Alle huizen energieneutraal

Prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit Rotterdam), de peetvader van het transitiemanagement, koestert plannen om alle Nederlandse huizen energieneutraal te maken zonder hulp van de overheid of de banken.

Dezer dagen zet Jan Rotmans zijn schouders onder een initiatief dat de Nederlandse huizen energieneutraal wil maken, gefinancierd door crowdfunding. Vijftien jaar geleden lag hij aan de basis van het transitiedenken. Zevenentwintig jaar geleden waarschuwde de nu 51-jarige wetenschapper voor de gevolgen van de klimaatverandering. Wat ons brengt bij de eerste vraag.

Hoe voelt het om gelijk te krijgen?
Jan Rotmans: “Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant is het verschil met vijfentwintig jaar geleden heel groot. Er is al heel veel goeds gebeurd. Er zijn veel meer mensen met milieu en klimaat bezig dan toen. Tegelijk worden we ingehaald door de werkelijkheid. Eigenlijk is het nog erger gesteld dan we destijds konden vermoeden. De klimaatverandering verloopt sneller dan we ze kunnen bijbenen.”

Wordt u daar moedeloos van?
Jan Rotmans: “Moedeloos of cynisch word ik daar niet van, dat ligt niet in mijn aard. Om met passie mijn boodschap te kunnen brengen, moet je intrinsiek positief ingesteld zijn. Ik stel vast dat de hele samenleving aan het verduurzamen is, maar ik besef dat dat een langzaam proces is. Het kost decennia, maar als je er middenin zit, lijkt het veel sneller te gaan dan als je er vanop een afstand naar kijkt.”

Het blijft moeilijk om mensen in het Westen te bewegen tot milieubewuster leven, terwijl ze weten dat voor elke duurzame mens bij ons er een nieuwe middenklasser in het Oosten opstaat, die ook een auto, een koelkast en een jaarlijkse vliegreis wil.
Jan Rotmans: “Dat is ons grote schrikbeeld, maar ook dat heeft twee kanten. Wereldwijd ontstaat er een nieuwe, groene economie, een circulaire bio-economie zonder CO2-uitstoot. Ook in de ontwikkelingslanden wordt daarin al geïnvesteerd. Tegelijk willen die landen dezelfde welvaartsontwikkeling als wij en daar hebben ze natuurlijk ook recht op. We kunnen ze dat niet ontzeggen.”

Wat betekent dat in de praktijk?
Jan Rotmans: “In China en India zie je zowel de fossiele, zwarte economie als de groene economie aan het werk. De zwarte economie zorgt ervoor dat de huidige generaties zich kunnen ontwikkelen. De groene economie zorgt ervoor dat ook de komende generaties dat voor mekaar krijgen. Eerder dit jaar was ik in China, waar ze binnen tien jaar nog één miljard auto’s verwachten. Je rijdt er over lege autosnelwegen, de hele infrastructuur ligt er al klaar. Toch is de vooruitgang daar niet te vergelijken met de evolutie die wij sinds de jaren vijftig hebben doorgemaakt, want China is nu al bezig met elektrische auto’s. Hopelijk kunnen ze een aantal stappen overslaan en tien keer sneller tot elektrische auto’s komen.”

Wat kunnen de Belgen op het gebied van duurzaam wonen en bouwen leren van Nederland?
Jan Rotmans: “In Nederland gaat ongeveer 35% van het totale energieverbruik naar gebouwen en dat zal in België wellicht niet heel anders zijn. Het is de moeite om dat aan te pakken. Technisch is het mogelijk om woningen energieneutraal te maken met behulp van isolatie, zonneboilers en zonnepanelen. De vraag is hoe we het georganiseerd krijgen. In Nederland volgen we daarvoor twee wegen. Van de 9 miljoen woningen is ongeveer 2,5 miljoen in handen van coöperaties en 6,5 miljoen zijn particulier eigendom. In de coöperaties wonen vaak armere mensen in heel energieverspillende woningen. Als je die huizen energieneutraal kunt maken, heb je twee keer winst: je helpt het milieu en je vermijdt energie-armoede.”

