‘Een echte oplossing voor Fukushima bestaat niet’

Anders dan de doorsnee documentairemaker of journalist heeft de Franstalige Belg Alain De Halleux met zijn diploma van nucleair chemicus een extra wapen op zak als het op het analyseren van kernenergie en kernrampen aankomt. De Halleux beschikt dan ook over een stevige wetenschappelijke achtergrond. Zijn verontwaardiging over hoe we met kernenergie omspringen, wordt er alleen maar groter door.

Toen Alain de Halleux zijn diploma van nucleair chemicus op zak had, besloot hij dat zijn toekomst in de kunstwereld lag. “Ik had nucleaire chemie gestudeerd om de wereld te begrijpen, maar besefte dat kunst me meer kon leren”, zegt hij daarover. Toen kon hij nog niet vermoeden dat zijn achtergrond van pas zou komen bij twee spraakmakende tv-documentaires over de nucleaire industrie: RAS nucléaire, rien à signaler (2009), over de jumpers die gevaarlijk werk leveren in de nucleaire industrie en Tchernobyl 4 ever (2011), een documentaire die hij een kwarteeuw na de ramp ter plaatse maakte.

Wat is u het meest opgevallen in Tsjernobyl?
Alain de Halleux: Mogen het ook tien dingen zijn? (lacht) De eerste keer dat ik er kwam, was het zomer. Toen heb ik het mysterie gevoeld van de zone [het gebied in een straal van 30 km rond de reactor, red.]. Radio-activiteit is onzichtbaar en de natuur is er zo mooi – maar je weet dat er iets niet klopt. Je durft niets aan te raken, je voelt je ongemakkelijk. De tweede keer was het winter, de schoonheid van de plek was subliem. Het had gesneeuwd en dat beschermt de bezoekers een beetje. Ik voelde me almost safe. De derde keer was het terug zomer, een droge en winderige periode. Toen was het gevaarlijk. Ik stond in de zone toen een vrachtwagen stof liet opwaaien en dat heb ik ingeademd. Ik heb meteen een douche genomen. Toen was ik echt bang, ik dacht dat ik besmet was. Gelukkig bleek er na een medisch onderzoek niets aan de hand. Dat wil zeggen: cesium kan men detecteren in de mens, plutonium niet. Tsjernobyl bezoeken blijft een beetje Russische roulette spelen.

