heeft een systeem ontwikkeld, het HD Clean Tunnel System, waarmee het tot 90% van het fijnstof uit tunnellucht kan capteren. Bovendien doet het systeem ook aan warmterecuperatie. Daardoor zou het luchtzuiveringssysteem zichzelf volgens UCTechnologies op vijf jaar terugbetalen. Dit geldt natuurlijk alleen voor het fijnstof dat in de tunnels geproduceerd wordt. Simpel gezegd: hoe meer verkeer in afgesloten tunnels, des te minder fijnstof. Al moet ook dat in perspectief worden geplaatst. Alhoewel grote verkeersaders belangrijke broeihaarden van fijnstof zijn, vormen ze niet de enige oorzaak ervan. De lucht in Vlaanderen bevat tussen de 5% en de 30% fijn stof afkomstig van Vlaams verkeer – in Antwerpen gaat het bij druk verkeer en slechte weersomstandigheden zelfs om meer dan 30%. Ook de industrie is echter verantwoordelijk voor 30% van het fijnstof, net als de landbouw. Een deel van het verkeer rond Antwerpen in tunnels onderbrengen, daarvan het fijnstof filteren, heeft dus slechts betrekking op een fractie van een deel van 30% van het fijnstof. Wat daarom niet wil zeggen dat het de moeite niet loont om deze schadelijke deeltjes af te vangen.

Welk tracé is het minst schadelijk voor de volksgezondheid?

Voor Ringland, dat zich in de conceptfase bevindt, kunnen we daar moeilijk uitspraken over doen, maar er zijn zeker gunstige gevolgen verbonden aan het in tunnels onderbrengen van doorgaand verkeer. Het milieu-effectenrapport (MER) stelt dat Meccano het best scoort qua hinder en gezondheid. Er worden in vergelijking met Oosterweel vooral negatieve licht- en geluidseffecten vermeden ter hoogte van Linkeroever, Zwijndrecht, Luchtbal, Merksem en Deurne-Noord. Wat die laatste vijf wijken betreft, geldt dat overigens ook voor de variant Oosterweel-Noord.

De actiegroep stRaten-generaal, de initiatiefnemer achter Meccano, blijft er van overtuigd dat Meccano in feite nog veel beter scoort dan Oosterweel, omdat de vergelijking met verschillende parameters is gebeurd. Zo werd in het MER Oosterweel mét variabele tol vergeleken met Meccano zonder variabele tol en werden de maximaal toegelaten volksgezondheidswaarden aangepast in het voordeel van Oosterweel.

Bojan Cerovic noemt dat een achterhaald verhaal: “Op verzoek van minister Crevits is dit verschil nog eens nagerekend en het blijkt verwaarloosbaar.”

“Toch niet”, preciseert Manu Claeys van stRaten-Generaal. “Het klopt dat de mobiliteitseffecten van Meccano met variabele tol ondertussen zijn doorgerekend, maar niet de effecten op de luchtkwaliteit en de geluidsimpact.”

Wat mag dat kosten?

Volgens officiële berekeningen bedraagt de kostprijs van Oosterweel en A102/R11 bis 4,6 miljard euro en Meccano met A102/R11 bis zo’n 4,9 miljard.

Het totaal van 1,9 miljard euro dat Ringland en Meccano naar voor schuiven voor de overkapping van de ring, wuift Cerovic weg. “Het bedrag van 40 miljoen euro per 250 meter houdt geen rekening met kosten voor meer dan een minimale gronddekking en overspanning, de tunneltechnische installaties zoals verlichting, ventilatie, noodvoorzieningen… Bijkomende kosten, zoals het afbreken van het viaduct van de ring en vervangen door sleuven, complexere situaties rond op- en afrittencomplexen, locatiegebonden omstandigheden (zoals bodemverontreiniging of transportleidingen, vastgoedkosten), financieringskosten en dergelijke, zijn niet in die prijs opgenomen.”

Sven Augusteyns van Ringland noemt het vanzelfsprekend dat elk project een goede evenwicht moet vinden tussen kosten en baten. “Laten we dat dan ook verder onderzoeken. Met Ringland zijn er grote winsten te maken op gebied van stadsontwikkeling, mobiliteit en volksgezondheid, maar is het evident dat er ook kosten zijn. Wij hebben een concreet voorstel om uit de impasse te geraken en willen daarom een volwaardige berekening van het Ringland-voorstel in het kader van het lopende MER A102/R11bis. Daarin moet Ringland doorgerekend worden als volwaardig alternatief en als mogelijke combinatie met de verschillende tracés. Enkel zo kan je komen tot de best mogelijke combinatie van tracé en overkapping.”

“Vervolgens vragen we om een onafhankelijke stuurgroep op te richten met als opdracht een synthese te maken van alle bestaande voorstellen en een advies te formuleren over een toekomstplan voor Antwerpen dat rekening houdt met mobiliteit, leefbaarheid en stadsontwikkeling.” Manu Claeys sluit zich bij dit voorstel van Ringland aan, net als Wim Van Hees van de actiegroep Ademloos.

Conclusie

Op 10 oktober 1996 hield toenmalig Antwerps provinciegouverneur Camille Paulus een vurig pleidooi voor een sluiting van de Antwerpse ring. Bijna achttien jaar later blijkt het nog altijd erg moeilijk om de verschillende plannen rationeel en objectief tegen elkaar af te wegen. Twee dingen staan vast: in geen van de voorliggende plannen is de ondertunneling zo drastisch als in de hoofden van heel wat Antwerpenaars. En elk voorstel lijkt nog tekortkomingen te hebben. Ringland prikkelt de geesten, maar is nog te weinig onderzocht op haalbaarheid en betaalbaarheid. BAM/Oosterweel blijft een deel van het internationaal vrachtverkeer door drukbewoonde gebieden sturen. Meccano past daar een mouw aan, maar valt iets duurder uit. Nader onderzoek is nodig om de haalbaarheid en betaalbaarheid van Ringland te bestuderen en te zien of de claims over de reductie van fijnstof en geluidsoverlast hout snijden. De neiging om na al die jaren impasse eindelijk iets te doen geeft de sterk gecontesteerde Oosterweelverbinding nog enige wind in de zeilen. Maar om echt breed gedragen te worden door de Antwerpenaars en belastingbetalers in het algemeen, zou het zonde zijn om de droom van minder fijnstof en minder geluidsoverlast in combinatie met grote groene stadsontwikkeling die Ringland en Meccano bieden, niet nader te onderzoeken.

Verschenen in Argus Actueel, 21 mei 2014

Kroniek van een aangekondigde klimaatramp

De door de mens veroorzaakte klimaatverandering is volop bezig en de mogelijke gevolgen kunnen erger zijn dan tot nog toe werd aangenomen. Maar we kunnen de risico’s en de gevolgen sterk inperken door nu juist te handelen, zegt het nieuwe klimaatrapport van het IPCC.

Het nieuwe rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change doorploegt zoals vanouds de meest recente wetenschappelijke literatuur om te doorgronden welke impact de klimaatverandering nu al heeft en wat we voor de toekomst kunnen verwachten. De Nederlandse doctor in de Klimaatwetenschappen Maarten van Aalst is directeur van het Rode Kruis klimaatcentrum en mede-auteur van het rapport. ARGUSactueel skypete hem in het Japanse Yokahoma net na het verschijnen van het IPCC-rapport op maandag 31 maart.

Mogen we het rapport in één zin samenvatten als: de wereld ondervindt nu al veel negatieve gevolgen van de klimaatverandering en het wordt nog veel slechter, tenzij we zo snel mogelijk ingrijpende maatregelen nemen?
Maarten van Aalst: 
“Daar kan ik helemaal achter staan. De te nemen maatregelen kan je onderscheiden in twee soorten. Van de ene kant zal de klimaatverandering zich blijven doorzetten en kunnen we de gevolgen daarvan aanpakken met bestaande middelen: betere early warning-systemen, slimmer omgaan met water en zo voort. Voor wat betreft de periode na 2050 moeten we nu werk maken van mitigatie – het terugdringen van broeikasgassen – omdat we anders in een situatie komen waarin de problemen echt uit de hand lopen.”

Wat is er veranderd in de zeven jaar sinds het vorige IPCC-rapport?
Maarten van Aalst: 
We kunnen veel helderder zijn over de menselijke invloed op het klimaat, met name op variabiliteit en extremen. Tien jaar geleden zagen we klimaatverandering als iets dat over een eeuw een aantal eilanden onder water zou zetten. Nu kunnen we al zeggen dat bijvoorbeeld de verhoogde zeespiegel heeft bijgedragen aan de ernst van de stormvloed van november 2013 in de Filippijnen. Ook de doden van de West-Europese hittegolf van 2006 en de voedselschaarste in Afrika zijn deels door de klimaatverandering veroorzaakt.”

Net als in de vorige rapporten is het duidelijk dat net de meest kwetsbare mensen de gevolgen van de klimaatverandering het hardst ervaren.
Maarten van Aalst:
 “Klopt, en het is belangrijk daarbij aan te stippen dat het niet alleen gaat over de mensen in arme landen, maar ook arme en kwetsbare mensen in de ontwikkelde landen, zoals de ouderen en zieken die sterven door een hittegolf. Soms zijn de oplossing heel simpel, zoals oma even bellen in het rusthuis en vragen of ze een paar glazen water heeft gedronken. Maar je moet er wel alert voor zijn.”

Hoe speelt een organisatie als het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in op de toenemende klimaatdreiging voor de meest kwetsbaren?
Maarten van Aalst:
 “We zijn al langer bezig om onze aandacht te verleggen van het leveren van de best mogelijke hulp na een ramp naar het steeds beter trachten in te schatten waar rampen zullen plaatsvinden en ze proberen te voorkomen, net zoals dit rapport voorschrijft. We leggen ons er bijvoorbeeld op toe om mensen de juiste informatie op het juiste moment te bezorgen, wat in de Filippijnen bijvoorbeeld veel slachtoffers had kunnen vermijden. Dat kunnen we natuurlijk niet in ons eentje, dus we zoeken veel samenwerking, met regeringen en meteorologische diensten bijvoorbeeld.”

In het verleden heeft de mens zich met wisselend succes aangepast aan de (natuurlijke) klimaatschommelingen. Wat is er nu anders?