Hoe maakt u het voor huiseigenaars mogelijk om hun woning energieneutraal te maken?
Jan Rotmans: “We zijn bezig met een initiatief om woningen energieneutraal te maken, een initiatief dat we volgend jaar willen lanceren. Wij zorgen ervoor dat je huis energieneutraal wordt, door het huis te isoleren en te investeren in de opwekking van hernieuwbare energie. De kosten die dat allemaal met zich meebrengt, betaal je in tien jaar terug. Het is best wel een simpele rekensom. De noodzakelijke investeringen trachten we te financieren met crowdfunding, al zijn we ook in gesprek met financiële instellingen. Ik kan me echter voorstellen dat we het helemaal zonder banken kunnen redden en trouwens ook zonder overheidsinmenging. Met alle respect voor de goede bedoelingen van de overheid, maar het gaat toch altijd traag als zij zich ermee moeit. Het is trouwens een initiatief dat ook in andere landen perfect toepasbaar is, we hopen heel wat navolging te krijgen.”

Verschenen in Argus Actueel, 14/12/12

‘Vereenvoudigen maakt de dingen moeilijker’

Plan C, het Vlaams Transitienetwerk voor Duurzaam Materialenbeheer, organiseert op 29 november een netwerkdag. Een vooruitblik met keynote speaker Hans Vermaak over hoe transitie in zijn werk gaat en wat de mogelijke valkuilen zijn.

De afgelopen zes jaar is Plan C uitgegroeid van een informeel transitienetwerk rond duurzaam materialenbeheer tot een zelfstandige vzw. De organisatie die verandering hoog in het vaandel draagt, is daarmee zelf ook grondig verveld tot een nieuwe gedaante. Het is tijd om stil te staan en vooruit te blikken. Dat gebeurt tijdens een netwerkdag op 29 november a.s.

ARGUS sprak met auteur, docent, onderzoeker en ‘veranderkundige’ Hans Vermaak, die op die dag de interactieve keynote speech voor zijn rekening zal nemen. Vermaaks roots liggen in de milieubeweging, maar in de loop der jaren zette hij zijn kennis en expertise rond veranderen ook in voor onder meer ontwikkelingssamenwerking, de zorgsector en de bedrijfswereld.

Als we willen trachten de klimaatcrisis en de grondstoffenschaarste tegen te gaan, staat de wereld voor ingrijpende veranderingen. Hoe kijkt u daar als veranderkundige tegenaan?
Hans Vermaak: 
“Algemeen kan je stellen dat hoe groter de diepgang van een verandering is, de planbaarheid en de maakbaarheid verhoudingsgewijs steeds kleiner worden. Bovendien staat de diepgang van deze verandering op gespannen voet met de omvang van de verandering. Bij een grootschalig probleem hebben we de neiging om een standaardaanpak over de hele situatie uit te rollen. Maar dat volstaat in dit geval volstrekt niet, omdat je eerst allerlei dingen moet uitpuzzelen en ontdekken. Uitpuzzelen gebeurt per definitie in het klein: experimenteren vindt altijd plaats op mensenmaat. Vernieuwing is bovendien altijd controversieel, tegen de regels. Het establishment heeft het er altijd moeilijk mee. Vernieuwing geschiedt steeds onder vijandige condities.”

Verandering roept altijd weerstand op. Hier hebben we het over een andere manier van leven, werken, ondernemen, produceren, consumeren en transporteren.
Hans Vermaak: “Het lastige met ‘weerstand’ is dat het een containerterm is. Soms wordt het woord gebruikt omdat mensen iets niet begrijpen. Dat is bij het milieuvraagstuk echt niet het probleem: iedereen weet onderhand best wel wat er aan de hand is. Nog meer communicatie om mensen aan te sporen om het goede te doen, zal echt niet helpen. Weerstand kan ook te maken hebben met onmacht: iedereen wil misschien wel het goede doen, maar niemand krijgt het in zijn eentje voor elkaar. Dat is nu net de essentie van de problematiek en daar is ook iets op te vinden. Maar dan niet op de klassieke manier. Complexe veranderingen zijn multi-actor en multi-factor. Het milieuvraagstuk is een vraagstuk van iedereen en niemand. De beste weg uit zo’n problematiek kennen we allemaal. We maken het elke dag in relaties thuis mee. Niemand gaat in zijn eentje over relaties. Die zijn ook niet maakbaar, uitrolbaar of planbaar, maar wel onderhandelbaar en experimenteerbaar. We kunnen er bovendien lessen uit trekken. Het is zelfs het meest interessante wat er bestaat. Een gezin beginnen is vragen om problemen en toch beginnen veel mensen er aan. Het voordeel van het milieuvraagstuk is dat het tot de verbeelding spreekt. Het gaat ergens over – in tegenstelling tot de afhandeling van de financiële crisis. Voor het milieuvraagstuk kan je van onderaf, met participatie van velen, op de lange termijn iets voor mekaar krijgen: via transitiemanagement.”