Uit uw documentaire blijkt dat er veel is dat we niet weten over Tsjernobyl. Hoe verklaart u dat?
Alain de Halleux: De laatste zin van de documentaire luidt: “De mens heeft een kort geheugen, maar een atoom leeft heel lang.” Dat vat het wel een beetje samen. Niemand vond het nodig om nog een film over Tsjernobyl te maken. Maar niemand weet precies wat er is gebeurd, en zeker niet wat er zich daar nu afspeelt. Het gangbare beeld is dat van een ruïne, verlaten door de mens in afwachting dat de radio-activiteit vermindert. Maar al een kwarteeuw werken daar duizenden mensen om de toestand onder controle te houden. Nog zoiets: na de ramp groeide er een consensus voor een kernuitstap in Europa, maar men heeft niets ondernomen om kernenergie te vervangen. Gaandeweg waren we blijkbaar vergeten hoe gevaarlijk kernenergie is.
Wat is het ergste dat er nu nog in Tsjernobyl nog kan gebeuren?
Alain de Halleux: Een moeilijke vraag. Om te beginnen bestaat er geen enkele wetenschappelijke methode om te bepalen hoeveel kernbrandstof er nog aanwezig is onder de sarcofaag [het betonnen omhulsel dat de voormalige reactor 4 bedekt, red]. Men weet niet precies hoeveel kernbrandstof er opgebrand is. De radio-activiteit ter plaatse meten, volstaat ook niet. De realiteit is onbekend, en zo wordt Tsjernobyl een spiegel van wie er naar kijkt. Volgens Greenpeace is de meeste kernbrandstof opgebrand en de radio-activiteit verspreid over Europa, volgens regeringsbronnen is er nog wel veel kernbrandstof aanwezig. De waarheid is dat we niet weten hoeveel fuel er nog is, en evenmin in welke toestand die zich bevindt.
Vijfentwintig jaar lang hebben we gehoord dat Tsjernobyl eenmalig en uitzonderlijk was. De ramp in Fukushima Daiichi heeft het tegendeel bewezen. Moeten we ons in België ook zorgen maken?
Alain de Halleux: Zeker en vast. In mijn film Rien à signaler wordt duidelijk dat we ons in de eerste plaats zorgen moeten maken over de mensen die in de kerncentrales werken. Niet alleen aardbevingen kunnen rampen veroorzaken, maar ook mensen die onder te hoge druk staan. Tegenwoordig geeft men de werknemers in de nucleaire sector zelfs niet de tijd of de middelen om hun werk goed te doen. In elk geval is de manier waarop deze sector wordt gerund niet de best mogelijke manier.
In uw film vertelt een werknemer van een kerncentrale dat het allemaal veel erger is geworden sinds Suez de kerncentrales runt. “We evolueren van een nulrisico naar een berekend risico,” zegt hij onomwonden.
Alain de Halleux: Wat mij het meest verbaast is dat de politiek niet ingrijpt. Los van alles wat je denkt of weet over kernenergie is het zoals met elke techniek: je kan het op een goede of een slechte manier gebruiken. Maar kernenergie botst met de economische logica. Als GDF/Suez, de groep achter Electrabel, zou besluiten Doel 1 of Tihange 1 stil te leggen omdat het gevaarlijke reactoren zijn, wordt het bedrijf afgestraft door de aandeelhouders en zou het geld verliezen. Suez kan zulke beslissingen niet nemen en is dus verplicht zijn operaties voort te zetten en iedereen ervan te overtuigen dat alles prima gaat. Kernenergie kan niet veilig functioneren in een concurrentieel economisch systeem.
Zou u meer vertrouwen hebben in kerncentrales die niet door een commercieel bedrijf maar door een overheidsdienst worden uitgebaat?
Alain de Halleux: Ik denk dat het risico in dat laatste geval zou afnemen. Zo zou je ook een echt politiek debat kunnen voeren over welke energie we voor onze kinderen willen. We zouden opnieuw van de veiligheid de eerste prioriteit kunnen maken. Als een reactor te oud is, zouden we makkelijker kunnen beslissen om hem stil te leggen in het kader van het algemeen belang. Nu is het zo dat onze centrales in handen zijn van de Fransen, die niet de minste langetermijnvisie hebben op energie. Als de centrales eigendom waren van de overheid, zouden we de winsten kunnen gebruiken om te investeren in hernieuwbare energie en om de mensen die in de centrales werken beter te betalen.
Maar tot nader order vloeien de grote winsten van oude kerncentrales naar Electrabel, zegt de CREG.
Alain de Halleux: Men zegt altijd maar “C’est le nucléaire ou la chandelle” [kernenergie of kaarsen, red]. Mijn standpunt is: als we vandaag niet van kernenergie afstappen, zullen onze kinderen het inderdaad met kaarsen moeten doen. Waar liggen de plannen die bewijzen dat Doel 1 nooit het estuarium van de Schelde zal vervuilen, of Tihange 1 de Maas? Ik wil ze zien! Ik ben kwaad dat geen enkele politicus zich daarmee bezig houdt.
Hoe staat u tegenover het argument dat kernenergie een wapen kan zijn tegen klimaatsverandering?
Alain de Halleux: De kernlobby verwijt haar tegenstanders dat ze Fukushima emotioneel uitbuiten, maar zij hebben uiteraard geen emotioneel misbruik gemaakt van de angst voor de klimaatsverandering. (lacht) Bovendien klopt hun argument niet. Kernenergie levert wereldwijd ongeveer 15% van de energie en is dus te klein om iets te betekenen op het gebied van klimaatsverandering.
Kunnen we in Fukushima lessen trekken over wat er in Tsjernobyl is gebeurd?
Alain de Halleux: Ik heb al her en der horen beweren dat men in Fukushima dezelfde oplossing zou overwegen als in Tsjernobyl, en dat baart me zorgen. Want de oplossingen van Tsjernobyl zijn niet toepasbaar in Fukushima. De sarcofaag in Tsjernobyl is door duizenden mensen gebouwd op hoog-radioactief materiaal, en dat is allemaal nogal slordig en snel gebeurd. Zo’n sarcofaag zou nooit een zware aardbeving doorstaan. In Fukushima moet je vier reactoren onder handen nemen, vier sarcofagen die aan aardbevingen van negen op de schaal van Richter moeten weerstaan. Dat is onmogelijk.
Wat kan er dan wel worden gedaan?
Alain de Halleux: Een andere oplossing is de brandstof weg te halen, maar dat is onhaalbaar. Zodra je die uit het water haalt, geraakt iedereen er rond radio-actief besmet. De splijtstofstaven zijn beschadigd, er ligt overal afval… Ik ben geen ingenieur, maar ik kan me geen langetermijnoplossing voor Fukushima voorstellen. Helaas hoor ik ook van experten geen visie voor de toekomst. Ik vermoed dus dat Fukushima gewoon jarenlang op het gemakje zijn radio-activiteit in de atmosfeer zal blijven verspreiden. Dat we te horen zullen krijgen dat de hoeveelheid cesium in de lucht de afgelopen zomer is verdubbeld, zoals we ook berichten horen over het fijn stof in Brussel. We zullen er wel gewoon aan worden. Verschrikkelijk toch?