Maarten van Aalst: “In een bepaald opzicht is het niet echt anders: we zijn ons al aan het aanpassen en dat kost moeite, net zoals dat in het verleden ook het geval was. Maar naarmate de klimaatverandering sneller verloopt en onze systemen kwetsbaarder zijn, wordt het nog moeilijker. In het verleden zijn mensen verhuisd na enorme overstromingen. Dat is een voorbeeld van een succesvolle aanpassing, maar één met grote gevolgen. We willen het liefst in een stabiele maatschappij leven met een mate van zekerheid over onze toekomst en de klimaatverandering ondermijnt die wens. Als een boer in een ontwikkelingsland met een misoogst wordt geconfronteerd, zal hij geen geld meer hebben om zijn kinderen naar school te sturen en komt hun toekomst op de helling te staan. De mens is goed in adaptatie, maar met sneller opeenvolgende rampen wordt het wel erg moeilijk.”

Wat kan de overheid doen?
Maarten van Aalst: 
“Na de taifoen Hayian heeft de Filippijnse overheid besloten om in een aantal kwetsbare gebieden niet meer te laten bouwen. Dat is precies wat we willen, van te voren proberen een volgende ramp te voorkomen. Maar je moet ook rekening houden met de verborgen kosten van zulke aanpassingen, bijvoorbeeld wanneer je mensen 15 km verhuist en ze moeten terug hun leven en hun zaak opbouwen. Ook dat soort kosten neemt hand over hand toe.”

De komende 85 jaar zijn vooral de laaggelegen kustgebieden bedreigde zones. Geldt dat ook voor de Belgische en Nederlandse kustgebieden?
Maarten van Aalst: 
“Het rapport laat zien dat wij in vergelijking met gebieden als Bangladesh goed beschermd zijn. De Lage Landen vormen een bewijs dat we ons kunnen aanpassen aan de dreiging, mits je de middelen hebt en ze ook juist inzet. Anderzijds zal de kustbescherming steeds meer geld opslokken en de rivierafvoer zal variabeler worden met nu en dan hogere pieken – lastig om af te voeren met een hogere zeespiegel. De landbouw zal rekening moeten houden met periodes van droogte en hittegolven. We moeten in die periodes ook extra aandacht hebben voor de kwetsbare mensen in de steden. Als je je bewust bent van risico’s en over de nodige middelen beschikt, kan je er ook tegen wapenen.”

We mogen ons dus voor één keer op de borst kloppen?
Maarten van Aalst: “Toch niet helemaal. Met name Nederland heeft in de afgelopen elf jaar twee keer in de top-10 gestaan van de dodelijkste wereldrampen, vanwege de hittegolven van 2003 en 2006. We hadden tot 2006 geen hitteplan omdat we de risico’s onvoldoende in kaart gebracht hadden. De risico’s die niet met technologie maar eerder met het functioneren van het sociaal weefsel te maken hebben, blijken moeilijker te beheersen.”

Op welke plekken op de wereld zijn de potentiële gevolgen van de klimaatverandering het ergst?
Maarten van Aalst: 
“Dat zijn per definitie de gebieden met de armste mensen, voor wie het het moeilijkst is om weer recht te klauteren nadat ze een klap hebben gekregen. Met name in de arme landen van Afrika die nu al op de rand zitten van beschikbaarheid van water, de gebieden met voedselschaarste, zoals de Sahel en de Hoorn van Afrika. Daarnaast de laaggelegen gebieden: wat betreft aantallen mensen die getroffen kunnen worden zijn dat in het bijzonder de grote delta’s in Azië. Trouwens niet alleen de armste landen zoals India en Bangladesh, maar ook Bangkok kan zoals we gezien hebben getroffen worden door zware overstromingen.”

De oorzaken van de klimaatverandering zijn bekend, de mogelijke gevolgen worden steeds duidelijker. We weten wat we kunnen doen om de impact te beperken en onze veerkracht te verhogen. Bent u optimistisch over de toekomst?
Maarten van Aalst: “Ik vind het over het geheel genomen een optimistisch rapport. Toegegeven, de risico’s stijgen en dat is lastig. Maar uit het rapport blijkt ook duidelijk dat er veel mogelijkheden zijn om de risico’s goed te beheren. Het is een roep om actie. Er moet iets gebeuren of de risico’s lopen uit de hand, maar we zijn niet machteloos. Waar ik me wel zorgen over maak, is de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. De mens is over het algemeen niet zo heel goed in het nemen van beslissingen wanneer de positieve gevolgen zich pas veel later voordoen. We moeten ons dus nu afvragen welke wereld we willen nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen. We zien dat er vanaf 2050 een aantal grote risico’s aanzienlijk beginnen toe te nemen. Hoeveel van die risico’s zijn we bereid te nemen? Kunnen we leven met 50% kans dat de Groenlandse IJskap afsmelt, waardoor de zeespiegel in de loop van de komende eeuwen met 7 meter stijgt? Sommigen zullen zeggen: je hebt ook 50% kans dat het goed komt. Dat zijn afwegingen waarvan we ons bewust moeten zijn als samenleving en waarover we het politieke debat moeten voeren.”

Kan je een en ander ook in kosten uitdrukken: als we nu zoveel miljard euro uitgeven, dan besparen we op termijn zoveel miljard?
Maarten van Aalst: 
“De schatting van de negatieve gevolgen van de temperatuurstijging met 2 °C loopt in de orde van grootte van 0,2 tot 2% van het wereld-BBP. Maar dat is een vrij gevaarlijk getal, omdat het alleen de zichtbare kosten in beeld brengt en geen onweegbare dingen zoals het verlies aan biodiversiteit. Wat kost het dat de armen armer worden en de rijken rijker? Als je het allemaal bij mekaar optelt, maakt het misschien niet uit voor het BBP, maar vinden we het ook acceptabel? Nu, dit zijn slechts de kosten van de klimaatverandering die we niet meer kunnen vermijden. Een gemiddelde temperatuurstijging in de richting 2°C zit al ingebakken vanwege wat we in het verleden hebben uitgestoten en wat we nog zullen uitstoten zelfs als we heel agressief de uitstoot terugdringen. De vraag die we ons moeten stellen is wat de extra kosten zijn als we de uitstoot niet verder terugdringen. Die schattingen zijn veel lastiger omdat de kosten pas optreden als de wereldtemperatuur met 2 °C is gestegen, ten vroegste rond 2050. We weten niet hoe de maatschappij er zal uitzien en we hebben ervoor gekozen om alleen heel zekere schattingen op te nemen. Maar we zijn er wel heel duidelijk over dat er in dat geval heel grote risico’s zullen optreden waaraan heel hoge kosten verbonden zijn.”

 

Verschenen in Argus Actueel op 31 maart 2014

Schone en slimme stadsdistributie werkt

Behoren dieseldampen van winkels beleverende trucks in de stadskern weldra tot het verleden? In Hasselt tonen ze nu al hoe het anders en beter kan. De laatste kilometers om goederen in winkels te krijgen vormen een van de grote pijnpunten van de conventionele distributie. Te grote trucks die relatief kleine pakketjes in nauwe winkelstraten moeten bezorgen worden door niemand geapprecieeerd, niet door de consument, niet door bewoners en al evenmin door handelaars en stadsbesturen. Steeds strakker wordende venstertijden zijn een van de oplossingen. Zo mogen in Hasselt winkels niet beleverd worden tussen 11 en 17u en evenmin tussen 20 en 6u. Een nadeel is dat vrachtwagens daardoor de files voor 11 en na 17u mogelijk langer maken.

Het kan ook anders, zoals CityDepot bewijst. Het bedrijf groepeert de goederen in een centraal depot aan de rand van de stad en levert de pakketten gebundeld bij de handelaars met een kleine vrachtwagen, of met elektrische of hybride bestelwagens en cargo bikes. Bovendien biedt CityDepot aanvullende diensten aan, zoals het controleren en stockeren van goederen.

Zo’n 130 Hasseltse handelaren zijn al lid van CityDepot . “Voor mij biedt het niets dan voordelen”, zegt Philippe Massa van Disneywinkel De Magische Poort. “Wij werken met zo’n tachtig leveranciers uit binnen- en buitenland en die leveren nu allemaal rechtstreeks aan CityDepot. CityDepot groepeert alles voor ons en houdt de goederen zelfs even in stock als we met plaatsgebrek kampen. Bovendien nemen ze ons verpakkingskarton- en plastic in één moeite terug mee. Ik ben van in het begin bij het initiatief aangesloten en merk nu al minder trucks in het straatbeeld, dus dat betekent voor iedereen aangenamer winkelen.”

E-truck

De stadsdistributeur nam zopas zijn eerste volledig elektrische 18-tonner in gebruik, een imposant maar geruis- en emissieloos werkend bakbeest dat meer dan 8 ton vracht kan vervoeren en een actieradius heeft van circa 150 km, ruim genoeg voor stadsdistributie. “Eigenlijk had ik hem graag een maatje kleiner gehad”, zegt Marc Schepers, bestuurder van CityDepot. “Met deze truck zullen we enkel pallets uitleveren tussen de grote en de kleine ring van Hasselt en de stadsrand en slechts heel uitzonderlijk in het stadscentrum.”

De organisatie draait twee jaar na de opstart al breakeven en kijkt uit naar andere steden. Het geheim van het succes van CityDepot zit hem volgens Schepers in de samenwerking met stadsbesturen, met lokale handelaren, met distributeurs en weldra ook met consumenten. “Voor een grote distributeur is de rekening snel gemaakt. Het is economisch gewoon niet interessant om met een grote truck de kleinhandel te bevoorraden. Als je zendingen daarentegen voor één stad kunt groeperen en ze in een centraal depot afleveren, waarna ze voor een lage kost verder worden verdeeld in de stad, is de rekening snel gemaakt. Een van onze klanten stuurde vroeger een truck met twaalf gedeeltelijk geladen pallets de binnenstad in. Nu groepeert hij die zendingen op 8 pallets in een grotere truck die na ons buiten de binnenstad gelegen distributiecentrum in Hasselt ook nog Venlo aandoet. Tel uit je winst: een truck minder op de weg, een chauffeur minder, geen tijdsverlies. De prijs die wij vragen voor lokale distributie hebben de grote transportbedrijven er graag voor over.”

Binnenvaart

Na het succes in Hasselt volgen in de loop van dit en de komende jaren nog een aantal Belgische steden. Zelfs een aantal buitenlandse stadsbesturen toont al interesse. In Brugge en Gent zou het systeem nog dit jaar operationeel kunnen zijn. In Roeselaere wordt de businesscase uitgerekend. Charleroi bouwde al een stadsdistributiecentrum met Europees geld en zoekt een exploitant. Andere steden waar mogelijk op termijn een CityDepot komt zijn Antwerpen, Luik en Oostende.

In Hasselt dromen ze ondertussen al van een nieuw depot met aansluiting op de binnenvaart. “We mikken op gepalletiseerde aanvoer van goederen via binnenschepen”, legt Marc Schepers uit. “Dus geen containers maar bijvoorbeeld wel afgewerke bouwmaterialen of andere goederen op pallets voor Hasselt en omgeving.”

