Een huisje van stro

Het sprookje waarin de drie biggetjes en de grote boze wolf huisjes van stro in een slecht daglicht plaatsten, mag definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Bouwen met stro is een perfect haalbare kaart.

Strobouw zorgt voor stevige, mooie, duurzame, flexibele en honderd procent ecologische gebouwen die de tand des tijds probleemloos doorstaan. Niet-ingewijden kijken vreemd op als ze over strobalenbouw horen spreken, en dat is niet helemaal op het conto van het makkelijk omver te blazen biggetjeshuis te schrijven. Zeker voor ons Belgen met de spreekwoordelijke baksteen in de maag blijft het een vreemde gedachte, een huis dat uit gestapelde en samengedrukte strobalen bestaat, waartegen een stevige laag leem is aangebracht. Tot je zo’n huis bezoekt en merkt dat het eigenlijk niet zo erg veel van een ander goed geïsoleerd pand verschilt. Strobouw is, voor alle duidelijkheid, honderd procent bio-ecologisch, zelfs cradle to cradle. Stro is een biologisch afbreekbare afvalstof uit de landbouw, die nadat het huis is afgebroken gewoon in de grond kan vergaan. Architect en specialist strobalenbouw Herwig Van Soom uit Leuven kweekt overigens zelfs tomaten op oude strobalen.