 

‘Vertrouwen in technologie, niet in politiek’

Met Fred Pearce komt een van Groot-Brittaniës meest gereputeerde wetenschapsjournalisten naar Het Groene Boek. Wij belden hem in zijn thuisbasis Londen.

Fred Pearce werkt voor New Scientist en schrijft regelmatig over milieu in The Guardian. Londenaar Pearce publiceerde de laatste jaren een aantal zeer interessante boeken over klimaatsverandering, milieu en overbevolking. In De laatste generatie. Hoe de natuur wraak neemt voor het broeikaseffect gaat hij één voor één de factoren na die erop wijzen dat het klimaat aan het veranderen is. In Volksbeving. Van babyboom naar bevolkingscrash legt hij uit dat de vrees voor overbevolking ons misleidt. Overconsumptie is volgens Pearce een veel groter probleem dan overbevolking. De bevolkingsgroei begint trouwens af te nemen. Fred Pearce drukt in Volksbeving de hoop uit dat onze steeds grijzere wereld, met meer senioren dan ooit tevoren, ook een groenere wereld mag worden. Hoog tijd voor een gesprek.

 

Uw boek De laatste generatie (The Last Generation, 2006) lijstte een hele resem zorgwekkende ontwikkelingen op die erop wijzen dat het klimaat van slag is. Werden die trends de afgelopen vijf jaar bevestigd?

Fred Pearce: Het boek ging uit van een worst case scenario, mochten de ergste veronderstellingen van klimaatwetenschappers werkelijkheid blijken te worden. Een aantal trends wijzen verontrustend genoeg nog altijd in dezelfde richting. Het snelle verdwijnen van het Arctische zee-ijs sinds 2007 is daar een van. Over het uiteenbreken van de Groenlandse ijskap zijn er tegenstrijdige berichten: bepaalde fysieke beperkingen verhinderen dat vooralsnog. Er bestaan nu nog meer bewijzen dan in 2006 over het opborrelen van methaangas uit de Siberische permafrost en de oceaanbodem in het noordpoolgebied. De voorspellingen over het stijgen van het zeeniveau zijn ondertussen naar boven bijgesteld. Het IPCC (Intergovernemental Panel on Climate Change) had het in 2007 over 30 tot 50 cm in de komende eeuw, sommig onderzoekers verwachten nu al 1 m in de komende eeuw. Er komen steeds meer schrikbarende scenario’s bij.

Een verschil met vijf jaar geleden is dat nu meer algemeen wordt aanvaard dat er een mede door de mens veroorzaakte klimaatsverandering aan de gang is.