De distributiebedrijven helpen om de laatste kilometers naar de kleinhandel te overbruggen is slechts één zijde van de medaille. CityDepot maakt zich ook al op voor de andere kant: Business To Consumer (BTC), waarbij de goederen vanuit de winkel of vanuit het stadsdepot rechtstreeks aan de consument worden geleverd of aan een tussenpersoon. Schepers heeft het over meerwaardediensten voor winkeliers als hands free shoppen: het pakje wordt aan huis geleverd, het kan opgehaald worden bij CityDepot, aan het einde van de dag bij de handelaar of in een verdeelpunt in de Hasseltse rand.

Ook in Nederland schieten initiatieven rond groene stadsdistributie als paddestoelen uit de grond. Green City Distribution belevert elektrisch in Amsterdam, Deventer, Utrecht en Zutphen en op aardgas in Tilburg. Combipakt verzorgt de belevering van de Nijmeegse binnenstad. Het moment dat mensen zorgeloos kunnen winkelen in de stad zonder blootstelling aan de dieseldampen van de distributie lijkt niet langer een utopie.

Verschenen in Argus Actueel op 27/3/2014

Win-win en de kringloopeconomie

In één klap de vele werklozen aan werk helpen en structureel minder broeikasgassen uitstoten? In de performance economy van Walter Stahel lost het ene probleem het andere op.

Bij het grote publiek is hij niet of nauwelijks bekend, maar de Zwitserse architect Walter Stahel, een eminent lid van de Club van Rome, geldt als een van de grondleggers van het begrip circulaire economie. Hij bedacht de term cradle-to-cradle en pleit sinds jaar en dag voor het vervangen van bezit van producten door het leasen van diensten. Tevens is hij een pleitbezorger van de “performance economy”, een economisch model waarin waarde- en jobcreatie en duurzaamheid de economische maatstaven zijn en niet langer de groei van het het BBP en het opsouperen van eindige grondstoffen. De 67-jarige Stahel verzorgt op 29 november 2013 de niet te missen Keynote Speech van de Plan C Community Day in Antwerpen, maar Argus Actueel belde nu al uitgebreid met de visionair uit Genève.

U bepleit al bijna vier decennia lang de voordelen van de circulaire economie en u bent een fervent voorstander van het verhuren van diensten in plaats van het verkopen van producten. Waarom zetten zo weinig bedrijven de stap daar naar toe?

Walter Stahel: “Het helpt om een beetje breder te kijken. In feite zijn er al lange tijd heel wat productdiensten actief zonder dat we daar nog bij stilstaan: denk maar aan taxi’s, hotels, luchtvaart- en spoorwegmaatschappijen, bibliotheken… Allemaal voorbeelden van situaties waarin je geen product koopt, maar een dienst. Wat wel geëvolueerd is de laatste jaren, is dat de wetgever er steeds beter op toeziet dat de dienstverlening gegarandeerd is. Als Duitse treinen vertraging oplopen, heb je tegenwoordig recht op een vergoeding, terwijl er vroeger simpelweg van werd uitgegaan dat ze op tijd moesten zijn. Hetzelfde geldt voor vliegtuigen. Omdat niemand graag zulke vergoedingen betaalt, zullen deze bedrijven steeds proactiever gaan werken en hun dienstverlening nog verbeteren.”

Wordt onze economie meer circulair?

Walter Stahel: “De kringloopeconomie heeft een enorme boost gekregen door de komst van elektronische marktplaatsen als eBay. Terwijl je vroeger tweedehandsproducten alleen maar op de vlooienmarkt kwijt kon, is die handel de laatste jaren veel gemakkelijker en bovenlokaler geworden. De consument grijpt de kans om gebruikte goederen te verkopen met beide handen aan.”

Hoe zit het met de al zo lang voorspelde doorbraak van productdiensten voor consumptiegoederen zoals wasmachines, auto’s, computers, gsm’s

Walter Stahel: “Wasmachines zijn een goed voorbeeld van een nu al succesvol diensten-businessmodel. Wassalons zijn in feite niets anders dan een manier om een dienst te delen zonder het product te bezitten. In Scandinavische landen, en ook in Groot-Brittannië en Duitsland is het al heel gewoon om enkele wasmachines in een gemeenschappelijke ruimte van het flatgebouw met je buren te delen. Opvallend daarbij is dat die machines doorgaans robuuster en degelijker zijn dan de gewone huishoudtoestellen. Autodelen wordt ook steeds populairder en je kan als zakenman of toerist tegenwoordi al makkelijk mobieltjes huren in luchthavens en stations. Langetermijnhuur van gsm’s is nog niet gebruikelijk, omdat ze moeilijk up te graden vallen.”

Wat verklaart het groeiend succes van autodelen?

Walter Stahel:“Autodelen begon in Zwitserland in de jaren zeventig als een coöperatief systeem, maar de echte doorbraak is te danken aan de evolutie van de technologie, met elektronische sleutels en handige reserveringssystemen. In Japan is autodelen een succes omdat een vloot deelauto’s betekent dat de helft van de parking van een flatgebouw vrijkomt, die je vervolgens kan verhuren aan andere geïnteresseerden. Zo evolueer je van product- naar systeemoptimalisering, met nieuwe kansen en inkomstenstructuren.”

Is het daarom dat ook autofabrikanten zich ondertussen zelf op de markt van het autodelen wagen?

Walter Stahel: “Autofabrikanten als Mercedes en BMW staan voor een dilemma. Autodelers verkiezen degelijke, simpele modellen, terwijl de fabrikanten liefst steeds meer gesofisticeerde voertuigen willen verkopen in twintig verschillende kleuren. Aanvankelijk hebben de automakers getracht autodeelinitiatieven af te blokken, nu omarmen ze het idee omdat ze geen andere keuze meer hebben.”

Een probleem bij gsm’s is dat ze niet ontworpen zijn om repareren, recyclen of upgraden op een makkelijke manier mogelijk te maken. Wat valt daaraan te doen? 

Walter Stahel: “Het klopt dat gsm-fabrikanten daarin op dit moment nog niet geïnteresseerd zijn. Maar ik zie diverse oplossingen. Je zou fabrikanten wettelijk kunnen verplichten om hun producten terug te nemen, maar daar verzet de industrie zich tegen. Een andere factor is de toenemende schaarste van grondstoffen. Door de economische crisis is de schaarste even wat minder acuut geworden, maar weldra zullen fabrikanten opnieuw beseffen dat de meest efficiënte manier om aan grondstoffen te geraken erin bestaat eigenaar te blijven van je producten. En als je dan toch eigenaar bent en je grondstoffen optimaal wilt terugwinnen, heb je er alle belang bij materialen en componenten zo goed mogelijk te kunnen recupereren en dus het design daaraan aan te passen.”

Wereldwijde gestandaardiseerde ontwerpafspraken, zou dat een oplossing kunnen zijn?

Walter Stahel: “De principes van ecodesign zijn inmiddels al twintig jaar bekend, maar ze worden te weinig toegepast omdat ze bij het ontwerp een extra inspanning vergen zonder daar een extra vergoeding tegenover te stellen. Zulke principes kunnen alleen maar werken als je een zeer efficiënt terugnamesysteem hebt, liefst tegen betaling, of als je zelf de eigenaar blijft. Fabrikanten zullen dus nieuwe, slimme trucs moeten bedenken om hun producten terug te krijgen.”

Kunt u daar een concreet voorbeeld van geven?

Walter Stahel: “Een vrij onbekend maar mooi voorbeeld is dat van de single use camera’s van Fuji en Kodak. De truc bestond hierin dat de gebruiker de camera moest terugbrengen om zijn film te laten ontwikkelen. Voor de terugname werkten de fabrikanten samen met fotolabs, die een vast bedrag per camera kregen. Daarnaast waren er uiteraard ook transportkosten. Maar het mooie was dat die zogenaamde camera’s voor eenmalig gebruik in werkelijkheid tot twaalf maal toe werden hergebruikt. Bovendien was het een mooi voorbeeld van sociale tewerkstelling en het vermijden van afval. Bij de meeste analoge camera’s zat de film in een cartridge, maar hier was de camera de cartridge. Een gevolg daarvan was dat het uithalen van de film in het volstrekte duister moest gebeuren. Daarvoor werden blinden ingeschakeld, voor wie het geen probleem is om een werkdag lang in het donker door te brengen – dus er zat ook nog een vorm van sociale tewerkstelling aan vast. Voor de petite histoire: deze camera’s werden niet gepromoot als hergebruikt, omdat Europa het verbiedt om tweedehands producten als nieuw te verkopen.”

Welke rol kunnen wetgevers spelen om de evolutie naar de kringloopeconomie te bevorderen?

Walter Stahel: “Dat doen ze al volop. Om te beginnen vaardigen landen wetten uit om ervoor te zorgen dat er steeds minder afval is en het dus interessant wordt om meer te recycleren. Ook de wetten voor mijnbouw worden steeds strenger. Europa eist dat ook mijnen in derde landen aan bepaalde sociale en ecologische regels voldoen. Wie niet de nodige certificaten kan voorleggen om de herkomst van zijn grondstoffen te bewijzen, wordt gestraft. Alweer een incentive om grondstoffen uit de producten te halen en niet uit de aarde, én om eigenaar te blijven van je producten. Maar het kan ook nog radicaler. Vanaf 2020 wordt het wereldwijd bijvoorbeeld verboden om kwik te ontginnen. Dat betekent dat we het vanaf dan moeten doen met het kwik dat al beschikbaar is.”

Bent u ervan overtuigd dat de kringloopeconomie meer mensen aan het werk zal zetten dan nu het geval is?

Walter Stahel: “Zeker. De kringloopeconomie zal voor massa’s nieuwe, lokale jobs zorgen. De jobs in de recycling- en hermaaksector zullen zijn waar de producten zijn: overal dus. Het is van wezenlijk belang de kringlopen zo klein mogelijk te houden en het transport tot een minimum te beperken in een zo gedecentraliseerd mogelijk model. Ik ben ervan overtuigd dat het kringloopdenken een steeds belangrijker rol in de economie zal spelen. Zeker in deze tijden van grote werkloosheid zouden politici moeten inzien wat een groot potentieel aan jobcreatie de kringloopeconomie in zich draagt, en dat gekoppeld aan een aanzienlijke reductie in de uitstoot van broeikasgassen. Een studie van WRAP in opdracht van de Britse regering toont aan dat de overschakeling naar een kringloopeconomie een gigantische reductie aan broeikasgassen zou betekenen.”