Transitiedenken tracht via een sterke betrokkenheid van mensen een verandering in de maatschappij te bewerkstelligen, door samen te zitten, toekomstvisies uit te stippelen, te experimenteren met nieuwe manieren van produceren en consumeren.
Hans Vermaak: “Inderdaad. Er is een vast rijtje eigenschappen die alle vormen van transitie gemeen hebben: het gaat over alle instellingen en partijen heen. Mensen werken samen met andere mensen die heel verschillend denken en die verschillen heb je nodig. Het experiment is de motor en daaruit wordt kennis gepuurd, het is dus een lerend-experimenterend model. De experimenten op zich zijn kleinschalig, maar je maakt omvang door ze op steeds meer plekken te laten gebeuren. Er is ook altijd sprake van eigenaarschap bij direct betrokkenen en facilitering vanuit een soort kernclub om die betrokkenen in hun kracht te brengen. Ook een politieke verankering is essentieel: als je die niet hebt, kan dat je proces breken, maar politieke verankering kan het proces niet maken. Politiek is in dit opzicht breder dan politieke partijen of stromingen: het gaat om vertegenwoordiging van en rugdekking door allerlei belangengroepen, waaronder politieke partijen, de industrie en zo voorts. Maar ongeacht die rugdekking moet de verandering onverkort van onderaf komen. Pas later kan je van boven de volgers een duw in de rug geven. Want zonder de mogelijkheid om dan bepaalde praktijken of wetten aan te passen, is het erg moeilijk om verandering door te zetten.”

Verandering geschiedt nooit onder ideale condities, zegt u. De verandering naar een duurzame samenleving is breed en complex. Hoe slaag je erin om ervoor te zorgen dat mensen toch Plezier beleven aan taaie vraagstukken, om de titel van uw laatste boek te gebruiken?
Hans Vermaak:
 “De taaiheid ontstaat nooit door het vraagstuk zelf, maar door het verkeerd omgaan ermee. Iets wordt pas taai als je het te simpel aanpakt. Vereenvoudigen maakt het moeilijker. Het is net zoals het opvoeden van kinderen. Je kan je tweede kind niet opvoeden door de opvoeding van het eerste te copy-pasten. Hetzelfde geldt voor milieuvraagstukken. We moeten ons hoeden voor de neiging om het te simpel aan te pakken.”

Dreigt complexiteit mensen niet af te schrikken of tot fatalisme aan te zetten? Hoe houd je voldoende mensen betrokken bij de problematiek?
Hans Vermaak: 
“Er zijn verschillende kringen van betrokkenheid. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier betrokken te zijn. Op zich is het uitstekend dat mensen afhaken: niet iedereen wordt warm van hetzelfde vraagstuk. Maar als je er warm van wordt, dan heb je er ook de finesse en aandacht voor over. Als we die mensen hun werk laten doen, boeken ze successsen en die werken aanstekelijk. Ze zullen daarmee uiteindelijk wel genoeg volgers kweken om in hun sporen te treden. Je hebt verschillende kringen en arena’s nodig en die zijn niet allemaal gebaat bij veel belangstelling. Het werk van de experimenteerders wordt daar alleen maar moeilijker door. Na de arena van de experimenteerders komt de arena van de onderzoekers, vakidioten die lessen trekken uit de experimenten en hun inzichten omzetten in taal. Zij communiceren naar het bredere netwerk, waar dan op zijn beurt mensen kansen zien en contacten leggen. Daaruit ontstaan dan weer nieuwe experimenten die opgezet worden onder het maaiveld. Zo zie je drie arena’s elkaar versterken: die van het experiment, van het onderzoek en van het netwerk.”