Fred Pearce: We weten al vele jaren dat we broeikasgassen in de atmosfeer sturen, dat die de warmte vasthouden, en dat de aarde de laatste veertig jaar is opgewarmd. We weten dat er geen aannemelijke externe bronnen zijn die dat zouden kunnen veroorzaken. Er zal altijd een zeker mate van onzekerheid zijn over de precieze effecten ervan en wanneer en of de tipping points, de omslagpunten, zullen plaatsvinden. Dat blijft het moeilijkst te voorspellen. Ik blijf bij wat ik schreef in dat boek: ‘We weten minder dan we denken,’ maar dat geeft klimaatsceptici nog niet het recht om te twijfelen aan klimaatsverandering. Ik vind eerder dat we ons méér zorgen zouden moeten maken. Je kan altijd nog discussiëren over de mate waarin de menselijke activiteiten het klimaat veranderen en de mate van natuurlijke schommelingen, maar niemand zegt dat er geen natuurlijke schommelingen zijn.

Wat vindt u van de manier waarop overheden reageren op de klimaatsverandering?

Fred Pearce: Momenteel is het absoluut onvoldoende. Het hangt er nu vooral van af wat we gaan doen in de toekomst. Als de regeringsleiders het niet eens worden over de aanpak na het aflopen van het Kyoto-protocol eind 2012, dan zitten we zwaar in de problemen. Je kan niet beweren dat we uitgaanvan het voorzichtigheidsprincipe: de manier waarop wij met het milieu omgaan, is pure waaghalzerij. We spelen met een systeem dat we niet volledig begrijpen. Met onze koolstofuitstoot zetten we processen in gang die de natuur in het verleden heeft gebruikt om ijstijden te doen beginnen en eindigen. Dat er gevolgen zullen zijn, is zeker, alleen de omvang ervan blijft onzeker.

Het IPCC publiceerde onlangs een rapport over 77% hernieuwbare energie tegen 2050. Een realistisch scenario?

Fred Pearce: Dat is het meest optimistische scenario, waarin we veel minder energie gebruiken door toegenomen energie-efficiëntie. Het IPCC heeft ook een worst case scenario, waarin we zo’n 60% meer energie gebruiken en slechts 15% uit hernieuwbare bronnen halen. Er bestaan allerlei manieren om op koolstofloze wijze energie te genereren: kernenergie, als je die weg op wil tenminste, en koolstofopvang en –opslag, maar dat is nog geen beproefde technologie. Het ziet er dus naar uit dat we het met hernieuwbare bronnen zullen moeten doen. Met 77% hernieuwbare energie zouden we volgens het IPCC de concentratie CO2 in de lucht onder de 450 ppm (parts per million) kunnen houden, het niveau dat ons volgens veel wetenschappers de kans geeft om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2° C extra. Er is haast bij als we die 77% willen halen, en in de targets voor 2020 is daar niets van te merken. De technologie bestaat, dat is het probleem niet. Maar we zijn nu al bijna twintig jaar na de Conferentie van Rio (1992), waarop de wereld het eens was dat we gevaarlijke klimaatsverandering zouden tegengaan. Veel is er nog niet gebeurd.

Denkt u dat overheden de transitie naar een groene economie moeten in gang zetten, of eerder bedrijven of burgers?

Fred Pearce: ‘Liefst allemaal natuurlijk, maar laten we het praktisch bekijken. Overheden zijn nogal zwak, zij doen alleen wat ze denken dat hun kiezers echt willen en waar bedrijven echt voor lobbyen. Ik denk dat we als consument even machtig zijn dan als kiezer en dat we verwachtingen koesteren over de vergroening van bedrijven en het verminderen van hun uitstoot. Bedrijven zijn zich daarvan bewust. Als consumenten kunnen we bedrijven onder druk zetten. Vervolgens zullen zij ijveren voor strenge wetten, zodat ze allemaal even veel moeite moeten doen. De overheden gaan de wetten niet veranderen tenzij ze er echt toe aangezet worden door burgers en bedrijven. En als je als consument écht verandering wil, moet je ook groene producten kopen en groen stemmen.

Theoretisch weten we allemaal wat we moeten doen: minder of geen vlees eten, de auto laten staan, minder of niet vliegen. Maar voor veel mensen zijn dat net de dingen waar ze van genieten.