Zo zijn we terug aanbeland bij uw studie uit 1976 voor de Europese commissie: Jobs for Tomorrow, Substituting Manpower for Energy. Met andere woorden: meer werk, minder energieverbruik. Kunnen we met de kringloopeconomie niet alleen de werkloosheid, maar ook de CO2-uitstoot terugdringen?

Walter Stahel: “Dat kunnen we zeker. Alleen hadden we veertig jaar geleden – of zelfs tien jaar geleden – de cijfers niet in handen om die stelling te bewijzen. Het ging ons toen meer om filosofische of strategische argumenten. Ondertussen beseffen we dat we de impact van het kringloopdenken op een duurzame samenleving in feite onderschat hebben.”

 

Verschenen in Argus Actueel, 5 november 2013

 

De nieuwe industriële revolutie

‘WAT WE NU MEEMAKEN IS VAN HET KALIBER VAN DE EERSTE INDUSTRIËLE REVOLUTIE’
De in Rusland geboren fysicus André Geim won als enige wetenschapper ooit zowel een Nobelprijs als een Ig Nobelprijs, de prijs voor lachwekkend wetenschappelijk onderzoek. Een gesprek met de man die het materiaal grafeen uitvond én kikkers deed vliegen.

In 2003 isoleerde André Geim samen met zijn collega Konstantin Novoselov voor het eerst grafeen, het materiaal waarmee ze in 2010 de Nobelprijs voor fysica zouden winnen – supersnel naar Nobelnormen. Grafeen komt als zodanig niet in de natuur voor: je moet het op kunstmatige wijze isoleren. De gedeeltelijk door Geim en Novoselov zelf in stand gehouden legende wil dat ze daarin slaagden met behulp van enkel een blok grafiet en een stuk plakband, maar de werkelijkheid is iets prozaïscher. Er kwam wel degelijk plakband bij te pas, maar ook aceton, propaan en ultrageluid om grafiet tot grafeen te reduceren, een materiaal dat tegelijk transparant is, extreem dun, supergeleidend, superlicht en toch sterker dan staal, harder dan diamant en toch buigzaam. Een materiaal dat records blijft breken.

Lees het interview in Knack van 30/4013

Rendementen waarbij Microsoft verbleekt

Gunter Pauli, lid van de Club van Rome en voormalig ceo van Ecover, is de grote inspirator van ‘De blauwe economie’, een model waarin ecologie, innovatie en economie hand in hand gaan. Gunter Pauli’s boek The Blue Economy verschijnt nu ook in het Nederlands.

Wat is uw belangrijkste bron van inkomsten?

‘Toen ik in 1994 uit België vertrok, heb ik al mijn bezittingen verkocht en dat geld ondergebracht in de stichting Zeri (Zero Emissions Research Initiative). Ook de auteursrechten van de boeken die ik schrijf, komen ten goede aan de stichting. VanThe Blue Economy zijn ondertussen al 1miljoen exemplaren verkocht in 34talen. Van de fabels waarin ik de blauwe economie aan kinderen uitleg zijn al 17miljoen exemplaren van de hand gegaan. Ik krijg een vaste maandelijkse vergoeding enthat’s it. Als stichting zijn we niet uit op financieel gewin. Dat hoeft ook niet. Zo lang ik goed blijf schrijven, is onze inkomstenstroom verzekerd.’

Wat is het hogere doel: een betere wereld creëren?

‘Er kan een betere wereld komen door meer ondernemerschap en innovatie. Ook bij Ecover draaide het om innovatie. Ik heb dertig jaar mijn schouders gezet onder de groene economie, maar het probleem is dat die ervan uitgaat dat wat goed is voor de mens, ook duurder moet zijn. De groene economie heeft heel goede producten opgeleverd, maar ze zijn alleen maar betaalbaar voor wie over het nodige geld beschikt. De groene economie kan dus alleen mainstream worden door meer belastingen te heffen of via subsidies. Als we dat patroon niet doorbreken, zullen we nooit duurzaamheid bereiken. In de blauwe economie gaan we ervan uit dat wat echt goed is voor de mens, ook goedkoper kan zijn.’

Wanneer zal de blauwe economie een feit zijn? U sprak in 2010 van 100 miljoen banen op tien jaar.

‘Na twee jaar hebben wij weet van ongeveer duizend bedrijfjes die werden opgezet op basis van de open source-info die wij verspreiden. Het gaat te traag en met te weinig schwung. Maar we zijn nog maar pas begonnen en starten nu een grote campagne via de vertaling van de innovaties in fabeltjes voor kinderen. Zo hopen we veel jongeren te inspireren.’

Bent u een belegger?

‘Ik beleg niet, ik adviseer anderen over beleggen. Ik wil een absolute onafhankelijkheid bewaren tegenover de technologieën en zakenmodellen die ik voorstel. Als ik er een of ander financieel voordeel zou uithalen, dan kan ik niet langer vrij advies leveren.’

Welke blauwe economie-aandelen zou u aan beleggers aanraden?

‘Op dit ogenblik kijk ik vooral naar de bedrijven waar je beter niet in investeert. Bedrijven die het potentieel gewoon negeren. Ik denk bijvoorbeeld aan Medtronic, Johnson & Johnson en Boston Scientific die heel wat verdienen met de groeiende vraag naar pacemakers, terwijl de komst van de nanotechnologie dit soort pacemakers overbodig maakt. Die aandelen kan je beter nu van de hand doen. Ook batterijmakers als Varta en Panasonic verwijder je beter uit je portefeuille vanwege de op komst zijnde innovaties die batterijen vervangen. Olie-aandelen doen het nu nog goed, maar je kan ze beter dumpen voor ze hun op termijn onvermijdelijke daling inzetten.’

Wat voor rendementen kunnen we verwachten in de blauwe economie?

‘Toen ik in 1984 de kans kreeg om mee te werken aan het regenereren van het regenwoud van Gaviotas in Colombia, dat al tweehonderd jaar geleden vernietigd was, verklaarde iedereen me gek. Maar vandaag, 28jaar later, staat het bos er, is de biodiversiteit er van 17 naar 256 gestegen, is er volledige tewerkstelling in de regio en gratis drinkwater. Last but not least: de waarde van de grond steeg er van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha. Dat is een beter rendement dan het Microsoft-aandeel in 25jaar heeft gegenereerd. Deze investering komt vandaag volledig ten goede aan de gemeenschap van Gaviotas. Het schenkt me een grote voldoening dat je met herbebossing en water als een gemeenschappelijk goed een van de meest succesvolle bedrijven in de moderne geschiedenis kunt overtreffen.’

Welke investering betreurt u?

‘Het bouwen van de ecologische fabriek van Ecover, die weliswaar baanbrekend was, maar afhankelijk van palmolievetzuren. Ik realiseerde mij aanvankelijk niet dat ik verantwoordelijk was voor de vernietiging van het regenwoud in Indonesië en de verstoring van de habitat van de orang-oetan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Het was moeilijk te aanvaarden dat de tijd en het geld dat ik in Ecover investeerde, voor niets was. Maar dat gaf me de kracht om een nieuw zakenmodel te ontwikkelen dat vandaag gekristalliseerd is in het concept van de blauwe economie.’

BESTE INVESTERING

‘Het herbebossen van de savanne in Gaviotas. Goed voor een toename van biodiversiteit met een factor15 en een stijging van de grondwaarde van 1dollar/ha naar 3.000 dollar/ha.’

www.gunterpauli.com

Wat de geschiedenis ons leert over klimaatverandering

Van 6 tot 9 mei is prof. em. Brian Fagan in het land, een archeoloog en een wereldautoriteit over de geschiedenis van klimaatsverandering. Fagan verzorgt niet minder dan vier verschillende lezingen op die vier dagen (en één besloten sessie voor de Vlaamse MilieuMaatschappij). ARGUS belde hem thuis in Californië voor een voorproevertje.

Klimaatverandering heeft altijd al een invloed gehad op de menselijke beschaving, de landbouw en de economie. Wat is de belangrijkste les die we kunnen leren uit het verleden?
Brian Fagan: “De belangrijkste les is dat we nu veel kwetsbaarder zijn dan ooit tevoren, omdat er zoveel meer mensen op de wereld zijn. Steden als Miami en Amsterdam die amper boven de zeespiegel uitsteken, of er zelfs onder liggen, zijn uiterst kwetsbaar. In vroegere beschavingen telde een stad misschien 5.000 mensen en was het makkelijker om ze te verhuizen. Dat is nu vaak geen optie.
Een voordeel is dat we betere technologie hebben dan ooit tevoren en beter kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar in vergelijking met de Lage Landen is de situatie elders beangstigend, niet alleen in een land als Bangladesh, maar ook voor een stad als Shanghai. We moeten ons dringend beraden over de vraag hoe we tientallen miljoenen mensen kunnen verplaatsen, want het land waar zij wonen, dreigt onder de zeespiegel te verdwijnen. Ze worden trouwens niet alleen bedreigd door de stijging van het zeeniveau, maar ook door orkanen en ander extreem weer.”

U beschouwt droogte als een nog grotere bedreiging dan overstromingen. Wat verwacht u van de komende eeuw?
Brian Fagan: 
“We zullen ons eerst en vooral moeten bezighouden met het recycleren van water en het beperken van het watergebruik. In het licht van de dreigende tekorten aan drinkwater, moeten we het menselijk gedrag veranderen. Dat gebeurt nu al. Los Angeles is bijvoorbeeld bezig met het opvangen van regenwater om watervoerende lagen terug aan te vullen. Ook de recyclage van water zoals in Singapore kan tot navolging strekken.”

Klimaatverandering heeft in het verleden niet alleen negatieve, maar ook positieve effecten gehad. Geldt dat ook voor de toekomst?
Brian Fagan: “Zeker wel. We zijn geneigd om vooral te focussen op dreigende rampen en apocalyptische toestanden, maar er zijn ook voordelen. Het ziet er bijvoorbeeld goed uit voor de landbouw in Canada. Je krijgt eigenlijk een herverdeling van plekken waar voedsel wordt gekweekt. Voor het Amerikaanse Zuid-Westen is dat slecht nieuws, want daar zullen we met grote droogtes te kampen krijgen. Een constante is dat de geschiedenis zich herhaalt. De tsunami van vorig jaar in Japan is voorafgegaan door vele andere. Ook Europa is in het verleden door tsunami’s getroffen, zoals uit geologisch onderzoek blijkt.”