De geschiedenis
Strobalenbouw in zijn huidige vorm kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar kolonisten in Nebraska rond het einde van de 19de eeuw bij gebrek aan hout strobalen stapelden in een zelfdragende structuur. De Nebraska-stijl of zelfdragende techniek (in het Engels: load bearing) wordt vandaag ook bij ons terug gehanteerd. Het dak zorgt er in dit geval voor dat de muren van stro op hun plaats blijven staan. Een frequenter toegepaste methode is die van de houtskeletbouw. Daarbij wordt eerst een skelet in hout gemonteerd en voorzien van een dak. Daarna wordt het houten geraamte met staande of liggende strobalen opgevuld om muren te vormen. Deze methode heeft als voordeel dat een huis probleemloos meerdere verdiepingen kan tellen. De mogelijkheden wat betreft vormen en ramen zijn in principe onbeperkt. Van Soom werkt naar gelang het project met de zelfdragende of dragende techniek, en gebruikt de twee technieken ook door elkaar binnen één project. Hij construeert doorgaans eerst een dak, waaronder dan de strobalen worden gestapeld.
Henk Van Aelst kiest sinds zijn eerste kennismaking met strobouw in 2003 voornamelijk voor houtskeletbouw. ‘Hoe we nu te werk gaan, kan je nog het best vergelijken met industriebouw,’ zegt hij. ‘Grote kolommen in hout, grote ramen, vides. Zelfs met zuidoriëntatie durven we met grote ramen werken, en gebruiken we ter compensatie lamellen of vierseizoensglas.’
Op de website van Casa Calida, de vzw die strobouw promoot in Vlaanderen, worden de voor- en nadelen van beide technieken uitgebreid uit de doeken gedaan en worden ook de vooroordelen over strobouw vakkundig weerlegd. Zo is een huis van stro en leem wel degelijk brandveilig, regenbestendig en stevig. Het trekt in tegenstelling tot wat sommigen denken geen ongedierte aan, het stro heeft geen effect op hooikoortspatiënten en een huis van stro en leem kan meer dan honderd jaar blijven staan. Strobouw is goedkoop in vergelijking met andere vormen van energiezuinig bouwen, zeker als je veel zelf kunt en wilt doen, al is dat geen vereiste. Strobouwarchitect Herwig Van Soom weet uit ervaring dat de meeste bouwheren zelf de strobalen plaatsen, maar het lemen doorgaans door een professional laten uitvoeren.
Stro en leem
Wie stro zegt, zegt doorgaans ook leem. Alhoewel binnenafwerking met Fermacell-gipsvezelplaten tot de mogelijkheden behoort, bestaat de standaardafwerking van een stromuur aan de binnenkant van het huis uit leem. Vanwege de regen wordt aan de buitenkant minder geopteerd voor pure leem, maar voor kalkpleister (eventueel vermengd met leem) en soms voor hout of baksteen. Stro-leemwoningen herken je aan hun grote dakoversteek, die de buitenmuren tegen de regen beschermen. Architect Henk Van Aelst maakt voor de buitenafwerking gebruik van traskalk, een gemalen vulkanisch gesteente dat dampdoorlatend is en een hoog waterwerend vermogen bezit. Van Aelst legt uit: ‘Als je buiten dampdicht werkt, met bijvoorbeeld baksteen, moet je binnen ook dampdicht afwerken. Leem is immers dampdoorlatend, wat betekent dat de vochtige lucht zich tussen het stro en de baksteen zou opstapelen, waar de lucht zal afkoelen en condenseren en mogelijk schimmel vormen. Dat kan je vermijden door aan de binnenzijde een damprem te gebruiken.’
Hoe kijken officiële instanties tegen strobouw aan? Ervaren strobouwarchitecten als Herwig Van Soom en Henk Van Aelst bevestigen dat gemeentebesturen na enig wenkbrauwengefrons niet moeilijk doen over bouwvergunningen voor strobalenbouw. Er zijn verzekeringsmaatschappijen te vinden die zonder morren een degelijke brandverzekering afsluiten. Maar het belangrijkste van al: over de laatste jaren heen ontstond in Vlaanderen een kleine maar groeiende sector van ervaren, enthousiaste en budgetvriendelijke strobalenleveranciers, houtskeletbouwers en leempleisteraars.
(Nog) niet passief
Wie wil bouwen met stro, moet rekening houden met een aantal beperkingen. Voor wie een gecertificeerde passiefwoning wil neerzetten is strobouw (voorlopig) geen oplossing. ‘De officiële lambdawaarde van een strobaal op 50 of 35 cm dikte volstaat niet aan de officiële vereisten voor een passieve wand,’ legt Van Soom uit. ‘Met bijkomend isolatiemateriaal kan je ook in België nu al de passiefnorm halen.’ Wie niet kan leven met muren van 50 cm dik, begint beter niet aan strobouw. Bij een rijwoning stelt dat probleem zich overigens niet: isolatie van de gemene zijgevels is doorgaans beperkt en vaak ook niet echt nodig, er van uitgaande dat het buurhuis ook wordt verwarmd.
Op verzoek van enkele bouwheren ontwierp Herwig Van Soom al een paar rijwoningen in strobalenbouw. ‘Het gaat dan inderdaad alleen over de voor- en achtergevel. Vloeren en daken voer ik in principe niet in strobouw uit, omdat dat economisch niet rendabel is. Het kan, maar ik denk niet dat je er veel mee wint. Voor deze toepassingen opteer ik liever voor Isofloc papiervlokkenisolatie, wat uitstekend geschikt is om alle hoekjes goed op te vullen.’
Zowel Van Aelst als Van Soom zijn gebeten door de strobouwmethode. Ze bouwen nauwelijks nog huizen van steen. Strobouw zwengelt de creativiteit aan, zo getuigen ze. Henk Van Aelst heeft een project op poten staan waarin hij een zelfdragende rondboog van stro heeft voorzien. Herwig Van Soom droomt hardop van een zeer groot gebouw of een hal in strobalen. Hij wijst erop dat de Rabobank op de Nederlandse Floriade van 2002 een auditorium met 350 zitplaatsen heeft neergezet.  ‘Zelf trachten we momenteel een klant ervan te overtuigen een feestzaal te bouwen met zuilen van stro,’ vertelt hij met pretlichtjes in de ogen.
Verschenen in Argus Actueel