Fred Pearce: Dat klopt, maar het is niet allemaal slecht nieuws. We zijn met veel op de planeet, we moeten onze consumptiepatronen bijstellen, maar we moeten ook de technologie aanpassen waarmee we energie opwekken en transport aandrijven. We moeten minder energie gebruiken en veel minder fossiele brandstof, maar met de juiste technologische keuzes kunnen we een betere levensstijl hebben zonder de planeet te verwoesten. In de rijke wereld gebruiken we meer grondstoffen dan waar we recht op hebben, in verhouding tot wat mensen in de arme wereld hebben. Dat moeten we erkennen. Dat we onze levensstijl kunnen veranderen, hebben we al bewezen. Niemand rookt nog op restaurant, wie had dat tien jaar geleden gedacht? Waarschijnlijk vinden we over twintig jaar het idee van een voertuig op fossiele brandstof in een stad even vies als roken in een restaurant nu. We moeten dan wel de elektriciteit voor de voertuigen CO2-arm opwekken, anders zijn we nog slechter af.

Iets waar mensen zich zorgen over maken is wat er gebeurt met de wereld als een miljard Chinezen en Indiërs een Amerikaans consumptiepatroon aannemen. Wat denkt u?

Fred Pearce: De wereld kan geen miljard mensen aan die leven als Amerikanen. Het klopt dat landen als China Amerikaanse consumptiepatronen en technologieën beginnen aan te nemen. De Westerse levensstijl is hun ideaal. Wat me het meest waarschijnlijk lijkt, is dat ze ons in alles zullen volgen. Wij die al zoveel van de grondstoffen van deze wereld hebben uitgeput moeten onze levensstijl aanpassen en het voorbeeld vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Wij moeten veranderen, de Chinezen zullen volgen. En ze zijn in sommige opzichten al verder, want China is de grootste producent van windturbines en zonnepanelen. Maar wij in het Westen moeten het voortouw nemen op het gebied van levensstijl.

Twintig jaar geleden was u erbij in Rio de Janeiro. Als u ziet hoe weinig er is gebeurd sindsdien, bent u dan pessimistisch gestemd?

Fred Pearce: Ik blijf ietwat optimistisch. Het is natuurlijk teleurstellend hoe weinig er al gedaan is, maar je kan het ook andersom bekijken. Misschien namen we het allemaal minder serieus in 1992 en nu al een stuk meer. De technologie heeft belangrijke stappen vooruit gezet de laatste twee decennia. Het schort hem nog aan de toepassing ervan. We kunnen veel dingen veel goedkoper doen dan twintig jaar geleden. Ik ben optimistisch over het feit dat we oplossingen hebben die technologisch en economisch haalbaar zijn. Waar ik pessimistisch over ben, is de implementatie ervan. Ken je het boek Collapse: How Societies Choose to Fail or Succeed van Jared Diamond? Hij heeft het over hoe beschavingen ineenstortten, niet omdat ze de problemen waarmee ze geconfronteerd werden niet begrepen, maar omdat hen de wil ontbrak om er iets aan te doen. Ze misten het vermogen om de maatregelen te treffen die nodig waren om te overleven. Ze liepen slaapwandelend richting ramp. Zouden we ons nu als wereldbeschaving in die positie bevinden? Zal de wereldpolitiek sterk genoeg staan om de noodzakelijke oplossingen toe te passen? Technologisch staan we heel sterk, maar kunnen we ons zo organiseren dat we de job ook gedaan krijgen, dat is de grote vraag. En daar heb ik geen antwoord op. In de grond ben ik optimistisch over de technologie en pessimistisch over de politiek.

 

De boeken van Fred Pearce zijn verschenen bij Uitgeverij Jan Van Arkel en worden in ons land verdeeld door EPO.

Verschenen op Argus Actueel.

Wat goed is voor het klimaat, is goed voor de economie

De Europese economie aanzwengelen door de klimaatdoelstellingen aan te scherpen: dat is wat we moeten doen volgens een recent rapport van het Duitse ministerie voor Leefmilieu. Ook Vlaanderen lijkt bereid verder te gaan dan de geplande emissiereductie met 15% tegen 2020.

Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege is voorstander van een emissiereductie met 30% voor alle industrielanden. Minister Schauvliege zit daarmee op één lijn met haar collega-ministers uit Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittanië en met een onlangs gepubliceerd rapport, A New Growth Path For Europe. Generating Prosperity and Jobs in the Low Carbon Economy, een gezamenlijk werkstuk van het Potsdam Institute for Climate Impact en de universiteiten van Oxford, Athene en Parijs. Alleen is het nog even wachten in hoeverre de enthousiaste pleidooien in Europese en nationale doelstellingen worden gegoten.

Niet alleen vanuit milieu-oogpunt, maar ook vanuit economisch standpunt zijn er tal van redenen om dat te doen. Als de EU-economie verder wil groeien na de crisis, kan dat door de target van de emissiereductie die nu op 20% staat tegen 2020 te verhogen naar 30%, stelt het Growth Path-rapport. Het verhogen van de emissiedaling tot -30% leidt tegen 2020 tot de volgende effecten:

  • een toename van de groei van de Europese economie met 0,6;
  • 6 miljoen nieuwe, bijkomende jobs in heel Europa;
  • een stijging van de investeringen in Europa van 18 naar 22% van het BBP;
  • een stijging van het Europese BBP met 842 miljard dollar;
  • een stijging van het BBP met 6% in de oude en nieuwe deelstaten van de EU.

Het in de praktijk brengen van deze ambitieuzere milieudoelstelling leidt tot een groei in alle sectoren – landbouw, energie, diensten, industrie, bouw – met de grootste stijging in de bouwnijverheid, dankzij de vele aanpassingen om gebouwen energiezuiniger te maken. De uitstootreductie wordt gerealiseerd door de toegenomen energie-efficiëntie enerzijds en door de omschakeling van steenkool naar henieuwbare energiebronnen en gas. De sleutel tot de heropleving is een substantiële toename van investeringen.

Om de voorgestelde strategie van groene groei (of CO2-arme groei) te laten slagen, zijn een aantal maatregelen nodig, zoals het verstrengen van bouwvoorschriften, de standaardisering van smart grids en het ontwikkelen van leernetwerken tussen ondernemingen. Indien aan alle voorwaarden voldaan wordt, voorspelt het rapport de volgende economische groeicijfers voor België, inclusief een bijkomende daling van de werkloosheid met 2,5%.

Emissiereductie 20% Emissiereductie 30% Verschil 20% – 30%
BBP 449 miljard euro 476 miljard euro + 27 miljard euro
Werkloosheid 7,8% 5,3% – 2,5%
Investeringsniveau 101,1 miljard euro 127,7 miljard euro + 26,6 miljard euro

De groene wereldorde
Dat economie en milieu steeds meer aan elkaar gelinkt worden, is een interessante evolutie. ‘Make no mistake‘, zei Deutsche Bank-CEO Josef Ackermann op de Global Metro Summit in Chicago, op 8 december 2010. ‘Er zit een nieuwe wereldorde aan te komen. De race om de nieuwe leider is al begonnen. De beloning voor de winnaars is duidelijk: innoveren en investeren in schone energietechnologie stimuleert groene groei, creëert jobs en bevordert energie-onafhankelijkheid en veiligheid.’

Afgelopen zomer spraken de Duitse, Britse en Franse milieuministers zich uit voor een Europese CO2-reductie met 30%. Drie vaststellingen hebben hen tot die stap gebracht. Ten eerste zijn de emissies ten gevolge van de crisis al met 11% teruggevallen. Daardoor is de kost om de 20%-doelstelling te halen, teruggevallen van 70 naar 48 miljard euro. ‘De lat op 30% leggen kost naar schatting maar 11 miljard euro extra in vergelijking met de oorspronkelijk voorziene kost om een emissiebeperking van 20% te bereiken’, schrijven de verenigde milieuministers, die daarbij aanstippen dat die bijkomende kost minder dan 0,1% van de EU-economie vertegenwoordigt. Een derde argument is de stijgende olieprijs, die trager overschakelen naar hernieuwbare energie steeds duurder maakt.