Waarom vergeten we zo makkelijk de klimaatrampen uit het verleden?
Brian Fagan: “Waarom kunnen mensen zo moeilijk geloven dat er ooit een watertekort zal zijn? Ze draaien de kraan open en er stroomt water uit. Ze staan er niet bij stil waar het water vandaan komt. Ook met orkanen en tornado’s zie je dat patroon van ontkenning. Soms grijpt de mens wel in ten gevolge van een catastrofe, of verhuizen mensen, maar al te vaak verkiezen we te vergeten.”

Waarom is de wereld meer bezig met temperatuurstijging dan met watertekort, terwijl dat laatste volgens u een groter probleem is.
Brian Fagan: “Temperatuursveranderingen spreken meer tot de verbeelding, omdat we ze associëren met ijstijden. Het omgekeerde, toenemende temperaturen, zijn we gaan associëren met smeltend ijs en stijgend zeeniveau. Allemaal veel dramatischer klinkend dan droogte. Toch kan je er niet omheen: stijgende wereldtemperaturen betekenen onvermijdelijk meer droogte op veel plekken. Een moeilijk probleem om te verkopen in de media, helaas.”

Hoe kunnen we de dreigende droogte bekampen?
Brian Fagan: “Als we de geschiedenis van water overschouwen, valt het op dat alles fundamenteel veranderd is in de laatste tweehonderd jaar, door de industriële revolutie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat gaf de mens de kans om water uit diepere aquifers of watervoerende lagen op te pompen. Het is trouwens niet toevallig dat de geschiedenis van water oppompen begint met het leegpompen van steenkoolmijnen.
Zo lang de mens alleen afhankelijk was van de zwaartekracht om aan water te geraken, leefde er een bewustzijn dat de watervoorraad beperkt was. In oude beschavingen werd water met veel meer respect behandeld. De religieuze connotaties van water gaan tienduizenden jaren terug. Rituelen brachten de mensen respect voor water bij. Maar bij de Grieken en de Romeinen werd water een product net als alle andere.”

“Het grootste probleem is dat de mens te weinig op lange termijn denkt. Een van de redenen waarom ik er echt naar uitkijk om naar België te komen, is dat België en Nederland de waterhuishouding op de lange termijn bekijken. Dat geeft jullie een een enorm voordeel. In vergelijking met wat jullie doen, zijn de maatregelen van Japan tegen tsunami’s een lachertje.”

Vanuit wereldperspectief gezien: welke evoluties stemmen u hoopvol en wat maakt u bezorgd?
Brian Fagan: “Zorgwekkend is het feit dat er nog altijd mensen zijn die klimaatverandering ontkennen. Hoopgevend vind ik het feit dat meer en meer mensen zich bewust worden van de water- en droogteproblematiek en beseffen dat je dit moet aanpakken vanuit een langetermijnperspectief. Al moet ik daarbij opmerken dat we nog te veel aan onszelf denken en te weinig aan onze kleinkinderen. Positief is voorts het feit dat de wetenschap het klimaat beter begrijpt dan ooit tevoren. Maar de belangrijkste les die de geschiedenis ons kan leren, is het feit dat we mensen zijn, homo sapiens, een slimme soort die in staat is om te denken, te plannen, te innoveren en oplossingen te zoeken zoals geen enkel ander dier dat kan. Ja, er zullen verschrikkelijke rampen plaatsvinden en er zullen vele doden vallen, maar we zullen kunnen improviseren en voortleven zoals we dat altijd hebben gedaan. De grote uitdaging bestaat erin dat we met meer mensen zijn dan ooit tevoren en dat de problemen groter zijn dan ooit tevoren. Ben ik optimistisch? Ja. Ik denk dat we, ondanks de vele slachtoffers, uiteindelijk zullen overleven als mensheid.”

Verschenen in Argus Actueel op 26/4/12

Interview Johnny Thijs

‘Ik probeer altijd een consensus te vinden’

 

Qua symboliek kan het tellen: Johnny Thijs, CEO van een bedrijf met 30.000 personeelsleden, zit wanneer we aankomen in hemdsmouwen aan een landschapsbureau te werken. In het managementteam van bpost zijn de lijnen kort en heeft iedereen recht van spreken. Portret van een veeleisende, luisterbereide en beschikbare CEO.

 

Bent u een geboren leider?

Johnny Thijs: ‘Helemaal niet. Ik was een bedeesd en rustig manneke, geboren in een klein dorp. Ik ben uit de cocon van de boerenbuiten gekropen door naar de Cadettenschool te gaan in Lier. Daar zijn mijn ogen op de wereld geopend en ben ik langzaam beginnen te veranderen. Gaandeweg ben ik gegroeid in mijn rol. Vergelijk het met springen op een trein die steeds sneller gaat rijden. Zo kan je je leiderschapsstijl ontwikkelen, versterken en verbreden.’

Op uw 35ste was u al general manager bij Côte d’Or. Dat is snel.

‘Het was een sneltrein. Ik heb zes jaar bij Vanderelst gewerkt, daarna ging het allemaal heel vlug. Ik had bijna om het jaar een andere job, dikwijls wel in hetzelfde bedrijf. Ik raad jonge mensen altijd aan een paar keer van job te veranderen, maar niet te veel. Nieuwe ervaringen opdoen met de juiste bazen is heel belangrijk.’

Wat is dat voor iemand, een goede baas?

‘Iemand die stuurt en je de ogen opent. Iemand die je verder doet denken dan je van nature zou doen. Heinz Ivo bij Masterfoods was zo iemand, net als de onlangs overleden Klaus Jacobs van Jacobs Suchard (eigenaar van Côte d’Or, red.) en John Franklyn Mars van Mars Inc. Mensen die een voorbeeld waren door de manier waarop ze een bedrijf leidden: om zes uur ’s morgens binnenkomen, werken aan een landschapsbureau, geen individuele kantoren, iedereen gelijk, van hoog tot laag variabele verloning, een clangevoel. Dat zijn de dingen die me zijn bijgebleven. Ik geloof heel sterk in het open office. Het gevoel dat wel allemaal samen hetzelfde gevecht voeren.’

Hebt of had u een mentor?

‘Een persoon waar ik regelmatig bij terecht kan is Luc Hanssens van Egon Zehnder. Een leuke man die voor mij als een klankbord fungeert. Voorts heb ik het geluk gehad bazen te ontmoeten die in jonge mensen geloofden. Heinz Ivo heeft me een paar keer op een heel simpele manier de ogen geopend. Ik wou van reclamebureau veranderen en hij zei: “Doe wat je denkt te moeten doen. Maar stel jezelf de vraag: Heb ik hard genoeg gewerkt om alles wat het agentschap moet weten ook aan hen door te geven?” Waarschijnlijk niet, besefte ik.’

Wat hebt u nog geleerd van uw bazen?

‘Klaus Jacobs was een fantastische man. Minstens één keer per jaar kwam hij langs voor een business review, vier uur hard vergaderen. Maar hoe moeilijk de vergadering ook was, op het einde kon hij ze samenvatten op een dermate inspirerende manier dat iedereen er tegenaan wou gaan. Van mijn bazen heb ik ook geleerd me te omringen met mensen die me aanvullen. En om alle mensen aan bod te laten komen.’

Heerst in het directiecomité van bpost ook een clangevoel?

‘Dat ontstaat door een bepaalde manier van leidinggeven: heel veeleisend zijn, nooit tevreden, altijd verder willen gaan – dat zullen mijn mensen wel bevestigen, denk ik. Tegelijk tracht ik heel supportive te zijn: als het moeilijk gaat, ben ik er ook. Ik ben beschikbaar om oorlog te voeren, een klant te winnen, een dossier op te lossen. Ik ben veeleisend, maar ik moet niet altijd gelijk hebben. Gaandeweg heb ik rond mij een groep mensen kunnen verzamelen die zich kunnen vinden in die sfeer.’

Hoe zou u die sfeer nog omschrijven?

‘Er zijn heel weinig beslissingen die ik er eigenhandig doordruk: ik probeer altijd een consensus te vinden. Zo trek je mensen aan die graag voor hun eigen ideeën vechten, die heel veel verantwoordelijkheid kunnen nemen en die ook weten dat we het samen oplossen als iets niet lukt Als iemand het met iets niet eens is, heeft hij het recht om dat te zeggen. Daar zal ik goed naar luisteren, en in de mate dat ik ervan overtuigd geraak, er ook rekening mee houden. Ik ben niet de slimste van de klas en ik heb geen enkele intentie om dat te willen zijn. Ik wil wel dat we gezamenlijk de beste van de klas zijn, en ik denk dat de mensen dat geloven.’

U bent wat de managementboeken een ‘verbindende leider’ noemen. Allesbehalve een dictator.

‘Dat klopt. Ik geloof ook in een nederige managementstijl: ik moet geen sterren rond mij hebben, geen lonesome cowboys, maar samen wil ik dat we schitteren. Ik geef veel verantwoordelijkheid: details interesseren me niet echt. Als we een overwinning behalen, zal ik niet lang vieren. Dan vraag ik: wat gaan we morgen nog beter doen?’

Vergroot of tempert u bepaalde kenmerken van uw persoonlijkheid in uw managementstijl?

‘Mijn vrouw vindt me verschrikkelijk koppig, ze zegt dat ik altijd gelijk moet hebben. Ik bestrijd dat, maar we geraken het er niet over eens. Ik denk en hoop dat mijn collega’s me vasthoudend maar niet gelijkhebberig vinden. Een geboren communicator ben ik ook niet. Voor de eerste belangrijke presentatie in mijn carrière heb ik nachten slecht geslapen: nachtmerries gehad, doodzenuwachtig geweest. Nu ben ik zelden nog zenuwachtig omdat ik er cursussen voor heb gevolgd en voldoende zelfvertrouwen heb opgebouwd. Ik ben zoals ik ben, en ik denk dat dat alles bij mekaar niet slecht is. Dat laat me toe mensen rond mij te verzamelen die heel loyaal zijn. Ik heb het onlangs nog eens berekend voor mijn senior management: 73% is al meer dan vijf jaar bij mij, wat best goed is in de huidige tijden. Daar ben ik fier op.’

Van welke foute beslissingen in uw carrière hebt u het meest geleerd?

‘Te lang met de foute mensen werken. Ik zal mensen altijd een extra kans geven, en ik heb geleerd dat je mensen nooit op maandagmorgen, maar op vrijdagavond moet ontslaan. Bij beslissingen over mensen ga ik nooit over één nacht ijs, maar ik weet wel dat ik heel veeleisend moet zijn. Je moet zeker zijn dat de combinatie van talent en gedrag datgene is waarnaar je op zoek bent. Tot fouten reken ik ook: denken dat je de wereld kunt veranderen of trends kunt wijzigen. Dat is slechts zeer weinig merken gegeven, al kan een Apple dat wel. Van het tegendeel kan ik tal van voorbeelden geven, zoals indertijd Vieux Temps trachten te herlanceren. Tendensen in merken omdraaien is verschrikkelijk moeilijk. Je kan trends wel naar je hand zetten, daar zit een stuk talent in.’