Een bijkomend probleem in verband met milieu en klimaat is de urgentie: de theoretisch nog af te wenden dreiging van een temperatuurstijging met meer dan 2° C.
Hans Vermaak: “Urgentie heeft de neiging om de roep naar magische oplossingen te vergroten – en dat zijn nu net de meest teleurstellende. Toen ik me dertig jaar geleden intensief met de milieuproblematiek bezighield, vond ik het ook al enorm urgent. Ik kon me niet voorstellen dat het kwartje niet viel: het was vijf voor twaalf en de grote bedrijven wilden er niets mee te maken hebben. Kijk: het vraagt toch de tijd die het vraagt om de experimenten tot een goed einde te brengen. Een deel van de schade zullen we gewoon moeten dragen.”

Ik kom nog even terug op uw idee over weerstand. Volgens mij is er nog altijd erg veel weerstand tegen het vooruitzicht om minder vlees te eten of de auto minder te gebruiken.
Hans Vermaak: “Ik blijf erbij dat dat niet het grootste probleem is. Onze culinaire traditie is voor een belangrijk deel gebaseerd op vlees eten. Je stampt een nieuwe culinaire traditie niet in een paar maanden of jaren uit de grond. Dertig jaar geleden ben ik ook een jaar of twee vegetariër geweest en dat was geen genieten. Tegenwoordig is er veel meer keuze dan de soja en boekweit van toen. Sterrenrestaurants bieden volwaardige vegetarische menu’s aan. Mensen vinden het niet gek om af en toe eens vlees te laten. Duurzame kweek van vis zit in de lift. Op een gegeven moment kom je aan twintig procent biologisch en duurzaam geteeld vegetarisch voedsel en een gegroeide aantrekkelijkheid van gezond eten. Pas dan kan je de rest van de vraag en het aanbod een duw geven. Dan verandert wetgeving, komen er financiële prikkels en geeft de politiek rugdekking. Maar dat kan pas als de moeilijke dingen als een nieuwe culinaire traditie, andere grondstofstromen en de duurzame kweek van producten een feit zijn. De achterblijvers meekrijgen, dat is heus zo moeilijk niet: in vergelijking bijna een kwestie van een pennenstreek. Het voortraject met de innovatie, dat is het moeilijke. En dat moet toch eerst. Je komt er niet door te beginnen met dwang van boven: dat is politieke zelfmoord.”

Ondertussen hebben ook heel wat kleine en grote bedrijven duurzaam ondernemen diep in hun werking laten doordringen. Wat denkt u daarvan?
Hans Vermaak: 
“Vanuit mijn vak blijf ik kritisch kijken naar instituties: die hollen altijd achter de feiten aan. Er gebeuren wel goede dingen, maar het is altijd de achterhoede. De voorhoede, dat zijn individuen binnen instituties die iets doen dat eigenlijk niet mag. Dat zal altijd zo blijven en daar is niets mis mee.”

Wat zijn de grote valkuilen waarvoor Plan C in de komende periode moet uitkijken?
Hans Vermaak: 
“Een van de spannende dingen van transitie is metaalmoeheid. Voor je het weet, ben je een tijdje bezig en is het vuur van de eerste periode gedoofd. Voor je het weet ben je een instituut en gaat dat een eigen leven leiden. Soms moet je het institutionele loslaten, met nieuwe mensen beginnen en en een nieuwe naam bedenken. Daarnaast is de achilleshiel bij transitiemanagement vaak niet het experimenteren of het netwerk, maar de vakgemeenschap die de lessen en concepten genereert. Die heb je nodig om het generiek te maken, om het te kunnen spreiden. Die kundigen moeten een onderzoekershart hebben. Voorts moet je er altijd voor waken om niet steeds in dezelfde groef te belanden, maar om trouw te blijven aan het lerende karakter van elke echte transitie: een vorm van onderzoek-in-actie. Het populariseren daarvan blijft een belangrijk aspect, maar niet het belangrijkste.”

Verschenen in Argus Actueel, 31/10/12

Van materiaalschaarste naar duurzaam materialenbeheer

Vlaanderen is koploper in duurzaam materialenbeheer en wil dat in de toekomst ook blijven. Een nieuw partnerschap tussen de academische wereld, de industrie en de overheid moet daar voor zorgen.