Kiezen voor duurste oplossing

Professor Johan Albrecht is hoofd van het centrum milieu-economie en milieumanagement van de UGent en staflid van het Itinera Instituut. Hij heeft serieuze bedenkingen bij het geldverslindende Vlaamse beleid rond hernieuwbare energie. ‘Het produceren van 1 MWh zonne-energie kost 350 euro. 1 MWh stroom uit een conventionele centrale kost maximaal 60 euro. De waarde van 1 MWh op de dagmarkt van de stroom ligt rond de 50 euro. Als je voor zonnepanelen opteert, kies je dus voor een technologie waarvan de kostprijs ongeveer zeven keer hoger uitvalt dan de marktprijs. Ik vind het aanvaardbaar dat de overheid een nichemarkt creëert van dure zonne-energie, maar die moet in omvang beperkt zijn. Anders loopt de kost voor de stroomverbruikers en de belastingbetalers te hoog op. De overheid moet ook opvolgen hoe de technologie evolueert: waarschijnlijk is zonne-energie over tien jaar zonder subsidies leefbaar.’
Is de keuze voor windenergie dan beter? De milieu-econoom heeft een aantal bedenkingen. ‘Ook voor de windparken op zee is ons land erin geslaagd voor de duurste oplossing te kiezen,’ stelt Albrecht. ‘Door de windturbines zeer ver in zee te bouwen, voornamelijk uit angst dat zichtbare turbines de waarde van het vastgoed aan de kust zouden doen dalen. Hoe verder in zee, hoe duurder het onderhoud en hoe duurder het transport van de stroom. Op zee geproduceerde stroom kost 130 euro per MWh, op land geproduceerde windenergie 75 euro per MWh. Nu ben ik niet tegen het ontwikkelen van vernieuwende technologie: de knowhow die we opdoen door zo ver in zee te bouwen, zullen we ook elders in de wereld kunnen verzilveren. Maar de relatief dure stroom wordt doorgerekend aan de consument en aan de industriële grootverbruikers. Wees maar zeker dat energie-intensieve bedrijven uit bijvoorbeeld de chemiesector uitkijken naar alternatieve locaties, vooral als de stroom in onze buurlanden minder duur blijft.’
Johan Albrecht beschouwt het als een gemiste kans dat ons land vooral subsidies geeft voor de bestaande technologie van zonnepanelen, in plaats van dat geld te investeren in onderzoek naar innovatieve technologieën. ‘De subsidies komen nu vooral ten goede aan projectontwikkelaars en particulieren uit de hogere inkomensgroepen, terwijl Jan met de Pet het gelag betaalt. Hernieuwbare energie krijgt op die manier een slechte naam en dat is allesbehalve een goede voedingsbodem voor de verdere ontwikkeling.’
Op termijn vormt hernieuwbare energie hoe dan ook het enige alternatief voor de eindige en milieuvervuilende fossiele brandstoffen en kernenergie. De milieu-organisaties Greenpeace en WWF publiceerden onlangs rapporten van onderzoeksinstituten die stellen dat een scenario met 100 procent hernieuwbare energie mogelijk is tegen 2050. Is dat realistisch? ‘Er kan veel gebeuren op veertig jaar’, zegt professor Albrecht. ‘Gesteld dat je de beste technologie op de meest geschikte plaats installeert, en dat in een geïntegreerde Europese energiemarkt. Ik denk dan aan windturbines in de zones met de hoogste windsnelheden, zoals de West-Europese kustgebieden, zonnepanelen in de regio’s met de meeste uren zonneschijn, zoals in Zuid-Europa en biomassa-installaties in gebieden met veel landbouw en bossen, zoals in Scandinavië. Cruciaal hierbij is wel dat voldoende transportcapaciteit van elektriciteit over de zuid-noord-as wordt uitgebouwd. We moeten kiezen voor Europese efficiëntie, in plaats van elk in eigen land dure projecten op te zetten.’

Lees de rest van het artikel op Jobat (verschenen op 8/5/11)