Wat is volgens u het verschil tussen een manager en een leider?

‘Een manager is iemand die een technische opdracht heeft: binnen een bepaalde discipline trachten iets zo goed mogelijk te doen. De baas moet inspireren, leiding geven, richting aangeven. Dat wil niet zeggen dat ik een groot visionair ben. Ik probeer een visie op de toekomst te ontwikkelen, die ik test en toets bij de collega’s, en daar probeer ik dan consensus en een verhaal rond te bouwen, want binnen eenzelfde toekomstbeeld kun je nog verschillende keuzes maken.’

Hoeveel procent van uw ideaalbeeld van bpost hebt u al gerealiseerd?

‘Vijftig procent. We zijn halverwege. Waar ik nog verder aan moet werken is dat alle 30.000 medewerkers van bpost goesting hebben om een stapje meer te zetten en de kwaliteit en de dienstverlening nog te verbeteren. Dat heeft te maken met instelling: zich willen geven voor het bedrijf omdat ze het graag doen. Er mag niet aan getwijfeld worden: ik heb heel veel mensen die graag werken en het trachten goed te doen, maar ik wil een klimaat van samen nog beter worden. Dat is de volgende stap.’

Vindt u dat uw succes als CEO kan afgemeten worden aan de mate waarin u zichzelf vervangbaar maakt?

‘Zeker. Met veel vertrouwen kan ik zeggen dat dit bedrijf perfect verder zal varen nadat ik hier weg ben. Er zal iemand anders komen die een basis zal vinden waarop hij verder kan werken. Ik heb ervoor gezorgd dat er binnen mijn managementteam in ruime mate opvolgers beschikbaar zijn, maar ik zal de beslissing van de aandeelhouders daarover respecteren.’

 

CV Johnny Thijs

Handelsingenieur – Economische Hogeschool Limburg

International Marketing – Columbia University

1974 Product & Marketing Manager België Vanderelst (Rothmans group)

1981 Marketing & Sales Manager België, Nederland, Duitsland en Frankrijk Masterfoods (Mars)

1986 Marketing en General Manager Côte d’Or-Jacobs Suchard

1991 Executive Vice President Interbrew

1997 CEO Europa, Azië-Pacific en Afrika Interbrew

2002 Gedelegeerd bestuurder De Post, nu bpost

 

Verschenen als onderdeel van Dossier Leiderschap, Jobat 8/10/11

 

 

 

Durban: historische doorbraak of een gemiste kans?

De reacties op de klimaattop in Durban lopen sterk uiteen. Wat is er nu eigenlijk verwezenlijkt en wat brengt de toekomst? We vroegen het aan twee experts die in Durban de klimaatconferentie bijwoonden.

De Zuid-Afrikaanse minister Maite Nkoana-Mashabane had het in haar slotwoord in Durban over een historisch akkoord. Het valt te vrezen dat de geschiedenisboeken haar gelijk zullen geven. ‘Het grootste doemscenario dat inhield dat de onderhandelingen zouden afspringen, is vermeden,’ zegt Karla Schoeters van VITO. ‘Maar anderzijds volstaan de huidige afspraken niet om de opwarming van het klimaat onder de 2° C te houden, terwijl 2° eigenlijk ook al te veel is.’

Dit zijn de belangrijkste afspraken van de top van Durban:

– Er is uitzicht op een mogelijk tweede doelstellingsperiode onder het Kyoto-protocol. Het probleem van de overtollig toegekende rechten, de duur van de doelstellingsperiode en de hoogte van de doelstellingen moeten tegen volgend jaar beslecht worden. Canada, Rusland en Japan stappen niet mee in Kyoto bis. China, India en de VS blijven als vanouds buitenstaanders. De VS en de meeste groeilanden (waaronder China) engageren zich tot 2020 dus enkel op vrijwillige basis (niet-bindend) tot emissiedaling.
– Er is een afspraak om een ‘Mondiaal akkoord’ te sluiten waarin alle landen gelijk zullen zijn voor de wet, ook de ontwikkelingslanden. Dit verdrag zou tegen 2015 rond moeten zijn en in 2020 in voege treden en zou een opvolger kunnen worden van het Kyoto-protocol.
– Het Groen Klimaatfonds treedt vanaf 2020 in werking, met een waarde van 100 miljard dollar per jaar om de ontwikkelingslanden te helpen bij milieuvriendelijke groei. Het moet hen tevens helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatsverandering. Maar er is nog geen duidelijkheid over waar dat geld vandaan moet komen.

Het meest wezenlijke wat Durban heeft gedaan, is de klimaatbesprekingen aan de gang houden, maar de belangrijkste punten worden hete-aardappelgewijs voor ons uit geschoven naar 2020 en de afspraken blijven uitblinken in vaagheid. Dat staat haaks op de dringende noodzaak om nu krachtige maatregelen te nemen om de opwarming van het klimaat een halt toe te roepen.

Het gat van vijf gigaton
Voor de aanvang van Durban trok het United Nations Environment Programma aan de alarmbel. Volgens het UNEP wordt het sowieso al moeilijk om de temperatuurstijging van de aarde onder de 2° C te houden. Zelfs als de afspraken van Kopenhagen volledig worden nageleefd, zou de wereldwijde uitstoot in 2020 49 gigaton CO2-equivalent bedragen, terwijl de uitstoot niet boven de 44 gigaton zou mogen uitkomen om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken. In een business as usual-scenario kan de uitstoot tot 53 gigaton oplopen. Nu er pas bindende afspraken komen voor alle landen vanaf 2020, ‘zitten we definitief op het pad naar een temperatuurstijging van meer dan 3 graden’, liet Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) in De Standaard optekenen, daarbij niet gehinderd door de eerder minimalistische klimaatdoelstellingen die de Vlaamse overheid er zelf op na houdt. Woorden zijn makkelijker dan daden, dat is alvast een van de lessen van Durban.

Belgen in Durban
Argus Actueel vroeg aan twee experts die in Durban (een deel van) de klimaatconferentie bijwoonden wat de conferentie heeft opgeleverd en hoe het nu verder moet. Karla Schoeters is programmacoördinator energie- en klimaatbeleid bij VITO. Thomas Bernheim werkt bij het Directoraat-Generaal Klimaatactie van de EU, waar hij zich bezighoudt met internationale emissierechten, lucht- en scheepvaart.

Hoe evalueert u de resultaten van Durban?
Karla Schoeters: ‘Ik maak een onderscheid tussen de resultaten en het proces. Het positieve is dat alle partijen het erover eens zijn dat het VN-proces naar emissiereductie moet worden voortgezet. Anderzijds zit ik met een wrang gevoel. De landen hadden nu iets moeten beslissen, maar ze zijn er niet uitgeraakt. De kans dat we onder de twee graden termperatuurstijging kunnen blijven, is vanuit wetenschappelijk standpunt bekeken zo goed als onhaalbaar geworden. We zullen eerder naar drie graden en de bijbehorende effecten gaan. Maar als de onderhandelingen waren afgesprongen, zoals het er een tijdje heeft naar uitgezien, waren we nog veel verder van huis.’
Thomas Bernheim: ‘Durban vertoont één belangrijk verschil met vorige klimaatconferenties: er is nu een roadmap afgesproken die zou moeten leiden tot voor alle landen bindende akkoorden die in 2020 in voege zullen treden. Je kan stellen dat dat veel te laat is, maar dat betekent niet dat er voor 2020 niets zal gebeuren.’
Waarom is het zo moeilijk om overheden te overtuigen van de wetenschappelijk bewezen urgentie om nú iets te doen aan de CO2-uitstoot?
Karla Schoeters: ‘Dat zijn nu eenmaal de politieke beperkingen van het moment. De kortetermijn domineert over het langetermijngegeven. Het is ook nog altijd een kwestie van ieder voor zich. Wat me stoort is dat het uiteindelijk ook niet meer gaat over een reductie van de emissies, maar steeds meer over geld. Welke transfers van Noord naar Zuid kunnen er komen om adaptatie, technologie-overdracht en mitigatie te initiëren? De doelstelling van Kyoto was de reductie van broeikasgassen en het financiële aspect was daarbij een hulpmiddel. Nu lijkt geld een doel op zich geworden.’
Thomas Bernheim: ‘Er is een verschil tussen wat de wetenschap ons aanbeveelt en wat politiek haalbaar is. We stonden voor Durban veel verder van een akkoord dan erna. In dat opzicht is Durban zeker positief. Maar China kijkt de kat uit de boom, zeker zo lang het Amerikaanse Congres dwarsligt, waar je nog heel wat klimaatsceptici vindt.’
Wat zal er volgens u op emissiegebied nog gebeuren tussen nu en 2020?
Karla Schoeters: ‘Laten we niet vergeten dat er toch al heel wat maatregelen worden genomen, niet alleen bij ons maar ook in de ontwikkelingslanden. China introduceert wel degelijk mitigerende maatregelen. We moeten blijven werken aan het bewustzijn dat de groene economie een enorme toegevoegde waarde heeft en een positieve economische impact. Wellicht zullen er eerder initiatieven ontstaan vanuit een lokale push dan vanuit VN-standpunt. De markten hebben nu ook het signaal gekregen dat emissiereductie op de agenda blijft staan en dat bedrijven niet kunnen wachten tot 2020 om de nodige stappen te zetten.’
Thomas Bernheim: ‘Het is niet omdat er nog geen internationale bindende afspraken bestaan dat er ondertussen niets gebeurt. In Australië is er zopas een systeem van emissiehandel aangenomen dat de emissies zal doen dalen, zij het onvoldoende. De EU zet door om tegen 2020 een emissiereductie van 20% te realiseren, in combinatie met een aandeel hernieuwbare energie van 20%. Het interne debat om verder te gaan dan deze doelstellingen zal opnieuw opflakkeren. De Chinezen bouwen hernieuwbare energie sterk uit. China zal de komende jaren bovendien een systeem van emissiehandel creëren in vier provincies en twee stedelijke agglomeraties. Mijn inschatting is dat China en andere landen pas internationaal bindende doelstellingen zullen aanvaarden wanneer ze er intern klaar voor zijn.’
Ligt hier een opportuniteit voor Europa om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van groene economie en groene groei?
Thomas Bernheim: ‘Europa heeft het voordeel dat het al een wetgeving heeft en de doelstellingen heeft gehaald. Het probleem is dat door de economische crisis de carbonprijs zo laag is dat er geen dynamische innovatie in technologie plaatsvindt en dat bijvoorbeeld in België subsidies worden afgebouwd die de langetermijndoelstelling ondersteunden.’