 

Europa is het continent met de minste eigen grondstoffen en energievoorraden. Onze regio is in vergelijking met andere continenten extreem afhankelijk van de import van buitenlandse fossiele brandstoffen en zeldzame aardmetalen. De concentratie van kritische grondstoffen is alles behalve eerlijk verdeeld over de wereld. China heeft de meeste zeldzame aardmetalen in handen, de Russen delven edele metalen, Congo zit op belangrijke kobaltvoorraden en niobium komt vooral voor in Canada en Brazilië.

Bovendien staat de recyclage van deze stoffen overal op een zeer laag pitje, terwijl een net deze stoffen van cruciaal belang zijn in de transitie naar een groene economie. Zo is kobalt een essentieel onderdeel in de productie van lithium-ion-batterijen, inidum noodzakelijk voor dunne PV-cellen, platinum voor brandstofcellen en niobium voor supergeleiders. Zonder zeldzame aardmetalen (zoals neodymium, terbium etc.), lithium, kobalt en germanium kunnen er geen hybride en elektrische auto’s rondrijden en komt de productie van zonnepanelen en windturbines in het gedrang.

In het licht van deze vaststellingen heeft de Europese Commissie de resource efficiency uitgeroepen tot een van de kerntaken van het oude continent. De uitwerking van een Effective (Critical) Raw Material Strategy staat ondertussen al in de steigers. De uitdaging bestaat erin efficiënt met grondstoffen om te springen terwijl je als continent nauwelijks of geen controle hebt over het opdelven en produceren ervan.

Vlaanderen als koploper
De opwarming van de aarde en het ontbreken van eigen vitale grondstoffen laten Europa en Vlaanderen geen andere keuze dan de kampioen te worden van de koolstofarme kringloopeconomie, besluit ir. dr. Peter Tom Jones van de K.U.Leuven, de grote pleitbezorger van SMM (Sustainable Materials Management of duurzaam materiaalbeheer). “Wat Vlaanderen niet heeft qua grondstoffen, heeft het des te meer qua kennis en expertise inzake duurzaam materialenbeheer”, klinkt het bij de ingenieur. Jones noemt de transitie naar een koolstofarme kringloopeconomie een uitdaging zonder voorgaande.

Op energetisch vlak moeten Vlaanderen en de EU de transitie maken naar energieonafhankelijkheid. Door de transitie naar duurzaam materialenbeheer, het sluiten van de kringlopen, kunnen we evolueren naar materialenonafhankelijkheid. Peter Tom Jones pleit voor een innovatieve recyclage-economie, waarin Europa zijn grondstoffen herwint uit afvalstromen in plaats van uit mijnen in de rest van de wereld. Dat is mogelijk via concepten als ‘urban mining’ (winning van grondstoffen uit afgedankte laptops, computers, gsm’s, auto’s) en ‘enhanced landfill mining’ (de geïntegreerde valorisatie van oude stortplaatsen voor materiaal en energie).

Een bijkomend pluspunt is daarbij dat deze vorm van recyclage bijdraagt tot een reductie van het energieverbruik en de CO2-emissies. Zo vereist de productie van aluminium uit schroot maar liefst 95% minder energie dan het vervaardigen van aluminium uit bauxieterts. Een dergelijke transitie is wellicht niet mogelijk zonder een grondige verandering in het financieel systeem, met hogere lasten op het gebruik van primaire grondstoffen zoals energie en materialen enerzijds en anderzijds incentives voor secundaire grondstoffen en hernieuwbare energie.

CR3
Voor de verdere realisatie van SMM in de praktijk richt de K.U.Leuven een interdisciplinair team op, met specialisten uit uiteenlopende disciplines en met organisaties binnen en buiten de universiteit. Inmiddels zegden al veertig bedrijven hun medewerking toe aan een kennisplatform. Een en ander wordt gecoördineerd vanuit CR3, het Centre for Resource Recovery and Recycling, een van oorsprong Amerikaans onderzoekscentrum, waarvan de K.U.Leuven de Europese tak nu voor zijn rekening neemt. Partners van het eerste uur zijn o.a. OVAMGroup Machiels en Umicore. Niet toevallig, want OVAM heeft zelf al de transitie achter de rug van afvalstoffenmaatschappij naar materiaalbeheerder, Umicore is een wereldleider in recyclingtechnologie en ‘urban mining’ en Group Machiels ambieert ‘enhanced landfill mining’ in de praktijk op de Remo-stortplaats in Houthalen-Helchteren.

 

Gepupliceerd in Argus Actueel, 27/4/11