Ook de Vlaamse milieuminister Joke Schauvliege (CD&V) sluit zich bij dit pleidooi voor -30% aan, weliswaar onder voorwaarden. ‘Vlaanderen is voorstander dat de EU tegen 2020 zijn emissies van broeikasgassen met 30% reduceert ten opzichte van de niveaus van 1990,’ luidt het. Maar dit kan alleen ‘op voorwaarde dat de andere ontwikkelde landen (VS, Japan, Rusland…) zich tot vergelijkbare emissiereducties verbinden en dat de meer ontwikkelde ontwikkelingslanden (China, India, Brazilië…) een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheden en capaciteiten.’

25% tegen 2020
Dat de VS en Rusland in een dergelijk scenario zouden meestappen, lijkt onwaarschijnlijk. Wat wel haalbaar lijkt, is een emissiereductie met 25% tegen 2020 op Europees niveau. Brigitte Borgmans, persdadviseur van minister Schauvliege, stelt: ‘De Europese Commissie heeft recent een roadmap voorgesteld voor een veilige en duurzame koolstofarme economie in 2050. In dat rapport wordt een unilaterale Europese doelstelling voorgesteld van – 25% tegen 2020. Er worden ook sectorale targets voorgesteld.’

‘Er zijn in Vlaanderen al belangrijke concrete inspanningen gedaan door bedrijven en particulieren,’ stelt Brigitte Borgmans. ‘Momenteel bereidt minister Schauvliege een nieuw Klimaatbeleidsplan voor de periode 2013-2020 voor. Zoals in het huidig Vlaams Klimaatbeleidsplan zullen ook in het nieuwe plan concrete maatregelen staan om in verschillende sectoren (transport, gebouwen, landbouw, kleinere bedrijven) de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen verder te verminderen. Met haar Europees pleidooi voor duurzaam materialenbeheer heeft de minister een extra impuls gegeven aan de ontwikkeling van een duurzame, op cradle to cradle-principes gestoelde economie.’

Met hoeveel de emissies in Vlaanderen precies zullen worden verminderd in de komende periode, staat nog niet vast. ‘Er is een verschil tussen de totale emissiereductie op Europees niveau en de inspanningen die elk land afzonderlijk moet doen’, legt Brigitte Borgmans uit. ‘Wat dat betreft, bekijken wij in Belgisch verband tot welke inspanningen elke deelstaat zich zal engageren. Voor het einde van dit jaar zou alles op punt moeten staan.’

-7,7 % in 2009
Hoe staat het ondertussen met de realisatie van de doelstellingen van Vlaanderen? Het kabinet Leefmilieu stuurde op woensdag 23 maart een enthousiast persbericht rond, waarin het evenwel toegaf dat de gerealiseerde reductie van -7,7% (in vergelijking met 1990) gedeeltelijk een gevolg is van de economische crisis en waaruit ook blijkt dat er nog heel wat werk aan de winkel is.

Nader toezien leert dat er een stevige daling van de CO2-uitstoot valt waar te nemen in de industrie, de landbouw en de elektriciteitsproductie. De CO2-uitstoot nam in die negentien jaar echter toe voor de sectoren transport en gebouwen. Wat gebouwen betreft, is het de hoogste tijd om werk te maken van nog strengere (ver)bouwnormen en nog meer isolatie. Dubbel glas, geïsoleerde daken en efficiënte stookinstallaties moeten de norm worden in Vlaanderen, met speciale initiatieven voor de lagere inkomens. Op het gebied van transport lijkt het logisch om nog veel sterker in te zetten op openbaar vervoer, en waar mogelijk over te schakelen op trein- en binnenvaarttransport voor goederenverkeer.

Aandeel van de diverse sectoren in de broeikasgasuitstoot in 1990 en 2009
(Bron: Kabinet Leefmilieu Vlaanderen):

Sector 1990
(kton CO2-eq)
2009
(kton CO2-eq)
Elektriciteitsproductie 13.824 11.752
Industrie 36.170 29.026
Gebouwen 14.168 16.622
Transport 12.451 15.579
Landbouw 10.372 7.242
Totaal 86.986 80.220

 

Verschenen in Argus Actueel, 25/3/2011