Gepubliceerd in Argus Actueel, 13/12/2011

Bedreigt de klimaatsverandering de Bordeauxwijn?

Er bestaan minder aangename onderwerpen dan Bordeauxwijn om je in te verdiepen als het gaat over het klimaat. Professor dr. Pieter Leroy (RU Nijmegen) boog zich recentelijk over de mogelijke gevolgen van de klimaatsverandering in zuidwest Frankrijk, de bakermat van appellations als Saint-Émilion, Margaux en Pomerol.

Waarom koos u voor de wijnstreek Bordeaux?

Professor dr. Pieter Leroy: Het klimaatsprobleem is voor veel mensen een ver van mijn bed show. Met de concrete gevolgen van de klimaatsverandering voor een tot de verbeelding sprekend product als Bordeauxwijn hoop ik het dichter bij de mensen te brengen. In Frankrijk is men zich overigens van het probleem bewust. Vorig jaar nam ik deel aan een symposium over klimaateffecten in Bordeaux, waar aspecten als landbouw, energie, water en biodiversiteit aan bod kwamen. Dat vond ik verfrissend, want in Nederland blijft de discussie over de klimaatsverandering en de effecten ervan bijna uitsluitend beperkt tot de gevolgen voor de waterhuishouding. Ik werd uitgenodigd als gastdocent door de universiteit van Bordeaux en mede dankzij het bedrag dat ik vorig jaar won met de Prijs Rudy Verheyen zag ik de kans om er onderzoek te doen in april en mei 2011.

Wat weten we over de klimaatsverandering dat specifieke gevolgen kan hebben voor de wijndruiventeelt?

Het gaat essentieel over twee kwesties: waterproblemen en temperatuursverhoging. Iedere druivensoort gedijt het best binnen een welbepaalde temperatuurszone en dat luistert nogal nauw, heb ik me laten vertellen. De druiven die in de Bourgogne en de Champagne gekweekt worden, zijn bestand tegen lagere temperaturen dan degene die in Bordeaux gebruikt worden. Als de gemiddelde temperatuur zoals wordt voorspeld met één tot twee graden stijgt in de komende vijftig jaar, dreigt een merkbaar verschil in de kwaliteit van de wijn op te treden en kunnen de Bordeauxwijnen in bepaalde jaargangen echte alcoholbommen worden, zeg maar bijna fruitjenevers in plaats van kwaliteitswijnen.

De Bordeaux dreigt dus zwaar te lijden onder de klimaatsverandering?

Zeker omdat men niet zomaar met andere druivensoorten kan experimenteren, want de toegelaten soorten zijn vastgelegd in de regels voor de Appellation d’ Origine Contrôlée. Als je je niet aan die regels houdt, wordt je wijn een Vin de Pays, waarvoor je minder geld kunt vragen. In een streek met wijnmonocultuur als de Bordeaux is dat een ramp die in omvang vergelijkbaar is met de sluiting van de mijnen in de Kempen destijds. Het bewustzijn daarrond leeft alvast in Frankrijk, overigens meer in de Bourgognestreek dan onder de ietwat zelfgenoegzame Bordelezen. Toch kampen nu al ongeveer 2.000 à 3.000 van de ongeveer 8.000 wijnboeren uit de Bordeaux met serieuze financiële problemen. Een slecht wijnjaar kan hen recht naar het faillissement voeren.

Kan een dergelijk klimatologisch doemscenario de Fransen aanzetten om hun milieu-inspanningen op te drijven?

Ik ben ervan overtuigd dat het klimaatbesef in Frankrijk groter is dan bijvoorbeeld in Nederland. Dat heeft te maken met een aantal incidenten van de laatste jaren, zoals Xynthia, de zware storm van vorig voorjaar en de abnormaal hete zomer van 2003, waarbij een groot aantal mensen voortijdig zijn overleden. Dat is nog altijd een bron van nationale schaamte in Frankrijk. De Fransen beseffen terdege dat ze nog heel wat inspanningen moeten leveren op het gebied van waterbeheersing en kustbescherming. Iedereen die ik heb gesproken is ervan overtuigd dat er dringend nood is aan slimme oplossingen, en niet alleen voor de Appellation Contrôlée.

 

Verschenen in Argus Actueel.

Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Portefeuille Stefan Duchateau

‘Speculatie druist in tegen mijn methodiek’

Stefan Duchateau is docent Financial Risk Management, Advanced Portfolio Management en Financial Engineering. Daarnaast werkt hij als consulent voor ondermeer Argenta. In een vroegere functie maakte hij ondermeer KBC Asset Management groot.

Wat is uw analyse van de toestand op de beurzen en in de bankwereld?

‘Ons kapitalistisch marktsysteem is gebaseerd op een aantal assumpties. Als die niet meer kloppen, worden we overgelaten aan elementen waarvan we de draagwijdte niet kunnen inschatten. In mijn cursussen begin ik bij het faillissement van het hefboomfonds Long-Term Capital Management in 1998. Daar kwam alles samen: de hebzucht van enkelingen, de eerzucht van een aantal mensen die dachten dat ze zich niet konden vergissen, tot en met de heerszucht van degenen die erop moesten toezien en alles toedekten. Een near miss, waarbij de schade gelukkig beperkt bleef tot de aandeelhouders van LTCM. We wisten wat er verkeerd kon gaan: het opbouwen van duizenden posities, die allemaal kwetsbaar waren voor liquiditeitsrisico.’

Is hebzucht ook vandaag het grootste probleem?

‘Het heeft er toe bijgedragen, maar de mens is al tienduizenden jaren hebzuchtig. Waarom loopt het nu zo grondig mis? Door de falende strategie van de banken had men nood aan aanvullende inkomsten. Die moesten altijd groter worden en daarom had men traders nodig die altijd maar grotere risico’s wilden en mochten nemen. De eerzucht en onbekwaamheid van een aantal CEO’s is een belangrijker factor dan hebzucht.’

Veel banken hebben hun les nog altijd niet geleerd, weten we nu.

‘Het is niet overdreven te stellen dat we vandaag dicht bij het realiseren van het systeemrisico staan. Wanneer er door Europa geen degelijke constructie in het vooruitzicht wordt gesteld, zou het kunnen dat er grotere banken dan Dexia in de problemen geraken, met alle domino-effecten vandien op andere banken, ondernemingen en overheden. Terwijl de oplossing eenvoudig is: gedurende een paar jaar een obligatiegarantie uitspreken voor alle Europese landen die het nodig hebben. Dat moet volstaan om rust te creëren en blijvende maatregelen uit te werken.’

Welke aandelen houdt u in deze omstandigheden nog in portefeuille?

‘Eigenlijk vraag je een schoenmaker niet welke schoenen hij draagt, maar vooruit. Ik bekijk mijn portefeuille op de lange termijn en huldig daarbij het allocatieprincipe dat de Talmoed voorschrijft: een derde in grond, een derde in zaken en een derde in geld. (lacht) Voor mij komt dat neer op 33% vastgoed, 33% aandelen en 33% cash. Wat ik maandag (vandaag, red.) zal doen, zal afhangen van de toestand op de beurzen. Als er effectief systeemrisico is, probeer ik zoveel mogelijk aandelen te verkopen, maar ik vermoed dat men met een voldoende degelijke oplossing zal komen. Als dat het geval is, bouw ik mijn cash af en investeer ik in gebalanceerde defensieve producten met kapitaalsbescherming.’

Wat is uw beleggingshorizon?

‘Ik ben er absoluut van overtuigd dat je aandelen moet kopen met de bedoeling ze tien à twintig jaar in portefeuille te houden. Aandelen uitpikken is nooit mijn ding geweest. Ik ben altijd meer bezig geweest met de structuur die je moet bouwen onder portefeuilles, hoe je het risico onder controle houdt en hoe de portefeuille-analyse moet werken. Waar ik altijd van heb gewalgd is speculatie. Je mag zowel mijn persoonlijke als professionele portefeuilles erg zeer grondig op navlooien: ik doe niet aan speculeren.’

Druist het in tegen uw gevoel voor ethiek?

‘In de eerste plaats tegen mijn methodiek. Resultaten komen van goede structuren en disciplinair omgaan met langetermijn asset-allocatie. In mijn definitie is een beurs een plek waar op een efficiënte manier risico’s dienen te worden geprijsd en gespreid over vele schouders. Als je daar roversbendes op loslaat die parasiteren op het systeem, krijg je een karikatuur van hyena’s die onterecht op de hele biotoop afstraalt. Hyena’s hebben hun nuttige kanten, maar ze moeten niet verheerlijkt worden. Mensen moeten beseffen dat speculeren geen heldengedrag is, maar abnormaal gedrag. Ik kan overigens met harde cijfers aantonen dat dit type van investeringsgedrag over de langere termijn enkel verliezen veroorzaakt.’

BESTE INVESTERING

‘Mijn drie grootste posities zijn ook mijn beste: Apple, IBM en India. Ik heb Apple gekocht toen ze tien dollar stonden, en ben gestopt met kopen toen ze over de 150 dollar gingen. Men vergeet ook wel eens hoe goed IBM het op de lange termijn heeft gedaan.’

SLECHTSTE INVESTERING

‘Er is één ding waar ik spijt van heb en dat ik onmogelijk kan compenseren: de tijd die ik verloren heb door te lang en tegen beter weten in bij sommige grootbanken te blijven, toen ze onder bewind kwamen van verkeerde mensen.’

Verschenen in De Standaard op 24/10/2011

Portefeuille Koen De Leus

‘Ik hanteer een hit and run-strategie’

 

Koen De Leus – Marktenspecialist bij KBC Securities Bolero

 

KBC-aandelen zijn vandaag nog minder dan een vijfde waard in vergelijking met drie jaar geleden. Heeft dat gevolgen voor uw persoonlijke portefeuille?

‘Dat valt wel mee. Ik heb sinds de kredietcrisis van 2007-2008 geen bankaandelen meer in portefeuille, behalve dan RHJ International, die Kleinwort Benson bezit en KBC Ierland heeft overgenomen. Ik denk dat de banken nog woelige tijden te wachten staan. Welke banken zonder kleerscheuren deze periode zullen doorkomen, is moeilijk in te schatten.’

Vreest u nog voor bijkomende Dexia-scenario’s?

‘Het is een zeer ondoorzichtige situatie, als je weet dat Dexia bij de stress-test als twaalfde van de 91 onderzochte banken uitkwam. Het blijkt dus vooral een kwestie van vertrouwen, en dat krijg je pas terug als de politici de nodige maatregelen treffen. In 2007 hebben de VS krachtdadig ingegrepen om hun bankencrisis te beslechten. Het grote verschil is dat je in Europa met zeventien landen rond de tafel zit. Het zijn de politici die zullen bepalen wie de rekening zal betalen: de obligatiehouder, de aandeelhouders of alle burgers.’

Ziet u de toekomst van de beurzen op lange termijn somber in?

‘Ik denk dat er nog een Armageddon-moment moet komen. Een gebeurtenis waardoor de politici verplicht zullen worden een gigantische stap voorwaarts te zetten. Iets dat de koersen met 10 à 15% doet dalen, waarna zich een ideale koopgelegenheid zal voordoen voor een paar kwartalen en winsten van 30 tot 50% in het vizier komen.’

De meeste aandelen zijn nu toch al erg laag gewaardeerd.

‘We bevinden ons sinds 2000 in een langetermijn berenmarkt, die gekenmerkt wordt door dalende waarderingen. Aandelen zijn inderdaad vrij goedkoop gewaardeerd, maar ik vrees dat ze nog goedkoper zullen worden alvorens mensen ze zullen oppikken. Daarnaast hebben we te maken met een ontplofte kredietzeepbel. Uit het verleden weten we dat het zes à zeven jaar duurt voor een lokale kredietzeepbel hersteld is. Hier gaat het over een globale zeepbel die in 2007 ontploft is. Maar dat wil niet zeggen dat er op korte termijn geen opportuniteiten zijn.’

Hoe past u die analyse toe op uw eigen portefeuille?

‘Ik hanteer momenteel een hit and run-strategie. Iets aangrijpen op een moment van massaal pessimisme, winst nemen en terug in winterslaap gaan tot de volgende crisis. Momenteel zit ik zeer zwaar in cash, tot 70%. Ik werk met limietorders: als Delhaize naar 41 zakt, koop ik het goedkoop. Thrombogenics zou ik kopen aan 11 euro. Als ik zo spotgoedkoop kan kopen, kan ik niets verkeerd doen. Wanneer ik dan 20 à 25% winst maak, werk ik met ‘stop-loss’-verkooporders. Als het aandeel zakt, neem ik mijn winst. Mijn doel is vandaag niet zozeer veel winst te maken, maar vooral verliezen te vermijden. En als de berenmarkt over is en niemand nog wil beleggen, zal ik stilletjes aan terug beginnen. In 2007 heb ik een serieus pak slaag gehad en heb ik we heel wat defensiever opgesteld. ‘

Hoe beschermt u zich nog tegen ongewenste verliezen?

‘Met turbo shorts, een uitstapmechanisme dat je kunt vergelijken met put opties, maar dan veel eenvoudiger. Je hoeft geen rekening te houden met de volatiliteit en je maakt gebruik van een hefboomeffect: elk punt dat de Dow Jones Euorstoxx zakt, krijg je een veelvoud aan punten bij, afhankelijk van de onderliggende ‘stop-loss’ niveau van de turbo. Eigenlijk is het een simpele indekking voor een daling, qua kost overigens te vergelijken met put opties. Daarnaast bestaat ongeveer vijf procent van mijn portefeuille uit fysiek goud. Goud maakt deel uit van de basis van elke beleggingspiramide. Als er iets extreems gebeurt, heb je altijd dat nog.’

Zijn er nog aandelen die u wel lang in portefeuille houdt?

‘Een zeer defensief aandeel als Elia is de voorbije maanden gestegen, omdat het als een veilige haven wordt beschouwd. Iets minder gelukkig ben ik over Roche: ik geloofde erin vanwege de toenemende vergrijzing, maar sommige van hun kankermedicijnen staan ter discussie. Ik blijf vasthouden aan Total, het enige aandeel van de Dow Jones Stoxx 600 dat de voorbije twintig jaar telkens zijn dividend minstens stabiel heeft gehouden of verhoogd. Voor het overige blijf ik liefst heel dicht bij België, om de dubbele belasting te vermijden.’

Wat is uw langetermijndoelstelling als belegger?

‘Een appeltje voor de dorst voor als ik met pensioen ben. Natuurlijk doe ik ook aan pensioensparen vanwege het fiscale voordeel, maar ik ben ervan overtuigd dat de pensioenen voor mensen die gemiddeld of bovengemiddeld verdienen niet zullen volstaan. Hopelijk maakt de volgende regering eindelijk werk van het aanpakken van de vergrijzingsproblematiek.’

 

SLECHTSTE INVESTERING

‘Als jonge belegger had ik flink in een fonds met Aziatische tijgers geïnvesteerd. Dat is me in 1997 niet goed bekomen. Ik bleef achter met een kater van 40% verlies.’

 

BESTE INVESTERING

‘Agfa-Gevaert heb ik drie jaar geleden, in volle herstructurering, gekocht aan 1,20 euro en verkocht aan 6 euro. Ik was er best trots op dat ik eindelijk de discipline had gevonden om de gerealiseerde winsten op tijd te nemen.’

 

Verschenen in De Standaard, 17/10/2011

 

Portefeuille Jan Lamers

‘Geen compassie met aandeelhouders’

Socioloog en economist Jan Lamers stond twintig jaar lang aan het hoofd van Tijd NV, de uitgever van wat toen nog de Financieel-Economische Tijd heette. Vandaag woont hij in Frankrijk en engageert hij zich onder andere als bestuurder in Triodos Bank.

 

U komt uit een nest van zelfstandigen. Heeft dat uw houding tegenover geld en werk bepaald?

‘Op het gebied van werk wel: het arbeidsethos, niet goed kunnen nietsdoen, dat zit er diep in. Wat geld betreft, heb ik wel veel geld verdiend voor de ondernemingen waar ik voor werkte, maar met mijn eigen geld ben altijd te weinig bezig geweest. Het was nooit mijn bedoeling om rijk te worden. Geld verdienen is altijd een uitvloeisel geweest van wat ik graag deed. Daarom heb ik ook zoveel leuke dingen kunnen doen.’

Op welke gerealiseerde meerwaarden bent u het meest trots?

‘Dat ik de FET heb opgekrikt van een krant met een jaarlijkse omzet van 100 miljoen frank tot een krantenbedrijf met een waarde van 2,6 miljard frank – de prijs die HAL Invest, de groep achter Het Financieele Dagblad, bereid was te betalen. Al is Tijd dan door te lang talmen enkele jaren later voor minder dan de helft verkocht. Iets als het website-ontwikkelingsbedrijf Net it Be was ook ongelooflijk: daar hebben we met Tijd NV 10 miljoen frank ingestoken, om het vier jaar later voor 250 miljoen BF aan Alcatel te verkopen.’

Was u in uw periode bij Tijd een actief belegger?

‘Niet echt. Ik vond het zonde van de tijd die je erin moet steken. In aandelen investeren en met de emotionele golven van de beurs meedeinen is niets voor mij. Ik gaf de voorkeur aan sparen, liefst in een gestructureerde vorm, waarbij het geld automatisch opzij wordt gezet: pensioensparen, fiscaal sparen, groepsverzekering. Met mijn aandelen van Tijd heb ik trouwens in verhouding wel gouden zaken gedaan, jammer genoeg niet in absolute bedragen.’

U bent nu bestuurder bij Triodos bank. Is ethisch beleggen meer uw ding?

‘Ik ben nog altijd geen grote belegger. Bij Triodos ben ik vanuit het antroposofisch gedachtengoed terechtgekomen. Ik heb zeer veel moeite met het totale gebrek aan transparantie bij de traditionele banken, die nog altijd opereren onder de slogan “We’re only in it for the money,” om het met Frank Zappa te zeggen. Sociale, ethische en milieu-implicaties doen niet ter zake, tenzij bij de marketingpraatjes. Alleen het financieel rendement telt. Bij Triodos is dat anders. Wij streven niet alleen naar Profit, ook zorgen voor Planet en People hoort expliciet tot onze doelstellingen. We gaan ervan uit dat als geld de wereld slechter kan maken, geld de wereld ook beter kan maken.’

Als alle banken zouden werken als Triodos, was er dan geen bankencrisis geweest?

‘Natuurlijk niet. Wij hanteren een directe, transparante link tussen spaarders en investeerders. Dan kan je natuurlijk nooit een return on equity van 18% halen, maar hoogstens 5% à 7%. Dat volstaat voor de traditionele bankjongens niet. Daarom hebben ze met steeds intransparantere producten een speculatieve financiële wereld gecreëerd die totaal los staat van de economische realiteit. Hebzucht is de enige drijfveer daarachter. Met gedupeerde aandeelhouders heb ik dan ook geen enkele compassie. Wat ik niet begrijp, is dat een zich sociaal noemende organisatie als het ACW in die logica meegaat en zich mogelijk voor 2,5 miljard heeft laten vangen door Dexia.’

Een bank als Triodos blijft ondanks zijn gestage groei wel erg klein.

‘In vergelijking met de grote banken zijn wij kabouters. Sommigen hadden gedacht dat de bankencrisis de mensen tot inzicht zou brengen, maar dat is erg naïef. 2008 was een rampenjaar, maar de banken gaan sindsdien vrolijk verder op hun oude weg. Het verbaast me nog elke dag hoe onnozel en braaf de mensen zijn. Alleen met de garanties voor Dexia is elke Belg nu mogelijk tot 6.000 euro kwijt, en toch is er niemand die op straat komt.’

Waar geeft u het meeste geld aan uit? Aan uw huis in Frankrijk?

‘Ik woon net over de grens in de Franse Ardennen, maar het leven is er goedkoper dan in België. Ik kan er me probleemloos een tuin van een halve hectare permitteren. Op amper 150 km van Leuven vind je er een heel andere wereld. Nee, persoonlijk geef ik nog altijd het meeste geld uit aan informatie: boeken, kranten en tijdschriften, internet vast en mobiel.’

 

SLECHTSTE INVESTERING

‘Mijn studies sociologie. Tegelijk heb ik toen het meeste geleerd, maar zeker niet aan de unief. Ik ging nooit naar de les, maar ik maakte films, was actief in de Cultuurraad, was kampleider op jongerenkampen. Gelukkig had ik aan twee maand genoeg om door de examens te geraken.’

 

BESTE INVESTERING

‘Relatief bekeken heb ik meeste geld verdiend aan de aandelen die ik als werknemer van Tijd NV kon kopen bij elke kapitaalsverhoging. Dat vond ik wel een zinnige vorm van beleggen in aandelen, omdat ik die business ook zelf in de hand had.’

 

Verschenen in De Standaard, 10/10/11